ECLI:NL:RBDHA:2026:2066

ECLI:NL:RBDHA:2026:2066

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer NL25.20236
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Jemen, Sana'a, 15c-situatie, hogere gradatie, humanitaire omstandigheden, amv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.20236

(gemachtigde: mr. E. Maalsen),

en

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag en het beroep tegen het nadien genomen besluit tot afwijzing van die asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de stad Sana’a in Jemen, zijn land van herkomst. Eiser is het niet eens met dit besluit.

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser geen verdragsvluchteling is en niet aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze uitspraak gaat de rechtbank voor het eerst in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in de stad Sana’a een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is.

De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser ongelijk krijgt. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen individueel het risico loopt het slachtoffer te worden van geweld dat specifiek op hem is gericht. Wat betreft het risico om in Jemen het slachtoffer te worden van willekeurig geweld heeft de minister in het beleid, zoals vastgelegd in WBV 2025/20, terecht aangenomen dat zich in Sana’a in Jemen niet het hoogste niveau van willekeurig geweld voordoet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Sana’a het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en daarom moet worden vernietigd. Het besluit was gebaseerd op het eerdere landgebonden asielbeleid (WBV 2024/9) dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar heeft geacht. Pas na het aanvullen van de motivering in beroep heeft de minister het besluit deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2). Daarna bespreekt de rechtbank de uitkomst van het door eiser ingediende beroep wegens niet tijdig beslissen (3). Vervolgens gaat de rechtbank in op het alsnog genomen besluit op de asielaanvraag en volgt een weergave van het asielrelaas van eiser (4) en het standpunt van de minister (5). Daarna gaat de rechtbank in op de door eiser gestelde individuele vrees bij terugkeer in verband met de problemen van zijn moeder en de vrees van eiser voor rekrutering door de Houthi’s (6 en 7). Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 8 of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld: de rechtbank beantwoordt de vraag of de minister een volledige beoordeling heeft verricht, of de minister voor Sana’a in Jemen terecht niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser. Onder 9 beoordeelt de rechtbank of de minister eiser wegens zijn minderjarigheid een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid had moeten verlenen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (10).

Procesverloop

2. Eiser heeft, gelet op de loopbrief, op 3 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Eiser heeft op 1 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag. De minister heeft op 30 juni 2025 de asielaanvraag alsnog als ongegrond afgewezen.

De rechtbank heeft de minister op 7 oktober 2025 verzocht om te reageren op een de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 over het landenbeleid over Jemen. De minister heeft met het verweerschrift van 16 oktober 2025 een reactie toegezonden. Hierop heeft eiser op 2 december 2025 gereageerd. Op 2 december 2025 heeft de minister een aanvullend verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep niet tijdig

3. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat de minister in beroep alsnog op de asielaanvraag van eiser heeft beslist. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag is daarom niet-ontvankelijk. Wel heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten, omdat de minister niet tijdig heeft beslist en het indienen van het beroep daarom terecht was. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dit beroep ook gericht tegen het besluit van 30 juni 2025. De rechtbank zal dit besluit hierna, in het licht van de daartegen door eiser aangevoerde gronden, toetsen.

Het asielrelaas

4. Eiser, geboren op [geboortedatum] 2007, komt uit de stad Sana’a in Jemen. In 2016, toen eiser negen jaar was, vertrok zijn vader naar Qatar voor werk. Eiser is samen met zijn moeder en zussen in Jemen bij zijn opa gaan wonen, omdat het in Jemen niet gebruikelijk is dat vrouwen zonder volwassen man in een huis wonen. In april 2016 heeft zijn moeder zich tijdens een feestje, in het bijzijn van vrouwen van Houthi’s, negatief uitgelaten over de Houthi’s. Eiser vermoedt dat die vrouwen die opmerkingen aan zijn oom, die lid is van de Houthi’s, hebben doorgegeven. Een neef heeft later verteld dat Houthi’s het ouderlijk huis van eiser hebben bezocht, op zoek naar zijn moeder. Als gevolg hiervan is eiser, samen met zijn familie, na een kort verblijf op een andere locatie in Jemen, naar Qatar vertrokken.

