RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53034 en NL25.53036
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres
mede namens hun minderjarige kinderen:
[kind 1] , [kind 2] en [kind 3]
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
(gemachtigde: mr. H. van Halteren).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 29 oktober 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen omdat België daarvoor verantwoordelijk is.
Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum 1] 1989. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum 2] 1991. Beiden stellen de Moldavische nationaliteit te hebben. Zij hebben, tezamen met hun drie minderjarige kinderen, op 13 september 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eisers op 16 maart 2023, 18 april 2024, 25 oktober 2024 en 23 juli 2025 in België verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. Verweerder heeft daarom op 30 september 2025 de autoriteiten van België verzocht om eisers terug te nemen. Op 9 oktober 2025 hebben de Belgische autoriteiten dit verzoek aanvaard.
3. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van België wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers wijzen daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025. België kampt met een crisis ten aanzien van de opvang van asielzoekers. Ook ten aanzien van gezinnen met kinderen is sprake van een structureel probleem in de opvang. Dit noopt, mede gelet op de kwetsbare positie van de minderjarige kinderen van eisers, tot een meer kritische houding van verweerder ten aanzien van België. Er zijn redenen om te veronderstellen dat eisers na overdracht in een positie komen te verkeren in strijd met artikel 4 van het Handvest doordat zij geen aanspraak kunnen maken op opvang. Eisers verwijzen hierbij naar diverse citaten uit het AIDA Country Report van juni 2025 over België en artikelen van Brussels Times, Vluchtelingenwerk Vlaanderen en Human Rights Watch. Ter zitting hebben eisers verder verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Groningen en Amsterdam. Daarnaast hebben eisers ter zitting erop gewezen dat zij meermaals asiel hebben aangevraagd in België en dat zij ook daarom geen recht zullen hebben op opvang bij overdracht naar België. Ter onderbouwing hiervan hebben zij verwezen naar informatie uit het AIDA-rapport over het recht op opvang bij herhaalde asielaanvragen. Eisers voeren subsidiair aan dat verweerder bij de Belgische autoriteiten om individuele garanties had moeten vragen.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van 13 maart 2024 van de Afdeling en de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 2 april 2025.
5. De Afdeling heeft bij uitspraak van 13 maart 2024 geoordeeld dat ten aanzien van België uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij uitspraak van 23 juli 2025 is de Afdeling in zoverre teruggekomen van de uitspraak van 13 maart 2024 dat ten aanzien van België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak volgt dat de opvangsituatie in België - voor zover het niet-kwetsbare alleenstaande mannen betreft - in zoverre wezenlijk anders is dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, nu er niet langer sprake is van tijdelijke tekortkomingen, maar van tekortkomingen die als structureel moeten worden beschouwd. Verder volgt uit de uitspraak dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat is gebleken dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en uit de weigering van de Belgische autoriteiten om gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is in de bestreden besluiten sprake van een motiveringsgebrek ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daartoe is het volgende redengevend.
7. Eisers hebben in België reeds vier keer asiel aangevraagd. Bij overdracht naar België zullen zij dan ook aangemerkt worden als Dublinterugkeerders met een herhaalde asielaanvraag. Eisers hebben er terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport volgt dat Dublinterugkeerders die een opvolgende aanvraag indienen geen automatische toegang krijgen tot opvang. Uit dit rapport volgt dat deze groep Dublinterugkeerders vallen onder de algemene praktijk voor opvolgende aanvragers, die vrijwel systematisch uitgesloten zijn van opvang. Zij kunnen zich inschrijven op een wachtlijst, waarna ze na veelal enkele maanden worden toegelaten tot een opvanglocatie. Uit het rapport volgt dat dit ook geldt voor gezinnen met minderjarige kinderen. Gelet op de in het AIDA-rapport geschetste omstandigheden acht de rechtbank de kans dat eisers enige tijd van opvang verstoken blijven groot is. Verweerder is op deze situatie in het bestreden besluit niet nader ingegaan en heeft ook niet betrokken in hoeverre het verstoken zijn van opvang in het belang is van de minderjarige kinderen van eisers. Door verweerder is alleen opgemerkt dat eisers recht zullen hebben op medische en juridische hulp. Dit acht de rechtbank een onvoldoende motivering gelet op de omstandigheid dat er belangen van minderjarige kinderen mee zijn gemoeid.
8. Verweerder heeft daarnaast het standpunt ingenomen dat eisers kunnen klagen bij de Belgische autoriteiten wanneer men geen opvang heeft totdat men een besluit over de ontvankelijkheid van de asielaanvraag heeft ontvangen en dat men tegen een weigering om opvang te verlenen rechtsmiddelen kan aanwenden. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder hierbij hetgeen de Afdeling daarover heeft geoordeeld in de eerder aangehaalde uitspraak van 23 juli 2025. Uit rechtsoverweging 5.4.2. volgt naar het oordeel van de rechtbank namelijk dat alle asielzoekers in België, waaronder dus ook gezinnen met minderjarige kinderen zoals eisers, geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen. Er is dus sprake van het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel.
9. Gelet op het voorgaande bevatten de bestreden besluiten een motiveringsgebrek. De beroepen zijn daarom gegrond en de rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal verweerder opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers.
10. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De proceskosten stelt de rechtbank gelet daarop vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.