RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/695800 / HA ZA 25-1104
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[partij A] te [woonplaats 1] ,
voor zich en in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] ,
eiseres conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. A.H. van Haga,
tegen
[partij B] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.G. Schnoor.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 december 2025 met producties 1 tot en met 38;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis met producties 39 tot en met 43;
- de akte in het geding brengen nadere stukken tevens reactie vermeerdering van eis van [partij B] met producties 11 tot en met 19; en
- de akte overlegging bankafschriften van [partij A] met producties 44 tot en met 50.
Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[partij A] is de dochter van [erflater] (hierna: erflater) en [de moeder] (hierna: de moeder).
Op [datum 1] 2004 is de moeder overleden. Op grond van haar testament zijn alle goederen die tot haar nalatenschap behoorden toegedeeld aan erflater. [partij A] heeft een vordering uit overbedeling op erflater verkregen.
Na het overlijden van de moeder is tussen erflater en [partij B] een affectieve relatie ontstaan. Zij woonden vanaf 2007 samen. In dat kader hebben erflater en [partij B] op 3 juli 2009 een samenlevingsovereenkomst gesloten (hierna: de samenlevingsovereenkomst). Hierin is onder meer het volgende vermeld:
“Artikel 2
1. Partijen dragen de kosten van de huishouding ieder voor de helft.
(…)
3. Een partij die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan die partij op grond van het bepaalde in dit artikel moet dragen, kan dit meerdere van de andere partij terugvorderen. Dit vorderingsrecht vervalt indien de betaling of verrekening niet binnen een jaar na het einde van het desbetreffende kalanderjaar heeft plaatsgehad of schriftelijk is gevorderd.
(…)
Inboedel Artikel 5
1. Partijen zijn overeengekomen dat de inboedelgoederen, zoals gedefinieerd in artikel 1 van deze overeenkomst, die door partijen tot op heden zijn verkregen in verband met hun samenwoning en de daaruit voortvloeiende verzorgingsverplichting, ongeacht de herkomst van deze goederen of de wijze van financiering daarvan, aan hen gezamenlijk dienen toe te behoren. Op grond van deze overeenkomst draagt ieder van hen voor zover nodig de onverdeelde helft van de hem/haar toebehorende goederen, zonder vergoeding, aan de ander over.
2. De inboedel die ieder van partijen vóór de hiervoor bedoelde levering bezat, is ongeveer evenveel waard en partijen stellen geen prijs op enige specificatie daarvan. In afwijking van het vorenstaande blijft ieder eigenaar van de kleding, sieraden en overige persoonlijke goederen, welke hij of zij in gebruik heeft of welke tot zijn of haar persoonlijk gebruik bestemd zijn, alsmede van alle goederen waarvan partijen hebben vastgelegd of zullen vastleggen, dat zij privé-eigendom blijven van één van hen.
(…)
Gezamenlijke bankrekening
Artikel 8
Indien partijen een bankrekening hebben op beider naam, komt het saldo hen gezamenlijk toe, ieder voor de onverdeelde helft. Een tekort op die bankrekening dient door ieder voor de helft te worden gedragen.
(…)
Verblijvensbeding bij overlijden en faillissement
Artikel 11
1. Indien een van partijen overlijdt of in staat van faillissement wordt verklaard, verblijven de aan partijen tezamen ieder voor de helft toebehorende goederen aan de langstlevende partij. Die partij is daartegenover slechts verplicht de eventueel nog bestaande schulden die verband houden met de alsdan nog niet voldane lasten verbonden aan de financiering van de aanschaf of het onderhoud van die goederen geheel voor zijn/haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen. Indien de verblijving plaatsvindt ten gevolge van overlijden is hij/zij niet tot enige vergoeding verplicht.
Verblijving ten gevolge van overlijden van één van de partijen geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de andere partij degene die is overleden tenminste dertig dagen overleeft.
(…)
Duur en einde
Artikel 12
Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en eindigt op de navolgende wijzen:
(…)
c. door overlijden van een partij.”
[partij B] en erflater hielden ten behoeve van hun gezamenlijke huishouden een gezamenlijke betaalrekening en een gezamenlijke spaarrekening (hierna: de gezamenlijke rekeningen) bij ING Bank N.V. aan.
Bij testament van 3 juli 2009 heeft erflater [partij A] benoemd tot zijn enige erfgenaam.
Op 13 mei 2020 heeft erflater een auto van het type Suzuki Vitara (hierna: de auto) op zijn naam laten schrijven.
Op 6 augustus 2020 heeft [partij B] een honderdste onverdeeld aandeel (hierna: het 1%-aandeel) in het appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik van de woning waar erflater en [partij B] samenwoonden, te weten de woning aan de [adres] (hierna: de woning), aan erflater geleverd. Erflater heeft voor de overdracht van het 1%-aandeel niets betaald.
Vervolgens hebben [partij B] en erflater op 6 augustus 2020 een overeenkomst van geldlening gesloten met Obvion N.V. (hierna: Obvion), voor welke lening zij beiden hoofdelijk aansprakelijk waren (hierna: de hypothecaire lening). Als zekerheid voor de terugbetaling van de hypothecaire lening hebben [partij B] en erflater een recht van hypotheek gevestigd op de woning ten behoeve van Obvion. Na aftrek van kosten heeft de notaris een bedrag van € 40.173,96 op de gezamenlijke betaalrekening van [partij B] en erflater gestort.
In oktober 2021 heeft erflater een bedrag van € 3.216,97 betaald voor een elektrische fiets van het merk Batavus, type Finez E-Go Power EXCL N8 (hierna: de elektrische fiets).
Op [datum 2] 2023 is erflater overleden.