Het bestreden besluit

5. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, evenals de problemen van zijn moeder met de Houthi’s. Deze problemen zijn echter onvoldoende zwaarwegend om eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Jemen het risico loopt gerekruteerd te worden door de Houthi’s. Wat betreft het risico voor willekeurig geweld heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat voor Jemen, en dus ook voor de stad Sana’a, sprake is van een relatief hoog niveau van willekeurig geweld en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij, gelet op zijn specifieke omstandigheden, een reëel risico loopt slachtoffer te worden van dat geweld.

Individuele asielrelaas

Vluchtelingschap

6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij, gelet op de problemen van zijn moeder met de Houthi’s en zijn vrees voor rekrutering door de Houthi’s, geen verdragsvluchteling is.

De beroepsgrond slaagt niet. In het bestreden besluit stelt de minister dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen raakvlakken hebben met vluchtelingschap. Dit standpunt, dat eiser overigens niet inhoudelijk heeft betwist, volgt de rechtbank, omdat de gevreesde situatie geen verband houdt met een van de in artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden.

Risico op ernstige schade wegens problemen moeder en vrees voor rekrutering

7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door zijn moeder ondervonden problemen met de Houthi’s niet meebrengen dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister betwist niet dat de Houthi’s het ouderlijk huis hebben bezocht en dat zijn moeder dus problemen heeft gehad. De minister mag niet tegenwerpen dat eiser en zijn familie, na het huisbezoek van de Houthi’s, in de vier maanden daarna geen problemen hebben gehad: eiser en zijn familie verbleven op een voor de Houthi’s onbekende plek en ze hadden geen geld om Jemen eerder te verlaten. Eiser betoogt verder dat zijn oom de situatie met de Houthi’s nog niet is vergeten. Eiser heeft ook gewezen op informatie in het algemeen ambtsbericht over Jemen (ambtsbericht) van april 2025 over de problemen van familieleden van critici. Eiser betoogt dat de minister voor wat betreft de vrees voor rekrutering door Houthi’s een te zware bewijslast op hem legt door te stellen dat hij persoonlijke en individuele verklaringen dient af te leggen om zijn vrees aannemelijk te maken. Hij is immers al lang weg uit Jemen. Bovendien is de vrees voor rekrutering niet ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond dat de minister de vrees voor rekrutering ten onrechte niet als asielmotief heeft aangemerkt en de minister niet expliciet is ingegaan op eisers referentiekader, heeft eiser, na de toelichting van de minister op zitting dat hij de problemen van eiser, en dus ook de vrees voor rekrutering op zichzelf geloofwaardig acht, ingetrokken.

De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de problemen van zijn moeder met de Houthi’s bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. Hierbij heeft de minister terecht betrokken dat het eiser volgens zijn verklaringen niet bekend is waarom de Houthi’s bij het ouderlijk huis zijn langsgekomen. Dat de minister eisers verklaringen als zodanig niet ongeloofwaardig heeft bevonden neemt niet weg dat de reden van het bezoek van de Houthi’s een belangrijke omstandigheid is voor de beoordeling van het risico bij terugkeer. De minister heeft de onduidelijkheid daarover ten nadele van eiser mogen meewegen. Daarnaast heeft de minister terecht overwogen dat eiser en zijn familie, na het huisbezoek van de Houthi’s, nog vier maanden zonder verdere problemen in Jemen hebben verbleven. Dat hun verblijfplaats elders in Jemen was en de Houthi’s hiervan niet op de hoogte waren neemt niet weg, zoals de minister terecht stelt, dat eiser ook geen informatie heeft ontvangen van derden dat de Houthi’s naar hem op zoek zouden zijn. Eiser heeft verklaard dat hij hierover niets heeft vernomen van zijn grootouders, die nog in Jemen wonen. Ook is eiser niet ingegaan op het standpunt van de minister dat eiser volgens zijn verklaringen niet weet of zijn moeder nog bedreigd is. Dat eisers familie de financiering voor de reis naar Qatar nog niet rond had doet, evenals dat wat is aangevoerd over de oom, niet af aan het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat de Houthi’s na het huisbezoek nog belangstelling voor eiser of zijn familie hadden. De verwijzing door eiser naar de mogelijkheid dat familieleden van critici problemen kunnen ondervinden, zoals vermeld in het ambtsbericht van april 2025, betekent niet dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij is ook van belang dat de in de zienswijze aangehaalde passages, ook gezien de vermelde bronnen, betrekking hebben op journalisten, activisten en bloggers, en niet op personen zoals de moeder van eiser, die slechts eenmaal op een feestje kritiek heeft geuit op de Houthi’s. De beroepsgrond slaagt niet.

