[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 11 maart 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 17 februari 2026 heeft verweerder eiser voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 24 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M. Pater als waarnemend gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van verweerder. Ook [naam 1] was aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1994 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is, wat volgens hem niet is toegestaan volgens de wet, religie, cultuur en samenleving in Gambia. Eiser ging rond zijn 13e levensjaar vaak naar een man genaamd [naam 2] met zijn vrienden, om films te kijken en op de PlayStation te spelen. Hij stuurde eisers vrienden weg om dingen te kopen en voerde dan seksuele handelingen met eiser uit. Hierna gaf [naam 2] eiser geld. Eiser begon het leuk te vinden en dit ging zo door tot eisers 17e of 18e levensjaar. Rond eisers 18e levensjaar ontmoette eiser [naam 3] in een club, met wie eiser zo’n vijf jaar een relatie heeft gehad. In mei 2024 leerde eiser [naam 4] kennen, met wie eiser een relatie had tot zij samen in zijn huis betrapt werden door de oom van [naam 4] , op 14 december 2024. Eiser is toen weggerend en later hoorde hij van zijn moeder dat [naam 4] die avond is gearresteerd. Eiser is toen naar een vriend in een andere stad gevlucht van waaruit hij op 10 maart 2025 Gambia heeft verlaten. Zijn moeder heeft de vlucht geregeld. Eisers vader heeft aan de telefoon gezegd eiser te willen vermoorden vanwege zijn seksuele geaardheid. Eiser vreest zowel voor zijn vader als de Gambiaanse autoriteiten, omdat er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd.
Bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
Verweerder acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit van eiser acht verweerder niet geloofwaardig, omdat eiser daarvoor onvoldoende documenten heeft overgelegd en hij daar ook geen goede verklaring voor heeft. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij bij binnenkomst een vervalst identiteitsdocument heeft overgelegd.
Verweerder heeft ook eisers homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig geacht. Redengevend daarvoor is dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft volgens verweerder tegenstrijdig verklaard. Ook verklaart eiser summier over zijn eerste homoseksuele ervaringen en gevoelens en verklaart hij oppervlakkig over zijn relaties. Daarbij heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het tijdstip waarop hij voor het eerst contact opnam met [naam 4] . Verweerder werpt ook tegen dat eiser geen inzicht geeft in hoe zijn religie zich verhoudt tot zijn seksuele gerichtheid. Eiser weet verder niet veel over LHBTI-groeperingen in Nederland. Ook staan er ongerijmdheden in het arrestatiebevel. Het door eiser overgelegde arrestatiebevel is daarbij mogelijk niet authentiek bevonden.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft op grond van de geloofwaardig geachte nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Gambia vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Gambia komt is op zichzelf niet voldoende om een vluchteling te zijn.
Wat vindt eiser in beroep?
Herhaald en ingelast
4. Eiser voert in beroep aan dat alle in de procedure tot stand gekomen stukken bekend worden verondersteld en dat deze als overgenomen en toegevoegd moeten worden beschouwd. Eiser handhaaft zijn standpunten zoals verwoord in de zienswijze.
Gehoren
Verweerder heeft tijdens de gehoren en in de besluitvorming onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader en met het medisch advies. Ook voert eiser aan dat het aanmeldgehoor en nader gehoor ten onrechte met een Engelse tolk hebben plaatsgevonden in plaats van een Wolof tolk, waardoor eiser niet volledig heeft kunnen verklaren. Het is daarnaast onzorgvuldig dat de toenmalige gemachtigde van eiser het rapport van het nader gehoor niet heeft ontvangen.
Identiteit
Eiser stelt dat hij alleen een kopie van zijn geboorteakte kon overleggen, omdat de originele documenten liggen bij zijn vader, met wie hij problemen heeft. Zijn moeder heeft beperkt toegang tot de documenten en kon alleen een foto daarvan opsturen. Verweerder moet meer waarde hechten aan de overgelegde kopie bij het vaststellen van eisers identiteit. Eisers identiteit blijkt ook uit het arrestatiebevel en zijn verklaringen. Dat eiser een vals paspoort heeft gebruikt, onderschrijft juist de ernst van eisers situatie in zijn land van herkomst.
Homoseksualiteit
Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte zijn homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig geacht. Eiser stelt dat het asielmotief niet is beoordeeld conform WI2019/17. Zo wordt eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij niet veel onderzoek heeft gedaan naar LHBTI-groeperingen in Nederland. Eiser zit in een WhatsAppgroep waarmee hij in contact is met andere lhbti’ers en eiser gaat regelmatig naar lhbti-bijeenkomsten en heeft prides bezocht. Eiser heeft dit ook met stukken onderbouwd.
