ECLI:NL:RBDHA:2026:2061

ECLI:NL:RBDHA:2026:2061

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer NL24.11021
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

derdelander Oekraïne - richtlijn tijdelijke bescherming – beroep tegen een vervangend terugkeerbesluit – terugkeer naar Turkmenistan – geen strijd met het gelijkheidsbeginsel – geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel – strijd met het beginsel van non-refoulement – arrest Ararat – beroep gegrond – vernietiging van het besluit.

Uitspraak

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Sleeman),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat zij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar haar land van herkomst.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.

Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 8 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.

Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen instemmend gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [datum] 1990 en heeft de Turkmeense nationaliteit.

2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.

3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiseres die nog een lopende procedure hebben. In het vervangend besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiseres binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.

4. Eiseres is het niet eens met het besluit van 8 juli 2025. Zij voert aan dat verweerder haar tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiseres is de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 buiten de omvang van het geding getreden. Ook voert eiseres aan dat die uitspraak berust op een onjuiste interpretatie. Verder handelt verweerder volgens eiseres in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Tot slot stelt eiseres dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord. Dat is strijdig met artikel 4:8 van de Awb.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiseres op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangend terugkeerbesluit rechtmatig is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiseres na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiseres op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat zij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat zij binnen vier weken moet terugkeren naar Turkmenistan. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).

7. Eiseres kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in haar stelling dat het vervangende besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Haar tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en zij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar haar land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.

8. Eiseres haar beroepsgrond dat zij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiseres op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiseres is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangend terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

9. De rechtbank ziet echter ambtshalve aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat. Uit het dossier blijkt dat eiseres de Turkmeense nationaliteit heeft en dat zij lange tijd in het buitenland heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat een ambtsbericht over Turkmenistan ontbreekt. Uit de informatie die ambtshalve bekend is bij de rechtbank, volgt dat in Turkmenistan een gesloten en repressief regime aan de macht is, dat haar onderdanen niet graag naar het buitenland ziet vertrekken. Het is in dat verband onvoldoende duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten reageren op de terugkeer van onderdanen die langere tijd zonder hun toestemming in het buitenland hebben verbleven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:649, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21318. Hieruit volgt dat in het geval van eiseres terugkeer naar Turkmenistan doet vermoeden dat afbreuk aan het beginsel van non-refoulement kan worden gedaan. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen. Verweerder heeft dit echter niet gedaan.

10. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep kennelijk gegrond moet worden verklaard. Het vervangend terugkeerbesluit van 8 juli 2025 wordt vernietigd.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.L. Weerkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?