Wat betreft de vrees van eiser voor rekrutering door de Houthi’s stelt de rechtbank vast dat uit het ambtsbericht van april 2025 volgt dat zich sinds de vorige verslagperiode geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan ten aanzien van de wetgeving omtrent rekrutering door de Houthi-strijdkrachten. Ook de praktijk van rekrutering is in grote lijnen dezelfde gebleven. In het eerdere ambtsbericht van augustus 2022 staat dat de Houthi-beweging verschillende manieren gebruikt om in eigen gebied strijders te rekruteren. Dat gebeurt voornamelijk op lokaal niveau, waar Houthi-vertegenwoordigers hun activiteiten grotendeels richten op mannen in de leeftijd van 18 tot 22 jaar. Ook rekruteerden de Houthi-rebellen op grote schaal minderjarige jongens. De meeste rekruten waren analfabeet, en afkomstig uit de armste lagen van de bevolking. Ook kwamen berichten naar buiten dat de Houthi’s bij controleposten tussen Houthi- en regeringsgebied jonge mannen onder dwang rekruteerden. Daarnaast verschenen berichten dat zij gevangenen vrijlieten onder voorwaarde dat zij zich bij de Houthi-rebellen aansloten.

De rechtbank stelt vast dat uit deze informatie niet volgt dat alle jonge mannen in Jemen het risico lopen slachtoffer te worden van gedwongen rekrutering door de Houthi’s. De rekruteringspraktijken waren volgens deze informatie voornamelijk gericht op personen die analfabeet zijn en afkomstig uit de armste lagen van de bevolking. Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat alle jonge mannen bij terugkeer naar Jemen als groep een reëel risico op ernstige schade lopen. Dat betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat hij om individuele redenen dat risico loopt. Hierin is eiser niet geslaagd. Hoewel eiser in de genoemde leeftijdscategorie valt, heeft hij, zoals de minister terecht stelt, niet aangegeven waarom hij specifiek dat risico loopt. Eiser heeft, buiten zijn betoog dat de minister hem een te hoge bewijslast oplegt, in beroep niet toegelicht waarom hij het door hem gestelde risico daadwerkelijk loopt. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser geen analfabeet is, aangezien hij tot zijn zestiende onderwijs heeft genoten. Ook is hij niet afkomstig uit de armste lagen van de bevolking, nu zijn vader als taxateur in Qatar werkzaam was. De beroepsgrond slaagt niet.

Willekeurig geweld

8. Eiser betoogt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom voor Jemen, specifiek de stad Sana’a, een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld geldt. Eiser verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 over Jemen. Ook wijst hij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. Deze uitspraak maakt volgens eiser duidelijk dat de minister moet motiveren waarom in een individueel geval geen sprake is van een risico op willekeurig geweld.

Rechtspraak Hof van Justitie en Afdeling en beleid minister

In het arrest X en Y van 9 november 2023 heeft het Hof van Justitie uitgelegd dat het begrip schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn betrekking heeft op een algemener risico op ernstige schade dan de risico’s onder a en b van dat artikel. Het gaat volgens het Hof van Justitie in onderdeel c in ruimere zin over een bedreiging van het leven of de persoon van een burger, en niet zozeer over persoonsgerichte gewelddadigheden. In onderdeel c gaat het over de situatie waarin een gewapend conflict willekeurig geweld meebrengt, waarin de mate van geweld dermate hoog is dat kan worden aangenomen dat iemand die terugkeert, alleen al door zijn aanwezigheid in een land of gebied, een reëel risico op ernstige schade zou lopen ongeacht zijn identiteit en persoonlijke situatie. Het Hof van Justitie gaat in het arrest ook in op andere situaties waarin het geweldsniveau minder hoog is en waarbij elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een betrokkene wel relevant zijn. Het gaat dan om een ‘minder uitzonderlijke situatie’, waarbij niet alleen gekeken moet worden naar de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een betrokkene. Hoe meer een betrokkene aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico met zich brengen, hoe minder een situatie van willekeurig geweld nodig is om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.

Als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, is de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verschillende gradaties gaan aannemen van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn:

1. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;

2. relatief hoger niveau van willekeurig geweld;

3. relatief lager niveau van willekeurig geweld.

In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.

De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht.

In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet.

Besluit van 30 juni 2025

De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 30 juni 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 (zie onder 8.1.3) kan dat besluit geen stand houden. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 30 juni 2025. In beroep heeft de minister in zijn verweerschriften van 16 oktober 2025 en 2 december 2025 uiteengezet dat toepassing van het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid in WBV 2025/20, voor wat betreft de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Sana’a een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, geen andere uitkomst heeft. De rechtbank ziet daarom aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand moeten worden gelaten.

Aanvullende motivering in verweerschriften en beroepsgrond eiser

De minister heeft zich in de verweerschriften op het standpunt gesteld dat het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid niet leidt tot een andere uitkomst. Net als in het eerdere beleid wordt onder het gewijzigde beleid ten aanzien van Sana’a aangenomen dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

Eiser betoogt in reactie hierop dat de minister niet deugdelijk motiveert waarom hij voor Sana’a niet een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld aanneemt. De conclusie om deze hoogste gradatie niet aan te nemen heeft de minister vooral gebaseerd op aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking. Daarmee heeft de minister geen uitvoering gegeven aan de opdracht in de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Verder blijkt uit de landeninformatie dat de veiligheidssituatie of de humanitaire crisis niet is verbeterd. Integendeel, de leefomstandigheden zijn verslechterd door de crisis in de Rode Zee. Verder bleven de strijdende partijen oorlogsmethoden gebruiken die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijkten. De veiligheidssituatie wordt als fragiel beschreven, en de burgerbevolking loopt nog steeds het risico slachtoffer te worden van deze oorlogsmethoden. Het VN-panel van experts wees in oktober 2024 landmijnen, explosieve oorlogsresten en willekeurige aanvallen op burgerdoelen aan als de belangrijkste oorzaken van burgerslachtoffers. Daarnaast pleegden de Houthi’s aanvallen op burgerdoelen. Eiser wijst tot slot op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij primair aanvoert dat de minister, ondanks de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Jemen, en meer in het bijzonder in Sana’a, nog steeds niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken. Subsidiair voert eiser aan dat de in het beleid opgenomen conclusie dat in Sana’a geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, onjuist is. De rechtbank zal hierna op beide punten ingaan.

Is de beoordeling van de veiligheidssituatie volledig?

Bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, weegt de minister volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) in ieder geval de volgende elementen in samenhang:

• de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

• de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

• de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

• de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;

• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;

• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:

(1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;

(2) de recente confrontaties;

(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en

(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of in het beleid van WBV 2025/20 alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000 en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling zijn betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister gewezen op één van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit de in de brief genoemde ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld de hiervoor onder 8.4 genoemde elementen heeft betrokken. Verder is in de brief per provincie vermeld welke gradatie van willekeurig geweld is aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van geplaatste mijnen en Explosive

Remnants of War (ERW), de recente confrontaties in de Rode Zee en de aantallen ontheemden. Verder is in de brief en de daaraan ten grondslag liggende bijlagen uitgebreid ingegaan op de humanitaire situatie in Jemen, waarbij ook de humanitaire omstandigheden zijn betrokken die het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van de strijdende partijen. Ook in de twee verweerschriften is de minister op deze humanitaire omstandigheden ingegaan. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Eiser licht ook niet nader toe op welke punten de beoordeling tekortschiet. Uit de beoordeling van de minister van de veiligheidssituatie in Jemen blijkt in ieder geval niet dat enkel de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking zijn betrokken, hoewel dat, zoals het Hof van Justitie ook heeft overwogen in het arrest CF en DN van 10 juni 2021, een uiterst relevant criterium is. De minister hoefde de relevante omstandigheden ook niet uitvoeriger in zijn beoordeling te betrekken. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

Is sprake van de meest uitzonderlijke situatie?

De rechtbank stelt vast dat eiser zich niet heeft beroepen op andere (of recentere) landeninformatie dan de minister. Daarom zal de rechtbank aan de hand van de informatie in de laatste twee ambtsberichten over Jemen, hoofdzakelijk het laatste ambtsbericht van april 2025, beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat zich in de stad Sana’a niet de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank zal daartoe onder 8.5.1. tot en met 8.5.4 een beschrijving geven van de situatie in Jemen, specifiek de stad Sana’a en daarna onder 8.5.5 beoordelen of de minister op grond van deze informatie terecht tot het oordeel is gekomen dat zich in de stad Sana’a niet de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet.