Eiser heeft in het aanmeldgehoor mogelijk vanuit angst en paniek verklaard dat hij biseksueel is, deze verklaring mag hem niet worden tegengeworpen.
Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiser summiere verklaringen heeft gegeven over zijn eerste homoseksuele ervaringen, stelt eiser dat hij gedetailleerd verklaard over zijn ervaringen met [naam 2] . Eiser heeft daarnaast voldoende verklaard over zijn relaties met [naam 3] en [naam 4] . Eiser overlegt ook verklaringen van [naam 3] en van de heer [naam 5] , met wie hij in Gambia ook een tijdje een relatie had. Eiser heeft nog enkele andere relaties gehad tussen [naam 3] en [naam 4] . Gelet op zijn referentiekader, zijn jonge leeftijd ten tijde van zijn eerste homoseksuele ervaringen, zijn religieuze achtergrond, het Medifirst advies en het feit dat hij de Engelse taal niet goed spreekt, heeft eiser moeite om hierover te verklaren en zijn gevoelens gedetailleerd te beschrijven.
Ten aanzien van de verhouding tussen zijn seksuele gerichtheid en zijn geloof merkt eiser op dat hij de keuze heeft gemaakt om zijn gevoel te volgen, wat inhoudt dat hij in Allah gelooft en op mannen valt.
Eiser wijst erop dat homoseksualiteit strafbaar is in Gambia.
Arrestatiebevel
Eiser heeft een arrestatiebevel overgelegd, waaruit blijkt dat hij werd gezocht omdat de autoriteiten kennelijk op de hoogte waren van zijn relatie met [naam 4] . Ten aanzien van de door verweerder gestelde ongerijmdheden in het arrestatiebevel merkt eiser op dat hij niet aanwezig was op het moment dat [naam 4] op 14 december 2024 werd gearresteerd, dus hem kan niet worden tegengeworpen dat hij niet weet wat daar precies heeft plaatsgevonden. Daarnaast mag eiser niet worden tegengeworpen dat Bureau Documenten de echtheid van het arrestatiebevel niet kan vaststellen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Het toetsingskader
6. Uit Werkinstructie 2024/6 (hierna: WI) volgt dat onder een asielmotief alle feiten en omstandigheden vallen die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. Een omstandigheid kan zien op onder meer de seksuele gerichtheid van de vreemdeling.
Verweerder beoordeelt de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid aan de hand van Werkinstructie 2019/17. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling in zaken zoals deze ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Verweerder moet een integrale beoordeling moet maken.
Een vreemdeling kan zijn eigen ontoereikende verklaringen compenseren met andere verklaringen zoals verklaringen van derden en overgelegd bewijsmateriaal. Het is daarbij aan verweerder om in het besluit inzichtelijk te maken hoe hij de verklaringen en overgelegde stukken waardeert en onderling weegt. Uit de WI volgt dat verweerder altijd verklaringen van derden meeweegt. In twijfelgevallen kunnen verklaringen van derden de doorslag geven. Het is echter afhankelijk van de individuele omstandigheden of zo’n verklaring opweegt tegen hetgeen de vreemdeling zelf heeft verklaard. Bij de beoordeling hoe informatie van derden wordt meegewogen, kijkt verweerder in ieder geval naar: de inhoud van de verklaring (waarbij vooral feitelijke informatie zoals waarnemingen van een derde over concrete gedragingen van de vreemdeling van toegevoegde waarde kunnen zijn) en de bron van de verklaring (waarbij eigen waarnemingen van een derde zwaarder wegen dan een verklaring uit eigen hand of een optekening door een derde van de verklaringen van de vreemdeling).
Homoseksualiteit
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde homoseksualiteit ten onrechte niet als op zichzelf staand asielmotief heeft aangemerkt. Seksuele gerichtheid kan immers zelfstandig vrees voor vervolging opleveren in het kader van de vluchtelingendefinitie, nog los van de problemen die daardoor mogelijk zijn ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig wordt geacht.
