[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Bresser).
Inleiding
In het besluit van 11 maart 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop heeft verweerder aangegeven hiermee in te stemmen. Eiser heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1996 en heeft de Indiase nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 11 maart 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken moet verlaten. Omdat er geruime tijd onduidelijkheid bestond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van het beëindigen van de tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben.
4. Eiser is het niet eens met dit terugkeerbesluit van 11 maart 2024. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. De Afdeling heeft ten onrechte geoordeeld dat dit onderscheid naar doelgroepen kan worden gemaakt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 en van 10 juli 2025 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het besluit van 11 maart 2024 is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Op 26 mei 2023 heeft verweerder bevestigd aan eiser dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, waarbij eiser is gewezen op de consequenties hiervan. Het terugkeerbesluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar zijn land waarvan hij de nationaliteit heeft. Daarmee voldoet het terugkeerbesluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn.
6. Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het terugkeerbesluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen. Bovendien is de tijdelijke bescherming die eiser genoot van rechtswege geëindigd.
7. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
9. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het terugkeerbesluit van 11 maart 2024 blijft in stand.
10. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.