Uit het ambtsbericht van september 2023 volgt dat op 2 april 2022 een door de Verenigde Naties tot stand gebracht bestand van kracht geworden. Vanaf 2 oktober 2022, geldt een de-facto bestand. Deze bestanden hebben tijdens de rapportageperiode van dat ambtsbericht geleid tot een meer stabiele militaire situatie zonder grootschalige front-overschrijdende escalatie, al deden zich incidenteel en op gezette tijden wel gevechtshandelingen voor. Ook voerde de door Saoedi-Arabië geleide coalitie, die de internationaal erkende regering steunt, tijdens deze bestanden geen bombardementen meer uit en onthielden de Houthi-rebellen en Saoedi-Arabië zich van grensoverschrijdende aanvallen. Hierdoor ontstond de langste periode van relatieve rust sinds de start van het militaire conflict. Ook was er door het bestand en het daaropvolgende de-facto bestand een sterke daling van het aantal burgerslachtoffers als gevolg van directe beschietingen en bombardementen. Hoewel het aantal burgerdoden in 2022 (770) nagenoeg gelijk bleef aan 2021 (769) was dat hoofdzakelijk het gevolg van beschietingen door de Saoedische grenstroepen in het eerste kwartaal van 2023 op migranten in de provincie Sa’da. In het tweede kwartaal van 2023 daalde het aantal burgerslachtoffers tot 418 (van wie 136 dodelijke slachtoffers), het laagste aantal burgerslachtoffers dat het Civilian Impact Monitoring Project per kwartaal registreerde sinds 2018. Verder was sprake van beperkte militaire activiteiten langs de frontlinies, in het bijzonder in Marib, Taiz, Al Dhale, Al Hudayda, Lahj en langs de grens met Saoedi-Arabië, waarbij ook burgerslachtoffers vielen. Wel vielen volgens het ambtsbericht in 2022 meer burgerslachtoffers door ERW en landmijnen als gevolg van toenemende bewegingen van burgers. Deze burgerslachtoffers vielen hoofdzakelijk in de provincie Al Hudayda. In het tweede kwartaal van 2023 is het aantal ERW-burgerslachtoffers gedaald, als gevolg van bewustmakingscampagnes, ruimingswerkzaamheden en stabielere frontlinies die resulteerden in minder verplaatsingen van personen.

Het ambtsbericht van september 2023 rapporteert ook over de escalatie van de economische strijd tussen de Houthi-rebellen en de Jemenitische regering.

Verder staat in het ambtsbericht dat de humanitaire situatie gedurende de eerste maanden van het bestand niet betekenisvol is verbeterd of zelfs is verslechterd. Stijgende voedsel- en brandstofprijzen, droogte en overstromingen waren hiervan de belangrijkste oorzaken. Hoewel in het najaar een voorzichtige afname zichtbaar was van het aantal mensen dat acute voedseltekorten kende, zijn de cijfers ten aanzien van de algemene humanitaire situatie in Jemen in 2022 nog steeds uiterst zorgelijk. Die situatie is in de eerste maanden van 2023 niet wezenlijk verbeterd. Diverse organisaties typeerden de situatie in Jemen als de grootste humanitaire crisis in de wereld. In door Houthi-rebellen gecontroleerd gebied, waaronder dus Sana’a, was toegang tot humanitaire hulp beperkt en in sommige gevallen non-existent. De toegang tot humanitaire hulp, in het bijzonder tot gezondheidszorg, werd belemmerd als gevolg van restricties op het reizen van vrouwelijke hulpverleners. Daarnaast was de budgettaire krimp bij hulpverlenende organisaties een aanvullende complicerende factor. Hetzelfde gold voor de verslechterende economische situatie waardoor de koopkracht van mensen daalde. Wel konden als gevolg van de afspraken in het bestand meer schepen met brandstof in de havens van Jemen aanmeren. Als gevolg van die toevoer van olie en olieproducten is de water- en elektriciteitsvoorziening in onder andere Sana’a verbeterd.