De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat eiser enigszins blijft steken in oppervlakkige en summiere verklaringen over zijn gevoelens bij zijn eerste seksuele handelingen met iemand van hetzelfde geslacht en wat dit voor eiser betekende. Ook is de rechtbank het met verweerder eens dat eiser op bepaalde punten oppervlakkig heeft verklaard over zijn relaties met [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser vervalt in algemeenheden over hun uiterlijk en karakter en dat de verklaringen van eiser weinig inzicht in zijn gevoelsleven geven.
Daarentegen kan niet worden uitgesloten dat de oppervlakkige verklaringen van eiser mogelijkerwijs (ten dele) worden verklaard door zijn referentiekader zoals eiser aanvoert, zijn medische problematiek die ook nader is onderbouwd door een verklaring van zijn psycholoog van 9 januari 2026 en/of het feit dat hij zich in het nader gehoor in het Engels heeft moeten uitdrukken, in plaats van in zijn eigen taal. Het klopt dat eiser zelf om een Engelse tolk heeft verzocht nadat het horen met de tolk Wolof niet lukte. Toch hecht de rechtbank hieraan waarde, omdat gehoormedewerker in het verslag van het nader gehoor zelf opmerkt dat zij er niet van overtuigd is dat eiser zich goed in het Engels kan uiten. Dat eiser in het aanvullend gehoor opnieuw om een Engelse tolk heeft verzocht en hij aangaf dat hij zich meer op zijn gemak voelde in het Engels, neemt niet weg dat een groot gedeelte van het aanvullend gehoor door de gehoormedewerker zelf in het Engels en dus zonder tolk is afgelegd. Dat het verslag van het gehoor daarna is vertaald door een beëdigde tolk neemt niet weg dat de deels oppervlakkige verklaringen daardoor kunnen worden verklaard. Daarbij heeft eiser gesteld dat hij om een Engelse tolk heeft gevraagd, omdat hij de Wolof tolk niet goed verstond omdat deze niet Gambia komt, waar eiser vandaan komt, maar uit Senegal.
Daarnaast zijn de verklaringen van eiser ook niet zodanig oppervlakkig dat deze niet kunnen worden gecompenseerd middels andere bewijsstukken. Eiser verklaart immers over hoe hij [naam 3] heeft leren kennen en dat hij vijf jaar een relatie met hem heeft gehad. Eiser verklaart bijvoorbeeld ook dat hij naar ‘Kunta Kente island en naar Kachically’ (pagina 17 van het nader gehoor) is gereisd met [naam 3] en eiser licht daarbij toe dat daar mensen waren die de geschiedenis uitlegde omdat dit een historische plek is waar in de tijd van de kolonie slaven werden gehouden. Ook verklaart eiser hoe hij in contact kwam met [naam 4] en dat hij met hem bijna een jaar een relatie heeft gehad. Eiser verklaart namelijk dat hij door [naam 3] is toegevoegd aan een Whatsappgroep, waardoor hij [naam 4] nummer kreeg. Nadat zijn relatie met [naam 3] was beëindigd, stuurde eiser [naam 4] een bericht in mei 2024 (pagina 18 van het nader gehoor). De rechtbank stelt vast dat eiser niet tegenstrijdig heeft verklaard over de start van de relatie met [naam 4] . In het nader gehoor wordt de suggestie gewekt dat eiser direct aansluitend aan zijn relatie met [naam 3] een relatie met [naam 4] heeft gekregen. Ten onrechte heeft verweerder hier een tegenstrijdigheid in gezien, want dit wordt namelijk direct aansluitend in het nader gehoor door eiser zelf al opgehelderd. Eiser verklaart dat zijn relatie met [naam 3] tussen 2017 en 2018 eindigde en dat hij tussen toen en 2024 wel relaties had maar geen serieuze (pagina 19 van het nader gehoor). Verweerder heeft niet uitgelegd waarom hij toch eiser blijft tegenwerpen dat hij hierover tegenstrijdig heeft verklaard. Verder heeft eiser ook ten aanzien van zijn geloof wel degelijk uitgelegd dat hij het voor zichzelf zo heeft ingevuld dat hij zowel gelovig als homoseksueel is en dat dit voor hem naast elkaar kan bestaan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser hiermee onvoldoende inzicht geeft in hoe zijn religie zich verhoudt tot zijn seksuele gerichtheid.