Erflater beschikte ten tijde van zijn overlijden over (onder meer) de auto, een boot van het merk Antaris (hierna: de boot) en over een motor van het merk Yamaha (hierna: de motor). Deze goederen bevonden zich na het overlijden van erflater bij [partij B] .
Op de gezamenlijke betaalrekening van erflater en [partij B] stond ten tijde van het overlijden van erflater € 843,92. Op de gezamenlijke spaarrekening stond € 1.626,22.
[partij A] heeft de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.
Op 22 september 2023 heeft de uitvaart van erflater plaatsgevonden. De uitvaartverzekeraar van erflater heeft een deel van de uitvaartkosten voor zijn rekening genomen. [partij B] heeft de overige € 2.615,06 aan uitvaartkosten betaald.
Op 7 oktober 2023 hebben [partij A] en [partij B] een overeenkomst gesloten. Hierin is onder meer het volgende vermeld:
“Aldus overeengekomen op 7-10-2023 te Den Haag de overdracht van ondergenoemde roerende goederen aan Mw. [partij A] volgens testament van Dhr. [erflater] . Overdracht van de nog over te dragen roerende goederen (o.a. sieraden uit de kluis) volgt op een later moment.
(…)
Roerende goederen
- Boot: Antaris
- Inclusief: 2 sleutels, kentekenbewijs, papieren
- Motor: Yamaha XVZ1300 Royal Star
- Inclusief: 2 sleutels, kentekenbewijs, papieren
- Auto: Suzuki Vitara *
- Inclusief: 2 sleutels, kentekenbewijs, onderhoudhistorie
* Het is aantoonbaar dat Mw. [partij B] heeft meebetaald aan de auto. Nader wordt bepaald welke vergoeding daar tegenover staat.”
[partij B] heeft de boot, de motor en de auto vervolgens aan [partij A] afgegeven.
Op 14 november 2023 heeft [partij A] een bedrag van (in totaal) € 1.423,55 afgeschreven van de gezamenlijke rekeningen.
3. Het geschil
in conventie
[partij A] vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij B] veroordeelt tot afgifte van alle zaken die zijn opgenomen op de lijst in productie 40 bij de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis op straffe van een dwangsom;
II. [partij B] veroordeelt tot betaling van € 9.682,35;
III. [partij B] veroordeelt tot medewerking aan de overdracht van het 1%-aandeel in de woning, onder de opschortende voorwaarde dat [partij A] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, waarbij [partij B] alle kosten verbonden aan de levering, het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, en de overdrachtsbelasting moet dragen;
IV. [partij B] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
[partij A] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. [partij A] wenst afgifte van de zaken die op de lijst in productie 40 staan. Zij heeft als erfgenaam recht op deze zaken. Daarnaast heeft [partij A] als erfgenaam en executeur verschillende geldvorderingen op [partij B] . Tot slot wil [partij A] het 1%-aandeel in de woning overdragen aan [partij B] onder de voorwaarde dat [partij A] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening.
[partij B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
in reconventie
[partij B] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij A] veroordeelt tot betaling van € 38.629,59;
II. [partij A] veroordeelt tot medewerking aan de overdracht van het 1%-aandeel in de woning, waarbij de kosten van de notaris voor rekening van [partij A] komen;
III. bepaalt dat [partij B] na betaling van het bedrag onder I zal zorgdragen voor ontslag van [partij A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en voor de overdrachtsbelasting van [partij A] ;
IV. bepaalt dat indien [partij A] het onder II gevorderde niet nakomt, het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van de voor de overdracht van het 1%-aandeel in de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van gedaagde in reconventie, dan wel alle vereisten die nodig zijn voor de overdracht aan [partij B] ;
V. [partij A] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
[partij B] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Op grond van het verblijvensbeding zoals opgenomen in artikel 11 van de samenlevingsovereenkomst is [partij B] eigenaar geworden van de auto. [partij A] moet daarom de taxatiewaarde van de auto aan [partij B] vergoeden. Daarnaast is [partij B] op grond van het verblijvensbeding enige rechthebbende geworden op de gezamenlijke rekeningen. [partij A] moet daarom het bedrag dat zij van de gezamenlijke betaalrekening heeft afgeschreven aan [partij B] terugbetalen. [partij A] moet verder de uitvaartkosten betalen, omdat dit schulden van de nalatenschap zijn. Daarnaast vordert [partij B] dat [partij A] de helft van de openstaande schuld uit de hypothecaire lening betaalt. Ook vordert [partij B] dat [partij A] de helft van de rente, die [partij B] na het overlijden van erflater alleen heeft betaald, aan [partij B] betaalt. [partij B] vordert tot slot dat [partij A] pas na betaling van de helft van de openstaande hypotheekschuld wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening.
[partij A] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
in conventie en in reconventie
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk behandelen.
Afgifte van zaken
De zaken waarover geen beslissing meer wordt genomen
[partij A] vordert afgifte van de zaken die zijn genoemd op de lijst in productie 40 bij de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] haar eis verminderd, in die zin dat zij van een aantal van deze zaken geen afgifte meer vordert. De rechtbank zal daarom geen beslissing meer geven over die zaken. Voor de volledigheid stelt de rechtbank vast dat het om de volgende zaken gaat:
het horloge van Esprit dat [partij B] aan erflater cadeau heeft gegeven;
de foto van erflater met zonnebloemen; en
de inlogcodes van zijn e-mail.
