ECLI:NL:RBDHA:2026:2078

ECLI:NL:RBDHA:2026:2078

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer AWB 24/13170
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Regulier, mvv, Marokko, inburgeringsvereiste, onderscheid nationaliteit, strijd met Gezinsherenigingsrichtlijn en EVRM, beroep gegrond.

Uitspraak

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Karkache),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van verweerder om aan eiseres als familielid van [echtgenoot] een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen. Eiseres is het niet eens met die weigering en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van verweerder niet in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond en verloop van de procedure

2. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1974 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. [echtgenoot] is haar echtgenoot en woont in Nederland. Omdat eiseres bij haar echtgenoot in Nederland wil wonen, heeft zij verweerder om een mvv gevraagd. Dit is een inreisvisum dat nodig is om na aankomst in Nederland een verblijfsvergunning te kunnen krijgen.

3. In het besluit van 10 oktober 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan het zogeheten inburgeringsvereiste. Eiseres kan daarvan volgens verweerder ook niet worden vrijgesteld. Eiseres heeft eerst bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag. Met het besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder op het bezwaar van eiseres beslist: verweerder is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Dit besluit moet in beroep worden beoordeeld door de rechtbank en zal verder worden aangeduid als het bestreden besluit.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het inburgeringsvereiste in strijd is met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, artikel 14 van het EVRM en artikel 21 van het Handvest van de Europese Unie, omdat het vereiste discrimineert op grond van ras en afkomst. De regeling maakt namelijk onderscheid tussen landen zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Daarnaast stelt eiseres dat zij zich genoeg heeft ingespannen om het inburgeringsexamen te halen. Verweerder had in haar geval daarom niet langer moeten vasthouden aan de inburgeringsplicht. Eiseres beroept zich daarbij op het arrest van de HvJEU van 7 november 2018, waaruit volgt dat inburgeringsvoorwaarden de gezinshereniging niet praktisch en feitelijk onmogelijk mogen maken.

De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [zwager] (zwager) en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aangehouden in afwachting van de uitkomst van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats in de procedure NL24.25338.

Op 31 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank in de genoemde procedure uitspraak gedaan. Verweerder heeft de rechtbank in zijn schriftelijke reactie van 30 september 2025 laten weten dat hij bij het bestreden besluit blijft. De rechtbank heeft hierna het onderzoek op 19 november 2025 gesloten. Vanwege het vertrek van de behandelend rechter voordat uitspraak kon worden gedaan, is het onderzoek heropend en is een andere rechter belast met de behandeling van de zaak. Omdat partijen niet hebben aangegeven behoefte te hebben aan een nieuwe behandeling, is het onderzoek in de zaak daarna opnieuw gesloten op 31 december 2025.

Beoordeling door de rechtbank

4. In de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de regeling van het inburgeringsvereiste in het buitenland in vergelijkbare gevallen een direct onderscheid maakt naar nationaliteit, zonder dat voldoende is gemotiveerd dat voor dat gemaakte onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Aldus handelt verweerder in strijd met artikel 14 van het EVRM.

5. Verweerder is het hier niet mee eens en heeft zijn standpunt toegelicht in zijn schriftelijke reactie van 30 september 2025: Burgers van sommige landen zijn uitgezonderd van de verplichting van inburgering in het buitenland, omdat zij ook zijn uitgezonderd van de verplichting tot het vragen van een mvv. Bij de beoordeling van de vraag welke landen kunnen worden vrijgesteld worden verschillende aspecten betrokken: buitenlands en economisch beleid, nationale veiligheid en openbare orde (het tegengaan van illegale migratie). Van vergelijkbare gevallen is volgens verweerder geen sprake. Verweerder voelt zich gesteund door – onder meer – de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, waarin is overwogen dat het niet eisen van een mvv voor burgers van sommige landen geen direct onderscheid naar afkomst, nationale en etnische afstamming inhoudt.

6. De reactie van verweerder van 30 september 2025 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel dan verwoord in de uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2025.

De rechtbank heeft toen onder meer overwogen dat de door verweerder aangevoerde verschillen in sociaaleconomisch, maatschappelijk en politiek opzicht zijn gebaseerd op niet onderbouwde aannames. Daarnaast heeft verweerder niet heeft onderbouwd dat het loslaten van het inburgeringsvereiste zal leiden tot ongewenste en ongebreidelde migratiestromen. Bedoelde onderbouwing ontbreekt ook nu.

7. De uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2025 gaat niet in op de verenigbaarheid van het inburgeringsvereiste met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De vraag of het gemaakte onderscheid tussen landen in beginsel mogelijk is op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn laat onverlet dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het maken van dit onderscheid ook daadwerkelijk gerechtvaardigd is. Het voorlopige oordeel dat de Afdeling hierover geeft in de verwijzingsuitspraak van 11 juni 2025 is slechts summier gemotiveerd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie moet zich nog uitspreken over de prejudiciële vragen van de Afdeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nu anders te oordelen dan in haar uitspraak van 31 juli 2025.

8. Dit betekent dat verweerder de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed, niet in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

9. Gelet op deze conclusie komt de rechtbank niet meer toe aan de beroepsgronden over de bijzondere individuele omstandigheden en over de inspanningen die eiseres stelt te hebben verricht om aan het inburgeringsvereiste te voldoen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsvereiste van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Daarom zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. Daarbij moet verweerder rekening houden met wat er in deze uitspraak is geoordeeld, en alle gegevens in de beoordeling betrekken die op dat moment bekend zijn.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 augustus 2024;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?