Wat betreft de ontheemdensituatie staat in het ambtsbericht dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie, ondanks een aanzienlijke daling in de nieuwe conflict-gerelateerde ontheemding als gevolg van het bestand, klimaatgerelateerde gebeurtenissen in 2022 hebben geleid tot een stijging van 93 procent in nieuwe en indirecte ontheemding, vooral in de provincies Al Hudayda, Al Jawf, Marib en Taiz. Hierdoor werden meer dan een half miljoen mensen getroffen.

In het ambtsbericht van april 2025 staat over Jemen dat het bestand en het de-facto bestand niet op grote schaal is geschonden. De beperking van vijandelijkheden duurde in grote lijnen voort en er deden zich geen noemenswaardige wijzigingen van de frontlijnen voor. Anderzijds vonden er nog steeds vijandelijkheden plaats langs de bestandslijnen, en was hierin aan het einde van de verslagperiode zelfs een opleving zichtbaar. Ook bleven op grote schaal schendingen van de rechten van burgers plaatsvinden, maar werden daarbij minder slachtoffers gerapporteerd dan voorgaande jaren. Hoewel een grootschalige front-overschrijdende escalatie in Jemen uitbleef, deden zich in de verslagperiode op gezette tijden gevechtshandelingen voor rond de bestandslijnen. De Houthi’s concentreerden zich op aanvallen in de Rode Zee, wat leidde tot een daling van de vijandelijkheden elders in Jemen. In september 2024 wees VN-gezant Grundberg op verdergaande botsingen en escalerende retoriek tussen de strijdende partijen, en sprak hij de vrees uit voor een terugkeer naar een grootschalige oorlog. Als reactie op de Houthi-aanvallen in de Rode Zee voerden internationale actoren luchtaanvallen uit op verschillende doelen in Houthi-gecontroleerde gebieden in Jemen, waaronder op militaire doelen maar ook op civiele infrastructuur. Deze begonnen in januari 2024 en hielden daarna aan. Met de ingang van het staakt-het-vuren in Gaza in januari 2025 stopten deze aanvallen tijdelijk. Half maart 2025 hervatten de Verenigde Staten hun luchtaanvallen op doelen in Houthi-gebied.

Ondanks de periodiek oplaaiende strijd tussen de verschillende partijen, leveren gegevens van Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED) het beeld op dat de vijandelijkheden in Jemen sinds het bestand van 2022 en de de-facto voortzetting daarvan afnamen en daarna op een lagere intensiteit bleven. ACLED registreerde sinds 2022 jaarlijks steeds minder gewelddadige incidenten in Jemen, waarbij steeds minder doden vielen. Uit de gegevens kan worden opgemaakt dat door ACLED geregistreerde incidenten gecodeerd als ‘gevechten’ en ‘explosies en geweld op afstand’ en de doden die daarbij vielen, sinds 2022 gestaag daalden. Tegenover de daling van de vijandelijkheden aan de bestandslijnen stond echter, net als tijdens de vorige verslagperiode, een stijging van het aantal incidenten van geweld tegen burgers (hoewel aantallen geregistreerde dodelijke slachtoffers daarbij niet stegen). De twee grote veroorzakers hiervan zijn landmijnen en ERW, en willekeurige aanvallen op burgerdoelen. Aanvallen op burgerdoelen werden vooral toegeschreven aan de Houthi’s. Taiz, Al Dhale, Marib, Al Hudayda en Al Bayda waren de zwaarst getroffen provincies. Zowel het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten als het Civilian Impact Monitoring Project (CIMP) registreerde desondanks in 2023 de laagste aantallen burgerslachtoffers in Jemen sinds jaren. Cijfers van het CIMP laten zien dat in 2023 en 2024 in totaal de meeste slachtoffers werden geregistreerd als gevolg van geweervuur (small arms fire), exploderende mijnen en ERW en beschietingen met projectielen (als granaten en mortieren). Het grootste deel van de granaat- en mortierbeschietingen vond plaats in de provincie Sa’da, aan de grens met Saoedi-Arabië. De relatieve luwte in de vijandelijkheden aan de frontlijnen leidde daarnaast tot meer bewegingen van burgers, die op hun beurt leidden tot meer incidenten met exploderende mijnen en ERW. Burgerslachtoffers als gevolg van ERW vielen met name aan de westkust van Jemen.

Volgens het ambtsbericht zijn de leefomstandigheden in Jemen verder verslechterd. De crisis in de Rode Zee leidde tot een sterke afname van het scheepvaartverkeer en daardoor tot prijsstijgingen van basisgoederen in het hele land. De tijdelijke economische verbetering na het bestand van 2022 was in 2023 alweer verdwenen; in 2024 daalde het bruto binnenlands product per hoofd scherp en sinds 2015 is dit met 54% afgenomen. In drie districten (twee in Al Hudayda en een in Taiz) heerste hongersnood en grote delen van het land kampten met ernstige voedselonzekerheid. In 2024 waren meer dan 18 miljoen Jemenieten afhankelijk van humanitaire hulp, terwijl de beschikbare financiering daarvoor afnam. Tegelijkertijd bleven strijdende partijen, met name de Houthi-beweging, de toegang tot humanitaire hulp en basisvoorzieningen belemmeren. De ngo Assessment Capacities Project (ACAPS) constateerde tussen 2023 en 2024 wel een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp: in 2024 gaf ACAPS Jemen het cijfer 4 (‘zeer hoge toegangsbeperkingen’), in 2023 was het nog een 5 geweest (‘extreme toegangsbeperkingen’). In de zomer van 2024 werd Jemen getroffen door zware regenval, overstromingen en aardverschuivingen, vooral in door de Houthi’s gecontroleerde gebieden, waaronder Sana’a.

Wat betreft de situatie van ontheemden staat in het ambtsbericht van april 2025 dat in 2024 circa 4,5 miljoen ontheemden in Jemen verbleven, een aantal dat grotendeels gelijk bleef aan de vorige verslagperiode. In 2024 raakten minder mensen ontheemd dan in 2022 en 2023, maar het aandeel ontheemding als direct gevolg van het gewapende conflict nam toe. De meeste nieuwe ontheemding vond plaats in de provincies Marib, Al Hudayda, Taiz en Lahj. Het aantal ontheemden dat terugkeerde naar de oorspronkelijke woonplaats daalde sterk. De meeste ontheemden verbleven in de provincies Marib, Taiz en Al Hudayda.

In het ambtsbericht van april 2025 staat over Sana’a dat de population taskforce van de VN het inwoneraantal op circa 3.850.000 schatte. Het ambtsbericht vermeldt verder dat de frontlinies sinds 2014 ver van de stad verwijderd zijn gebleven. In het eerste kwartaal van 2024 kreeg de stad met luchtaanvallen van de internationale coalitie te maken. In juli en december 2024 raakten ook Israëlische luchtaanvallen doelen in Sana’a. In de aantallen (vanaf september 2023) door ACLED geregistreerde geweldsincidenten is een stijging te zien. In 2023 en 2024 bleven de door ACLED in Sana’a geregistreerde aantallen gevechten minimaal. De geregistreerde incidenten van ‘explosies en geweld op afstand’ in 2024 betroffen zonder uitzondering luchtaanvallen van de internationale coalitie of Israël. Schendingen van de rechten van burgers bleven in de stad Sana’a aanhouden. Van de 295 verdwijningen die de ngo Mwatana in die periode registreerde, vonden er 35 plaats in de stad Sana’a. Mwatana schreef alle 35 toe aan de Houthi-beweging. Dit beeld werd bevestigd door een andere mensenrechtenorganisatie, de Abductees’ Mothers Association (AMA), die concludeerde dat het merendeel van de gevallen van ontvoering en buitengerechtelijke arrestatie van burgers waren toe te schrijven aan de Houthi’s. Veel daarvan vonden plaats in Sana’a.

Uit het verweerschrift van 2 december 2025 blijkt dat de minister navraag heeft gedaan of de situatie in de stad Sana’a recent is gewijzigd. De minister heeft erop gewezen dat uit cijfers van ACLED is gebleken dat in Sana’a tussen maart 2025 en oktober 2025 sprake is geweest van 13 incidenten, waarvan 12 incidenten drone strikes betroffen en 1 incident een actie van het regeringsleger gericht op burgers. Hierbij zijn, voor zover bekend bij de minister, geen dodelijke slachtoffers gevallen.