Wat er ook zij van eisers betoog dat zijn onderbouwde deelname aan LHBTI-whatsappgroepen voldoende is om zijn geaardheid te onderbouwen, eiser heeft in beroep verschillende verklaringen van derden overgelegd die naar het oordeel van de rechtbank in onderling verband en in samenhang gezien overtuigend genoeg zijn om eisers homoseksualiteit te onderbouwen. Zo heeft eiser een verklaring van [naam 3] overgelegd. Daarin bevestigt [naam 3] dat hij vijf jaar een relatie met eiser heeft gehad. Ook komt deze verklaring op meerdere punten overeen met de verklaringen van eiser. Zo noemt [naam 3] bijvoorbeeld dezelfde club waar zij elkaar hebben ontmoet als waar eiser over heeft verklaard. Hierbij is ook een foto van eiser en [naam 3] gevoegd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat er geen waarde kan worden toegekend aan de verklaring van [naam 3] , omdat hij niet objectief is als de ex-vriend van eiser, hetgeen op zichzelf al strijdig is met verweerders eigen standpunt dat eiser niet homoseksueel zou zijn. Daarbij staan in de verklaring ook de contactgegevens van [naam 3] , waardoor verweerder het een en ander had kunnen verifiëren. Eiser heeft daarnaast een verklaring overgelegd van zijn Nederlandse ex-vriend, [naam 5] , met wie hij in Gambia al een relatie had. In de verklaring staat dat hij hun relatie heeft beëindigd, omdat eiser in Gambia worstelde met zijn seksuele geaardheid. In de verklaring staat ook dat wordt geprobeerd om eiser over te plaatsen naar een AZC in Amsterdam, zodat zij hun relatie nieuw leven kunnen inblazen. In deze verklaring staan de contactgegevens van de [naam 5] , waardoor verweerder ook het een en ander had kunnen verifiëren. Ten slotte heeft eiser verschillende verklaringen overgelegd van medewerkers van het COC. In de verklaring van [naam 6] staat dat eiser in het AZC gezamenlijke bijeenkomsten van het COA en COC bijwoont en naar een café is geweest waar lhbti-avonden worden georganiseerd. In de verklaring van de [naam 1] staat dat eiser regelmatig met hem praat over zijn homoseksualiteit. Niet valt in te zien waarom zij vanuit hun waarneming niet iets over eisers homoseksualiteit zouden kunnen zeggen. Zij weten wel het een en ander af van homoseksualiteit en kunnen op dat vlak ook een indruk van eiser krijgen.
Naar het oordeel van de rechtbank werpt verweerder tot slot ten onrechte tegen dat eiser in het aanmeldgehoor bij de Kmar heeft verklaard dat hij biseksueel is en gescheiden is van zijn vrouw. Eiser stelt dat hij in het gesprek met de Kmar bang was en mogelijk in paniek heeft verklaard dat hij biseksueel en niet homoseksueel is. Wat daar ook van zij, verweerder heeft de door eiser in de aanmeldfase afgelegde verklaringen niet mogen betrekken bij zijn beschikking. Dit volgt uit artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vb (Vreemdelingenbesluit 2000):
“Bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag zullen de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen omtrent zijn asielmotieven niet worden betrokken, tenzij deze betrekking hebben op daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, andere zware strafbare feiten of relevant zijn in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid.”
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn op zitting ingenomen standpunt dat de informatie uit dit gehoor betrokken mag worden, omdat eiser ermee is geconfronteerd in het nader gehoor en omdat hij hierop heeft kunnen reageren middels de zienswijze. Dit valt namelijk niet onder één van de uitzonderingen van voornoemd artikel.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn deels oppervlakkige verklaringen genoegzaam heeft gecompenseerd met de verklaringen van derden en andere stukken die hij heeft overgelegd. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom de verklaringen en andere stukken in dit geval niet de doorslag geven. Zoals hiervoor overwogen zijn eisers eigen verklaringen niet zó oppervlakkig. De enkele verwijzing naar de vaste rechtspraak dat in zaken zoals deze het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal van de vreemdeling is geen antwoord op de vraag van de rechtbank waarom deze derdenverklaringen eisers eigen deels oppervlakkige verklaringen niet voldoende compenseren, zeker gelet op zijn referentiekader, medische situatie en problemen in het Engels.
Nu het beroep gegrond is omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ongeloofwaardig is dat eiser homoseksueel is en dit ook meespeelt bij de beoordeling van de gestelde problemen als gevolg van zijn homoseksualiteit, komt de rechtbank aan de overige beroepsgronden niet toe.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond, omdat verweerder ten onrechte eisers homoseksualiteit niet als op zichzelf staand asielmotief heeft onderscheiden en verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet homoseksueel zou zijn. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €2.802,-.
Beslissing
De rechtbank:
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.