De zaken die [partij B] aan [partij A] wil afgeven
[partij B] heeft in haar conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij bereid is verschillende zaken die [partij A] heeft opgenomen op de lijst in productie 40 en die zich (voornamelijk) in een door [partij B] gehuurde opslagruimte bevinden aan [partij A] af te geven. De rechtbank zal de vorderingen van [partij A] daarom ten aanzien van die zaken toewijzen, voor zover deze voldoende specifiek bepaald zijn. Het gaat om de volgende zaken:
een houten zelfgemaakte houder voor bekers (behorend bij de boot);
een Marinetec polijst- en schuurmachine met twee accu’s en opzetstukken en doeken;
drie bakjes met schroeven, ringetjes en moertjes;
vier grondpennen en een vuisthamertje;
de onderkant van het tafelblad binnen (behorend bij de boot);
één vaaralmanak;
een grote geel met zwarte gereedschapskist;
twee schroevenbakken met vakken met schroeven en pluggen;
de sieraden die staan afgebeeld op de foto’s die zijn overgelegd bij productie 40;
de kluis;
de horloges van erflater, met uitzondering van het horloge van Esprit;
twee mappen met een muntenverzameling van de moeder;
de zilveren bestekset;
de kentekenplaat van de auto voor op de fietsendrager;
de hele serie stripboeken van Michel Vaillant (zowel de delen die in de opslag liggen als de delen die zich in de woning bevinden);
een blauw en rood speelgoedautootje;
een zeefdruk van Corneille met lijst;
een groot schilderij met wasco papegaai en gouden lijst;
de leren portefeuille van erflater met foto’s en passen; en
het paspoort, de passen en overige documenten van erflater.
Het beoordelingskader voor de overige zaken
Vervolgens zal de rechtbank voor de overige zaken beoordelen of [partij B] verplicht is deze aan [partij A] af te geven. Daarbij geldt het volgende beoordelingskader.
Op grond van artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de eigenaar van een zaak bevoegd de zaak van een ieder die de zaak zonder recht houdt op te eisen. [partij A] moet daarom voldoende feiten stellen waaruit blijkt (1) dat zij – als erfgenaam en rechtsopvolger van erflater – eigenaar is van de zaken en (2) dat [partij B] deze zaken onder zich houdt. Daarbij is ook van belang dat de zaken waarvan [partij A] afgifte vordert (3) voldoende bepaald zijn.
Bij het vaststellen van het eigendom van [partij A] is het verblijvensbeding in de samenlevingsovereenkomst van [partij B] en erflater van belang. Uit dat beding volgt dat zaken die bij leven voor de helft aan [partij B] en voor de helft aan erflater toebehoorden door het overlijden van erflater eigendom van [partij B] (als langstlevende partij) zijn geworden. Voor overige zaken geldt dat [partij A] als erfgenaam van erflater hem in zijn rechten is opgevolgd. Zaken die op het moment van overlijden volledige eigendom van erflater waren, zijn daarom na zijn overlijden eigendom van [partij A] geworden.
De zaken waarvan de vordering tot afgifte wordt afgewezen
Op de lijst in productie 40 staan diverse zaken waarvan [partij B] niet betwist dat erflater daarvan de eigenaar was, maar waarvan zij [partij B] betwist dat zij deze onder zich houdt. Het had vervolgens op de weg van [partij A] gelegen om nader te onderbouwen dat [partij B] die zaken onder zich houdt. [partij A] heeft dit niet gedaan, zodat voor die zaken niet is vast komen te staan dat [partij B] deze zaken onder zich houdt. De rechtbank zal de vordering tot afgifte van die zaken daarom afwijzen. Het gaat om de volgende zaken:
het oude tentdoek van de boot;
het gereedschap op de boot;
de steigerfenders;
de luiwagens;
de verlengsnoeren;
het reserveanker;
de nieuwe blauwe aanmeerlijnen;
de vaaralmanakken, met uitzondering van de onder 4.3 genoemde vaaralmanak;
de sieraden die niet op de foto’s in productie 40 staan;
de grote boormachine (klopboor) met toebehoren;
de spanningsmeter;
het plateau met tinnen mannetje en vrouwtje;
de raceautootjes van Max Verstappen;
de kerstbal van Max Verstappen; en
het Michelin poppetje.
Op de lijst in productie 40 staan ook zaken waarvan [partij B] heeft bevestigd dat zij deze onder zich houdt, maar waarvan zij gemotiveerd heeft betwist dat [partij A] als erfgenaam daarvan eigenaar is geworden. Van een deel van deze zaken heeft [partij A] gesteld dat haar eigendom voortvloeit uit het feit dat die zaken bij de boot horen, waarvan [partij A] eigenaar is (hetgeen tussen partijen niet in geschil is). De rechtbank vindt dat [partij A] de stelling dat zij het eigendom van deze zaken heeft onvoldoende heeft onderbouwd, omdat deze zaken - die kennelijk op de boot lagen - niet zonder meer het eigendom van de boot volgen. Tegenover de stelling van [partij A] staat bovendien de gemotiveerde betwisting van [partij B] , die heeft aangevoerd dat deze goederen in en rondom de woning worden gebruikt. De rechtbank begrijpt deze betwisting aldus dat dit volgens [partij B] (inboedel)goederen zijn die aan erflater en [partij B] gezamenlijk toebehoorden en thans – op grond van het verblijvensbeding – aan [partij B] toebehoren. De rechtbank oordeelt daarom dat niet is komen vast te staan dat deze zaken in eigendom aan [partij A] toebehoren. De rechtbank zal ook de vordering tot afgifte van die zaken afwijzen. Het gaat om de volgende zaken:
de MC light zaklamp;
de reddingsvesten;
de barbecue van Cobb;
de buitentafel;
de Galaxy Tab S6 lite blue tablet met bijbehorende hoes, laders, speciale tas, HDMI-kabel en factuur van de Mediamarkt;
een 2-weg antenneversterker; en
de accuboor met bijbehorende bitjes.
Verrekijker
[partij A] vordert afgifte van een verrekijker. [partij A] heeft daarover verklaard dat erflater de verrekijker zelf heeft betaald, zodat deze in de nalatenschap valt. [partij B] heeft dit weersproken en heeft verklaard dat zij de verrekijker samen met erflater heeft gekocht. De rechtbank begrijpt deze betwisting aldus dat de verrekijker volgens [partij B] gezamenlijk eigendom was van erflater en [partij B] en dat deze thans aan [partij B] toebehoort. Het had op de weg gelegen van [partij A] om tegenover de gemotiveerde betwisting van [partij B] nader te onderbouwen dat erflater de verrekijker zelf heeft betaald, bijvoorbeeld met een bewijs van betaling. Omdat zij dit niet heeft gedaan, is niet vast komen te staan dat [partij A] – als rechtsopvolger van erflater – eigenaar is van de verrekijker. De rechtbank zal de vordering tot afgifte van de verrekijker daarom afwijzen.
Waterkaarten van de ANWB
[partij A] vordert afgifte van waterkaarten van de ANWB. [partij A] stelt dat erflater twintig waterkaarten had, die hoorden bij de boot. [partij B] heeft verklaard dat zij enkele waterkaarten onder zich heeft, die zij bereid is aan [partij A] af te geven. Dit zijn er wel minder dan twintig, aldus [partij B] . De rechtbank vindt dat [partij A] onvoldoende heeft onderbouwd dat [partij B] twintig waterkaarten onder zich heeft en zal de vordering tot afgifte daarvan dan ook afwijzen. De rechtbank kan [partij B] niet veroordelen tot afgifte van de waterkaarten die [partij B] wel onder zich houdt en bereid is af te geven, omdat niet duidelijk is om hoeveel waterkaarten het precies gaat. De rechtbank gaat er evenwel van uit dat [partij B] haar belofte om de bij haar aanwezige waterkaarten aan [partij A] te overhandigen ook zonder veroordeling daartoe zal nakomen.
Elektrische fiets en fietsendrager
[partij A] vordert afgifte van de elektrische fiets. Zij stelt dat de elektrische fiets eigendom van erflater was, omdat hij deze fiets zelf heeft betaald, de bijbehorende kosten van onderhoud droeg en hij de fiets gebruikte. [partij B] voert aan dat de fiets gezamenlijk eigendom was en daarom op grond van het verblijvensbeding haar eigendom is geworden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B] toegelicht dat de fiets weliswaar van de rekening van erflater is betaald, maar dat [partij B] en erflater altijd samen fietsten. De fiets en de oplader stonden bovendien in de woning, aldus [partij B] . De rechtbank vindt dat [partij B] hiermee onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de fiets het eigendom van erflater was. [partij B] heeft namelijk niet betwist dat erflater de fiets heeft betaald en dat hij de gebruiker was van deze elektrische fiets, die bovendien een herenfiets betrof. De fiets valt daarom naar het oordeel van de rechtbank niet onder het verblijvensbeding, maar betrof privé eigendom van erflater zodat [partij A] na het overlijden van erflater eigenaar van de fiets is geworden. De rechtbank zal de vordering tot afgifte van de elektrische fiets daarom toewijzen.
[partij A] vordert tevens afgifte van de fietsendrager. [partij A] heeft geen feiten gesteld of bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij eigenaar is van de fietsendrager. [partij B] heeft de eigendom van [partij A] betwist. De rechtbank vindt daarom dat [partij A] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal de vordering tot afgifte van de fietsendrager daarom afwijzen.
Foto’s van familieleden
[partij A] vordert afgifte van “foto’s van papa, mama, opa’s, oma’s”. [partij B] betwist dat zij nog familiefoto’s van [partij A] heeft, omdat zij alle foto’s die ze had al aan [partij A] heeft afgegeven. Het lag op de weg van [partij A] om nader te onderbouwen dat [partij B] nog andere foto’s onder zich heeft en welke dit zijn. [partij A] heeft dit niet gedaan, zodat ten aanzien van deze vordering niet is vast komen te staan dat [partij B] nog foto’s onder zich houdt. De rechtbank zal de vordering tot afgifte van de foto’s daarom afwijzen. Wel heeft [partij B] tijdens de mondelinge behandeling toegezegd een aantal digitale fotobestanden met foto’s van erflater op een usb-stick te zetten en deze usb-stick aan [partij A] te geven. De rechtbank zal deze toezegging niet opnemen in de beslissing omdat hier geen vordering aan verbonden is. De rechtbank vertrouwt erop dat [partij B] haar toezegging zal nakomen.
Telefoon met oplader, het heuptasje en de schoudertas van erflater
[partij A] vordert afgifte van de telefoon van erflater, inclusief oplader. Ook vordert zij afgifte van het heuptasje en de schoudertas van erflater. [partij B] voert aan dat zij deze zaken wil behouden vanwege de emotionele waarde. Uit de stellingen van partijen maakt de rechtbank op dat de telefoon, oplader, heuptas en schoudertas persoonlijke goederen van erflater waren. Deze goederen bleven op grond van artikel 5 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst eigendom van erflater. De rechtbank vindt daarom voldoende duidelijk dat [partij A] – als rechtsopvolger van erflater – eigenaar van deze zaken is geworden. De rechtbank zal de vordering tot afgifte van de telefoon, oplader, heuptas en schoudertas daarom toewijzen. De emotionele waarde die deze goederen voor [partij B] hebben, staat niet aan afgifte van de goederen in de weg.
[partij A] vordert ook afgifte van de pincode van de telefoon en de foto’s die erop staan. De rechtbank begrijpt deze vordering aldus dat [partij A] bedoelt dat [partij B] de pincode en foto’s die zich bevinden op de mobiele telefoon van erflater aan [partij A] moet verstrekken. Artikel 5:2 BW biedt echter grondslag voor afgifte van wachtwoorden en van digitale bestanden (zoals foto’s). Een andere grondslag voor deze vordering tot afgifte heeft [partij A] niet gesteld en is de rechtbank overigens ook niet gebleken, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Daarnaast vordert [partij A] afgifte van ‘de inhoud’ van de heuptas en schoudertas van erflater. De rechtbank zal deze vordering als onvoldoende bepaald afwijzen.
Losse externe box
[partij A] vordert afgifte van ‘een losse externe box’ (die kan worden aangesloten op een mobiele telefoon). [partij B] betwist dat [partij A] eigenaar is van deze box en voert aan dat deze in en rondom de woning wordt gebruikt. [partij A] heeft geen feiten gesteld waaruit blijkt dat zij eigenaar is van deze box. De rechtbank vindt dat [partij A] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd en zal deze vordering daarom afwijzen.
Fotolijst met foto van erflater met een lantaarnpaal
[partij A] vordert afgifte van een fotolijst met daarin een foto van erflater met een lantaarnpaal die zij bij de uitvaart van erflater heeft gezien. [partij B] heeft toegelicht dat haar zoon die foto zelf heeft gemaakt van een foto in een boekje. [partij A] heeft in het licht van die betwisting onvoldoende onderbouwd dat zij eigenaar is van de fotolijst met foto en op grond daarvan recht heeft op afgifte van die fotolijst. Nu niet vast is komen te staan dat [partij A] eigenaar is van de fotolijst met foto, zal de rechtbank de vordering tot afgifte daarvan afwijzen.
Persoonlijke spullen, tassen, brillen en kleding van erflater
[partij A] vordert afgifte van alle “persoonlijke spullen, tassen, brillen en kleding” van erflater, waaronder meerdere shirts van Max Verstappen. Daarnaast vordert [partij A] afgifte van “overige persoonlijke spullen die niet apart genoemd staan, maar wel van hem [de rechtbank begrijpt: van erflater] zijn”. [partij B] heeft toegelicht dat ze in de opslag zes zakken met kleding van erflater heeft met daarin ten minste één shirt van Max Verstappen. Nu [partij B] heeft toegezegd deze zakken met kleding aan [partij A] af te geven, zal de rechtbank de vordering in zoverre toewijzen. Voor het overige is de vordering van [partij A] onvoldoende bepaald. De rechtbank zal de vordering voor het overige daarom afwijzen.
Dwangsom
[partij A] vordert dat [partij B] een dwangsom moet betalen voor elke dag dat [partij B] in gebreke blijft met het afgegeven van de zaken die op de lijst in productie 40 zijn opgesomd. De rechtbank vindt dat [partij A] voldoende belang heeft bij de dwangsom, omdat [partij B] de zaken – inclusief de zaken waarvan zij aangeeft dat [partij A] die mag hebben – tot nu toe niet vrijwillig aan [partij A] heeft afgegeven. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in de beslissing zal worden vermeld.
Gezamenlijke rekeningen
Algemeen
[partij A] en [partij B] hebben verschillende vorderingen ingesteld met betrekking tot de gezamenlijke rekeningen.
Voor de beoordeling van die vorderingen is van belang wie rechthebbende is op het saldo van de gezamenlijke rekeningen. [partij A] voert aan dat [partij B] en erflater beiden rechthebbende waren op de gezamenlijke rekeningen. Volgens [partij A] vallen de gezamenlijke rekeningen niet onder het verblijvensbeding (artikel 11 van de samenlevingsovereenkomst), omdat in artikel 8 van de samenlevingsovereenkomst een apart beding is opgenomen ten aanzien van gezamenlijke rekeningen. [partij B] en [partij A] zijn volgens [partij A] op grond van dat beding beiden voor de helft gerechtigd tot het saldo van de gezamenlijke rekeningen. [partij B] stelt daartegenover dat de gezamenlijke rekeningen haar en erflater ieder voor de helft toebehoorden, zodat de gezamenlijke rekeningen op grond van het verblijvensbeding aan [partij B] zijn verbleven.
De rechtbank oordeelt dat na het overlijden van erflater [partij B] de enige rechthebbende op het saldo van de gezamenlijke rekeningen is geworden. Uit de tekst van het verblijvensbeding in artikel 11 van de samenlevingsovereenkomst blijkt dat het beding van toepassing is op alle goederen die aan [partij B] en erflater tezamen ieder voor de helft toebehoorden. Een vermogensrecht, zoals een bankrekening, is ook een goed als bedoeld in artikel 3:1 BW. In artikel 8 van de samenlevingsovereenkomst staat dat het saldo van een bankrekening dat op de naam van zowel [partij B] als erflater staat, hun ieder voor de helft toekomt. Daarmee was dit dus een aan [partij B] en erflater tezamen ieder voor de helft toebehorend goed. Uit de tekst van artikel 11 noch uit de tekst van artikel 8 blijkt voorts dat het verblijvensbeding niet van toepassing zou zijn op de gezamenlijke rekeningen. De rechtbank zal de vorderingen van [partij A] en [partij B] daarom beoordelen op basis van het uitgangspunt dat [partij B] na het overlijden van erflater op grond van het verblijvensbeding de enige rechthebbende op het saldo van de gezamenlijke rekeningen is geworden.
Vorderingen van [partij A] met betrekking tot de gezamenlijke rekeningen
[partij A] vordert ten eerste van [partij B] een bedrag van € 1.235,07 bestaande uit de helft van het saldo van de gezamenlijke betaalrekening en de gezamenlijke spaarrekening van erflater en [partij B] op het moment van het overlijden van erflater. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Uit het voorgaande volgt dat [partij A] geen aanspraak kan maken op het saldo van de gezamenlijke rekeningen ten tijde van het overlijden van erflater.
Ten tweede vordert [partij A] van [partij B] een bedrag van € 500,-. Zij stelt dat [partij B] na het overlijden van erflater € 10.000,- heeft overgemaakt van zijn privérekening naar haar eigen privérekening. [partij B] heeft € 9.000,- terugbetaald van haar eigen privérekening en de overige € 1.000 terugbetaald van de gezamenlijke betaalrekening. Volgens [partij A] had [partij B] het bedrag van € 1.000,- niet van de gezamenlijke betaalrekening mogen betalen, omdat slechts de helft van dat saldo aan [partij B] toekwam. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. [partij B] is enige rechthebbende op het saldo van de gezamenlijke rekening en heeft het bedrag van € 1.000,- dus uit haar eigen vermogen betaald.
[partij A] vordert ten derde terugbetaling van een automatische incasso, op grond waarvan na het overlijden van erflater € 950,- van de privérekening van erflater naar de gezamenlijke betaalrekening is overgemaakt. De rechtbank zal deze vordering toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat [partij A] dit bedrag onverschuldigd heeft betaald. Omdat [partij B] als enige rechthebbende is op het saldo van de gezamenlijke rekening, geldt dat [partij A] het bedrag van € 950,- volledig aan [partij B] heeft betaald. [partij B] heeft aangevoerd dat [partij A] verplicht was bij te dragen in huishoudelijke kosten van [partij B] . De rechtbank gaat hier niet in mee. De samenlevingsovereenkomst is geëindigd door het overlijden van erflater. Er was na het overlijden van erflater daarom geen grondslag meer voor de bijdrage in de huishoudelijke kosten en dus voor de automatische incasso.
Tot slot vordert [partij A] € 21,28 aan kosten van de gezamenlijke betaalrekening die zij heeft betaald. De rechtbank zal deze vordering toewijzen. [partij A] heeft onweersproken gesteld dat zij € 51,51 aan kosten heeft betaald (waarvan zij in deze procedure dus maar een deel, te weten € 21,28, heeft gevorderd). [partij A] was echter geen rechthebbende op de gezamenlijke rekeningen, zodat het bedrag van € 51,51 door haar onverschuldigd aan de bank is betaald, terwijl deze kosten door [partij B] – als rechthebbende op het saldo van de gezamenlijke rekening – hadden moeten worden betaald. [partij B] moet deze kosten daarom aan [partij A] terugbetalen.
Vordering van [partij B] met betrekking tot de gezamenlijke rekeningen
[partij B] vordert van [partij A] een bedrag van € 1.423,55. [partij A] heeft dit bedrag van de gezamenlijke betaalrekening naar een eigen bankrekening overgemaakt om het veilig te stellen. Dit bedrag behoorde echter aan [partij B] toe. De rechtbank zal deze vordering daarom toewijzen.
Kosten van de huishouding
[partij A] vordert van [partij B] een bedrag van € 4.725,- aan kosten van de huishouding. [partij A] stelt dat [partij B] en erflater op grond van artikel 2 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst verplicht waren in gelijke mate bij te dragen aan de kosten van de huishouding. Volgens [partij A] heeft [partij B] minder bijgedragen dan erflater, omdat erflater maandelijks € 950,- overmaakte naar de gezamenlijke betaalrekening en [partij B] € 500,-. [partij B] betwist dat zij minder bijdroeg aan de huishouding dan erflater. Volgens [partij B] droeg zij ook bij door andere gezamenlijke kosten van haar privérekening te betalen. Daarnaast heeft erflater bij leven nooit aanspraak gemaakt bij [partij B] op enig extra bedrag, waar volgens [partij B] uit blijkt dat erflater ook meende dat [partij B] in gelijk mate bijdroeg aan het huishouden.
De rechtbank zal de vordering afwijzen. [partij B] heeft de stelling van [partij A] dat [partij B] onvoldoende bijdroeg aan de huishouding voldoende gemotiveerd betwist. In het licht van die gemotiveerde betwisting, heeft [partij A] haar stelling onvoldoende nader onderbouwd.
Belastingaanslag 2022
[partij A] vordert van [partij B] een bedrag van € 2.431,- aan betaalde belasting. [partij A] moest dit bedrag als erfgename van erflater betalen over het jaar 2022. [partij A] voert aan dat de belastingaanslag van erflater over het jaar 2022 veel hoger was dan de aanslag in 2023. [partij A] vermoedt daarom dat [partij B] en erflater in de gezamenlijke belastingaangifte voor het jaar 2022 een verdeling hebben gemaakt, waarbij [partij B] een hoger bedrag aan belasting zou terugkrijgen en erflater een hoger bedrag aan belasting zou moeten betalen.
De rechtbank zal de vordering afwijzen. Voor de betaling door [partij B] van het bedrag van de aan [partij A] opgelegde belastingaanslag over 2022 bestaat namelijk geen grondslag. [partij A] kan dit bedrag niet vorderen op grond van ongerechtvaardigde verrijking, omdat zij onvoldoende heeft gesteld dat [partij B] is verrijkt door de belastingaanslag van erflater. Enige andere grondslag heeft [partij A] aan haar vordering niet ten grondslag gelegd en is de rechtbank overigens ook niet gebleken.
De auto
[partij B] vordert van [partij A] een bedrag van € 13.650,- als vergoeding voor de overdracht van de auto aan [partij A] . Volgens [partij B] behoorde de auto voor de helft aan [partij B] en voor de helft aan erflater toe, zodat de auto bij het overlijden van erflater op grond van het verblijvensbeding bij [partij B] is verbleven. Vervolgens heeft [partij B] op grond van de overeenkomst van 7 oktober 2023 de auto overgedragen aan [partij A] . Volgens [partij B] moet [partij A] voor die overdracht de waarde van de auto op dat moment aan [partij B] vergoeden. [partij A] betwist dat [partij B] eigenaar is geworden van de auto. Volgens [partij A] was de auto eigendom van erflater, zodat [partij A] na zijn overlijden eigenaar is geworden. Dit blijkt uit het feit dat de auto op naam van erflater stond, dat erflater het grootste gedeelte van de auto heeft gefinancierd en dat erflater ook alle kosten van de auto droeg, aldus [partij A] .
De rechtbank oordeelt dat [partij B] haar stelling dat de auto voor de helft aan haar en voor de helft aan erflater toebehoorde, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van die stelling door [partij A] , onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op dit oordeel valt de auto niet onder het verblijvensbeding waar [partij B] zich op beroept en is [partij B] door het overlijden van erflater niet de eigenaar van de auto geworden. Naar het oordeel van de rechtbank was deze auto eigendom van erflater en is deze na het overlijden van erflater eigendom van [partij A] geworden. [partij A] hoeft dan ook niet aan [partij B] de dagwaarde van de auto per oktober 2023 te voldoen.
Wel is de rechtbank van oordeel dat [partij A] een vergoeding aan [partij B] verschuldigd is op grond van de overeenkomst die partijen op 7 oktober 2023 met elkaar hebben gesloten en op grond waarvan de auto destijds door [partij B] aan [partij A] is afgegeven. De overeenkomst vermeldt dat het aantoonbaar is dat [partij B] heeft meebetaald aan de auto en dat daarvoor nog een vergoeding zal moeten worden betaald. De rechtbank oordeelt daarom dat [partij A] op grond van deze overeenkomst een vergoeding aan [partij B] moet betalen die aansluit bij het bedrag waarvan [partij B] voldoende heeft aangetoond dat zij dit heeft meebetaald aan de aanschaf van de auto. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [partij B] in elk geval € 2.500,- heeft meebetaald voor de aanschaf van de auto, hetgeen ook ter zitting door [partij A] is erkend. [partij B] heeft daarom recht op een vergoeding van € 2.500,-.
Uitvaartkosten
[partij B] vordert een bedrag van € 2.615,06 aan uitvaartkosten. Zij stelt dat zij deze kosten heeft betaald, terwijl de uitvaartkosten voor rekening van [partij A] zouden moeten komen. [partij A] heeft toegelicht dat zij bereid is € 2.000,- bij te dragen. Volgens [partij A] was het echter niet de wens van erflater dat alcohol zou worden geschonken bij zijn uitvaart. Een deel van de kosten van de uitvaart zijn volgens [partij A] daarom geen kosten van de nalatenschap.
De rechtbank zal de vordering van [partij B] volledig toewijzen. Op grond van artikel 4:7 lid 1 sub b BW zijn kosten van lijkbezorging schulden van de nalatenschap, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Kosten voor de uitvaart van de overledene vallen daar in beginsel onder. De rechtbank is van oordeel dat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het schenken van alcohol in overeenstemming met de omstandigheden van erflater was. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank ook dat uit door [partij B] overgelegde Whatsapp-berichten blijkt dat [partij A] voorafgaand aan de uitvaart de gelegenheid is gegeven een beslissing te nemen over het schenken van alcohol bij de uitvaart van erflater en dat zij zich daartegen niet uitdrukkelijk heeft verzet, maar de keuze om alcohol te schenken aan [partij B] heeft gelaten. Gelet op het voorgaande dient [partij A] als (enig) erfgenaam van erflater dan ook de uitvaartkosten voor haar rekening te nemen.
Het 1%-aandeel in de woning en de hypothecaire lening
Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld met betrekking tot het 1%-aandeel van [partij A] – als erfopvolger van erflater – in de woning.
De rechtbank begrijpt de vorderingen van [partij A] en [partij B] zo dat zij vorderen dat de rechtbank de wijze van verdeling vaststelt op grond van artikel 3:185 BW.
Partijen zijn het erover eens dat de woning aan [partij B] moet worden toegedeeld, in die zin dat [partij A] haar 1%-aandeel in de woning aan [partij B] overdraagt, op kosten van [partij B] . [partij A] stelt aan het voorgaande de voorwaarde dat zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. [partij B] stelt hieraan op haar beurt weer de voorwaarde dat [partij A] vóór het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid de helft van de openstaande schuld van de hypothecaire lening en de helft van de door [partij B] betaalde rente vanaf de datum van overlijden tot januari 2026 vergoedt.
Voor de beoordeling van de vorderingen met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid moet de rechtbank beoordelen of [partij A] en [partij B] onderling in gelijke verhouding moeten bijdragen aan de aflossing van de hypothecaire lening. [partij A] stelt dat de lening is aangegaan ten behoeve van [partij B] en de woning (die grotendeels eigendom van [partij B] is), zodat [partij B] onderling als enige in de schuld moet bijdragen. Daartegenover stelt [partij B] dat de lening consumptief was en dat zij en erflater het geleende geld samen hebben uitgegeven, zodat [partij B] en erflater in gelijke mate moesten bijdragen. [partij A] moet daarom volgens [partij B] nu ook voor de helft bijdragen in de schuld.
De rechtbank is van oordeel dat [partij A] – als rechtsopvolger van erflater – en [partij B] in gelijke mate moeten bijdragen aan de aflossing van de hypothecaire lening. [partij B] en erflater hebben deze lening samen afgesloten, hebben zich beiden hoofdelijk verbonden tot voldoening van de gehele schuld en het geleende bedrag is door de bank gestort op de gezamenlijke betaalrekening, zodat [partij B] en erflater hier beiden van konden profiteren. Uit de bankafschriften die [partij A] heeft overgelegd, blijkt ook niet dat de lening alleen aan [partij B] en aan de woning ten goede is gekomen, zoals [partij A] heeft gesteld.
Vóórdat [partij A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen, zal zij daarom eerst de helft van de openstaande schuld aan [partij B] moeten vergoeden. [partij B] heeft onweersproken gesteld dat de openstaande schuld € 40.173,96 bedraagt. [partij A] zal daarom een bedrag van € 20.086,98 aan [partij B] moeten betalen.
[partij A] en [partij B] zijn ook hoofdelijk aansprakelijk voor de rente die moet worden betaald voor de hypothecaire lening. Als een van hen meer betaalt dan haar deel van de schuld, verkrijgt zij op grond van artikel 6:10, tweede lid, BW op de ander een vordering tot betaling van het deel dat zij meer heeft betaald. [partij B] heeft onweersproken gesteld dat zij sinds het overlijden van erflater tot januari 2026 € 1.708,- aan rente heeft betaald. De rechtbank vindt daarom dat [partij A] de helft daarvan (€ 854,-) aan [partij B] moet vergoeden.
De rechtbank zal bepalen dat de woning wordt toegedeeld aan [partij B] , in die zin dat partijen dienen mee te werken aan levering ten overstaan van een notaris van het 1%-aandeel van [partij A] in de woning aan [partij B] , op kosten van [partij B] . De rechtbank zal voorts bepalen dat [partij B] bij de levering van het 1%-aandeel in de woning zal zorgdragen voor ontslag van [partij A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. Uit de door [partij A] overgelegde stukken maakt de rechtbank op dat al duidelijk is dat [partij B] voor het ontslag van [partij A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan zorgdragen en dat Obvion (de hypotheekverstrekker) daar ook mee instemt. De rechtbank zal daarnaast bepalen dat [partij A] vóór de levering van het 1%-aandeel aan [partij B] en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid een bedrag van € 20.940,98 aan [partij B] dient te betalen (€ 20.086,98 + € 854,-).
Onduidelijk is of [partij B] met haar vorderingen ook heeft beoogd dat [partij A] haar hoe dan ook, dus ook in de situatie dat er geen levering van het 1%-aandeel en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid plaatsvindt, de helft van de hypothecaire geldlening moet vergoeden. Voor toewijzing van die vordering bestaat echter, zonder levering van het 1%-aandeel en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag.
De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding om, zoals [partij B] heeft gevorderd, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats te laten treden van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [partij A] , dan wel alle vereisten die nodig zijn voor de overdracht van het 1%-aandeel in de woning aan [partij B] . Gesteld noch gebleken is dat [partij A] niet aan de veroordeling in dit vonnis zal voldoen.
Conclusie vorderingen
De rechtbank zal [partij B] veroordelen tot afgifte van diverse zaken aan [partij A] en tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 971,28 (€ 950,- + € 21,28).
De rechtbank zal [partij A] veroordelen tot betaling aan [partij B] van een bedrag van € 6.538,61 (€ 1.423,55 + € 2.500,- + € 2.615,06). [partij A] zal daarnaast vóór levering van haar 1%-aandeel in de woning aan [partij B] en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid een bedrag van € 20.940,98 aan [partij B] moeten betalen.
De woning wordt vervolgens toegedeeld aan [partij B] , in die zin dat partijen dienen mee te werken aan levering van het 1%-aandeel van [partij A] in de woning aan [partij B] , op kosten van [partij B] . [partij B] dient zorg te dragen voor ontslag van [partij A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening.
Proceskosten
Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank:
in conventie
veroordeelt [partij B] binnen veertien dagen de volgende zaken aan [partij A] af te geven:
- een houten zelfgemaakte houder voor bekers (behorend bij de boot);
- een Marinetec polijst- en schuurmachine met twee accu’s en opzetstukken en doeken;
- drie bakjes met schroeven, ringetjes en moertjes;
- vier grondpennen en een vuisthamertje;
- de onderkant van het tafelblad binnen (behorend bij de boot);
- één vaaralmanak;
- een grote geel met zwarte gereedschapskist;
- twee schroevenbakken met vakken met schroeven en pluggen;
- de sieraden die staan afgebeeld op de foto’s die zijn overgelegd bij productie 40;
- de kluis;
- de horloges van erflater, met uitzondering van het horloge van Esprit;
- twee mappen met een muntenverzameling van de moeder;
- de zilveren bestekset;
- de kentekenplaat van de auto voor op de fietsendrager;
- de hele serie stripboeken van Michel Vaillant (zowel de delen die in de opslag liggen als de delen die zich in de woning bevinden);
- een blauw en rood speelgoedautootje;
- een zeefdruk van Corneille met lijst;
- een groot schilderij met wasco papegaai en gouden lijst;
- de leren portefeuille van erflater met foto’s en passen;
- het paspoort, de passen en overige documenten van erflater;
- de elektrische fiets (Batavus Finez E-Go Power EXCL N8);
- de telefoon met oplader van erflater;
- de schoudertas van erflater;
- de heuptas van erflater; en
- zes zakken met kleding van erflater, waaronder één shirt van Max Verstappen,
bepaalt dat [partij B] aan [partij A] een dwangsom moet betalen van € 25,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [partij B] niet volledig aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt,
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 971,28,
in reconventie
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] te betalen een bedrag van € 6.538,61,
in conventie en in reconventie
stelt de wijze van verdeling van de woning aan de Berberisstraat 20 te Den Haag als volgt vast:
de woning wordt toegedeeld aan [partij B] , onder de voorwaarde dat [partij A] bij de levering van haar aandeel in de woning aan [partij B] de helft van het uitstaande bedrag van de hypothecaire lening aan [partij B] betaalt en wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening,
[partij A] zal haar aandeel in de woning aan [partij B] zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand na de datum van dit vonnis, bij de notaris aan [partij B] leveren. [partij B] zal [partij A] bij de levering doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. [partij A] zal ten tijde van de levering van haar aandeel en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid een bedrag van € 20.940,98 betalen aan [partij B] . [partij B] moet de kosten betalen van de levering van het aandeel van [partij A] in de woning bij de notaris,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
3669