De rechtbank leidt uit deze informatie, specifiek het ambtsbericht van april 2025, af dat hoewel gevechtshandelingen zich nog steeds voordoen, het aantal gevechten sinds het (de-facto) bestand sterk is afgenomen. De meeste gevechtshandelingen vinden plaats langs de bestandslijnen en die liggen ver verwijderd van Sana’a. Hoewel de strijdende partijen oorlogsmethoden hanteren die leiden tot burgerslachtoffers, is het aantal burgerslachtoffers aanzienlijk afgenomen sinds de bestanden. Uit het ambtsbericht van 2025 blijkt dat die aantallen verder zijn gedaald. De havens van Sana’a zijn in 2024 het doelwit geweest van luchtaanvallen van de internationale coalitie of van Israël, maar dat was specifiek gericht op ‘Houthi-targets’, zodat dit geweld niet kan worden aangemerkt als willekeurig. Het ambtsbericht beschrijft verder dat schendingen van de rechten van burgers in de stad Sana’a bleven aanhouden. De aard van het geweld – willekeurig of gericht – blijkt hieruit echter niet. Het aantal burgerdoden in de stad Sana’a lijkt, ook gelet op de door de minister in het verweerschrift van 2 december 2025 vermelde cijfers van ACLED, beperkt, wat gelet op het arrest CF en DN voor de beoordeling van het willekeurig geweld zeer relevant is.

Verder blijkt uit het ambtsbericht dat, hoewel het percentage ontheemding als direct gevolg van het conflict in 2024 is toegenomen, minder mensen ontheemd raakten dan in 2022 en 2023. De rechtbank leidt uit het ambtsbericht wel af dat de humanitaire situatie verder is verslechterd, onder andere door de crisis in de Rode Zee, en dat zich in sommige delen van Jemen (buiten Sana’a) hongersnood voordoet. Hoewel dit zorgelijk is, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit, nog daargelaten of deze humanitaire omstandigheden voldoende verband houden met willekeurig geweld, niet meebrengt dat voor de stad Sana’a een hogere gradatie van het willekeurig geweld moet worden aangenomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in overweging 35 van de preambule van de Kwalificatierichtlijn, waarin wordt aangegeven dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Verder merkt de rechtbank op dat Sana’a in het algemeen ambtsbericht niet wordt genoemd als een van de gebieden/provincies die het zwaarst wordt getroffen door voedselonzekerheid. Tot slot wijst de rechtbank erop dat de slechte humanitaire situatie niet uitsluitend het gevolg is van het gewapend conflict, maar ook van grootschalige verwoestingen door hevige regenval, die overstromingen en aardverschuivingen heeft veroorzaakt.

Uit het voorgaande volgt dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in de stad Sana’a niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld (‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’), als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De rechtbank acht het daarom niet onjuist dat de minister voor Sana’a een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld

Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat juist hij een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarop is eiser in beroep niet ingegaan. Voor zover eiser beoogd heeft te verwijzen naar het risico voortvloeiend uit de problemen van zijn moeder of de vrees voor rekrutering overweegt de rechtbank dat deze omstandigheden betrekking hebben op het risico om het slachtoffer te worden van gericht geweld, zodat dit niet tot een ander oordeel kan leiden. De beroepsgrond slaagt niet.

Buitenschuld

9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid als alleenstaande minderjarige vreemdeling. De minister motiveert onvoldoende waarom hij kan rekenen op de zorg van een ouder en geeft enkel aan dat van de ouders van eiser verwacht mag worden dat zij de verantwoordelijkheid van de adequate opvang voor eiser dragen. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de situatie van zijn zussen in Jemen.

De rechtbank stelt vast dat uit eisers eigen verklaringen blijkt dat hij nog in contact staat met zijn ouders. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de zorgplicht van ouders voor hun minderjarige kinderen inhoudt dat zij ervoor dienen te zorgen dat er op enige wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is. De minister heeft terecht gewezen op deze zorgplicht. De omstandigheid dat eisers ouders niet in Jemen wonen, doet aan die zorgplicht niet af. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht, dat zijn ouders, dan wel een van hen, voor zodanige opvang kunnen zorgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op de asielaanvraag heeft beslist. Hoewel eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Het beroep is namelijk terecht ingediend. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt). De rechtbank hanteert voor het indienen van het beroep wegingsfactor 0,5.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 30 juni 2025 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser ook hiervoor een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van gronden tegen het alsnog genomen besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 11 december 2025, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).

De vergoeding bedraagt in totaal dus € 2.335.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 30 juni 2025, gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 juni 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en

mr. R. Ortlep, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M. Emaus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?