RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college.
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/562
(gemachtigde: mr. M.M. Walker),
en
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de mededeling van het college dat het handhavingsverzoek naar Rijkswaterstaat is doorgezonden een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is. Omdat daarmee op het moment van het instellen van het beroep niet-tijdig beslissen al een besluit was genomen, is het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 29 april 2025 heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden tegen het niet tijdig operationaliseren van de maatregelen die zijn opgenomen in de maatregelenprogramma’s van de stroomgebiedbeheerplannen Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027, en specifiek de maatregelen met betrekking tot het waterlichaam Zandmaas, door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Op 2 december 2025 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar handhavingsverzoek.
Op 22 december 2025 heeft het college aan eiseres meegedeeld dat het handhavingsverzoek van eiseres is doorgezonden naar Rijkswaterstaat.
Op 21 januari 2026 heeft het eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek.
Eiseres heeft nadere stukken overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres is mr. M.A. van der Brug verschenen, als vervanger van de gemachtigde. Het college is, hoewel correct daartoe uitgenodigd, zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
3. De toepasselijke wettelijke regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het college beslist op het handhavingsverzoek van eiseres?
4. Eiseres betoogt dat het college nog niet heeft beslist op haar handhavingsverzoek, terwijl het daartoe wel bevoegd is. Hiertoe voert zij aan dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister) verplicht is om de maatregelen die op grond van artikel 11 van de Kaderrichtlijn water (KRW) zijn opgenomen in de maatregelprogramma’s van de stroomgebiedbeheerplannen Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027, tijdig te operationaliseren. Eiseres wijst specifiek op de maatregelen met betrekking tot de Zandmaas, nu de toestand van dit waterlichaam matig is. Het niet operationaliseren van de maatregelen levert volgens eiseres een overtreding op van artikel 11 van de KRW en artikel 10.16, derde lid, van het Omgevingsbesluit (Ob). Omdat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in Den Haag is gevestigd, meent eiseres dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de minister.
Het college heeft zich in zijn e-mail van 22 december 2025 op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd is om te beslissen op het handhavingsverzoek van eiseres. In deze e-mail staat namelijk het volgende: “Deze doorzending heeft plaatsgevonden omdat Rijkswaterstaat het bevoegde orgaan is om over het betreffende verzoek te beslissen.”
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze reactie van het college op het handhavingsverzoek van eiseres een besluit is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt namelijk dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een dergelijke mededeling houdt in ieder geval een oordeel in over de aanwezigheid en de reikwijdte van de door verzoeker veronderstelde bevoegdheid. Indien echter aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is geen sprake van een besluit.
Naar het oordeel van de rechtbank is de e-mail van 22 december 2025 een besluit, inhoudende dat de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden zich niet uitstrekt tot het handhavingsverzoek van eiseres. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Het in de e-mail van 22 december 2025 ingenomen stadpunt over de bevoegdheid van het college is niet gemotiveerd. Het college heeft in deze beroepsprocedure ook geen verweer gevoerd.
Uit artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow volgt dat het college het bevoegd gezag is bij overtreding van bij of krachtens de Ow gestelde regels, tenzij sprake is van een geval dat is vermeld in de eerste vier leden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door eiseres gestelde strijd met de hiervoor vermelde artikelen van de KRW en het Ob niet worden begrepen onder de eerste vier leden van artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow. In aanmerking genomen de ruime reikwijdte van de handhavingsbevoegdheid in artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet gezegd worden dat aan het college geen enkele handhavingsbevoegdheid is toegekend met betrekking tot overtreding van de hiervoor bedoelde bepalingen van KRW en het Ob, dan wel dat het geen enkele bemoeienis heeft met aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze bepalingen.
Omdat het college op 22 december 2025 een besluit had genomen naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eiseres, is niet voldaan aan artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet aanleiding om het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift door te sturen naar verweerder. Voor de volledigheid wijst de rechtbank erop dat het als bezwaarschrift te behandelen beroepschrift gelet op artikel 6:15, tweede en derde lid, tijdig is ingediend.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
(..)
Artikel 6:12
(..)
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
(..)
Kaderrichtlijn water
Artikel 11
(..)
8. Maatregelenprogramma’s worden uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld. Nieuwe of herziene maatregelen die in het kader van een herzien programma worden genomen, dienen binnen drie jaar na vaststelling operationeel te zijn. (..)
Omgevingswet
Artikel 18.2
1. Als sprake is van een activiteit waarvoor op grond van paragraaf 4.1.1 algemene regels zijn gesteld, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 4.1.3 voor die activiteit bevoegde gezag.
2. Als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 voor die omgevingsvergunning bevoegde gezag.
3. Voor zover een projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit als bedoeld in artikel 5.52, tweede lid, onder a, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld.
4. Voor een gedoogplicht als bedoeld in hoofdstuk 10 berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak alleen bij een bestuursorgaan voor zover bij algemene maatregel van bestuur die taak aan dat bestuursorgaan is opgedragen.
5. In de overige gevallen berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het college van burgemeester en wethouders.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, de bestuursrechtelijke handhavingstaak aan een ander bestuursorgaan worden opgedragen.
Omgevingsbesluit
Artikel 10.16
(…)
3. Maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder a, 4.4, derde lid, onder a, of 4.10, derde lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn opgenomen in een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma, zijn operationeel uiterlijk drie jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid.