RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56683
(gemachtigde: mr. G. Tuenter),
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiseres heeft namelijk internationale bescherming gekregen in Bulgarije. De minister is terecht uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. In dit geval was de minister niet gehouden om garanties te vragen aan de Bulgaarse autoriteiten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 november 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000. Eiseres heeft namelijk sinds 25 maart 2024 internationale bescherming in Bulgarije.
Toetsingskader
4. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Dat kan alleen als ook wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eén van die voorwaarden is dat die lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt. Ook moet de vreemdeling een zodanige band met het betreffende land hebben dat het voor hem of haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van een dergelijke band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft.
5. Als uitgangspunt geldt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat de Bulgaarse autoriteiten de verdragsverplichtingen tegenover statushouders nakomen. Statushouders in Bulgarije kunnen in beginsel op grond van de verleende internationale bescherming aanspraak maken op de daaruit voortvloeiende rechten en de minister mag ervan uitgegaan dat zij deze rechten ook kunnen effectueren. Daarbij geldt dat statushouders dezelfde rechten hebben als staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. De minister mag er ook van uitgaan dat statushouders over een (reëel risico op een) schending van artikel 4 van het EU Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM bij de Bulgaarse autoriteiten effectief kunnen klagen. Van belang is wel dat volgens het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie de bijzondere kwetsbaarheid van een individuele statushouder ertoe kan leiden dat hij bij terugkeer naar de lidstaat waar hij een asielvergunning heeft gekregen, zal terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Deze toestand moet zijn veroorzaakt door onverschilligheid van de autoriteiten van het land die de status heeft verleend en geheel buiten de schuld van de vreemdeling liggen. Het enkele feit dat de sociale bescherming of de leefomstandigheden gunstiger zijn in de lidstaat waar de statushouder een nieuwe asielaanvraag indient, dan in de lidstaat die hem een asielvergunning heeft verleend, is onvoldoende om te concluderen dat hij bij terugkeer naar die laatste lidstaat een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel en garanties
6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Ook is de minister onvoldoende ingegaan op de feitelijke situatie van eiseres. Uit haar verklaringen blijkt namelijk dat zij in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie verkeerde in Bulgarije. Eiseres voert aan dat de minister vanwege haar bijzondere kwetsbaarheid in onderhavige zaak garanties had moeten vragen aan de Bulgaarse autoriteiten. Eiseres ervaart immers veel angst. De minister heeft nagelaten te motiveren dat eiseres niet terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Hierbij moet de minister rekening houden met het gegeven dat van eiseres niet verwacht kan worden om haar eigen rechten te effectueren in Bulgarije.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht dat in het geval van statushouders uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. De minister geeft toe dat uit algemene landeninformatie volgt dat er problemen zijn wat betreft veiligheid, huisvesting, rechtsbijstand, voedselzekerheid voor mensen die op de Harmanli opvanglocatie verblijven. Deze problemen beperken eiseres persoonlijk echter niet zodanig dat zij onmogelijk kan functioneren. Dat maatschappelijk werkers terughoudend zijn om kwetsbare asielzoekers bij te staan, maakt nog niet dat dit niet mogelijk is. Een probleem in de voedselvoorziening op de opvanglocaties, maakt nog niet dat eiseres persoonlijk in haar mensenrechten is geschonden. Eiseres heeft immers verklaard dat zij regelmatig naar de supermarkt ging. Het wordt dan ook niet ingezien dat zij dit bij terugkeer niet opnieuw kan doen. Dat het rapport aangeeft dat vreemdelingen tot zes maanden na de toekenning van internationale bescherming geen financiële ondersteuning kunnen krijgen voor huisvesting, maakt nog niet dat bij terugkeer naar Bulgarije het recht op huisvesting wordt geschonden. Zoals het rapport beschrijft, is het voor eiseres als kwetsbare statushouder mogelijk om nog een paar maanden in een opvangkamp te verblijven. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet zelfredzaam genoeg is om toegang te kunnen krijgen tot deze voorzieningen. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij geen inspanningen heeft verricht om toegang te krijgen tot werk, onderwijs, huisvestiging en gezondheidszorg. Bovendien is eiseres zelfstandig naar Bulgarije gevlucht en heeft daar asiel aangevraagd. Ook is eiseres alleen naar Nederland gereisd en heeft ook hier asiel aangevraagd. Dat eiseres volledig afhankelijk en niet zelfredzaam is, wordt niet gevolgd.
De minister stelt verder terecht dat er geen enkel medisch document is overgelegd waarmee is aangetoond dat eiseres medische zorg nodig heeft. Dat eiseres bijzonder kwetsbaar is, is dan ook niet aannemelijk gemaakt. In het asielrelaas heeft eiseres ook niet onderbouwd dat zij in Bulgarije geen toegang tot medische zorg kan krijgen. Zij heeft enkel verklaard niet te weten of zij toegang had tot medische voorzieningen. Eiseres heeft ook niet geprobeerd om in Bulgarije medische zorg te krijgen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er bovendien vanuit gaan dat Bulgarije vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland kent. Gelet op voorgaande is de minister in dit geval niet gehouden om bij de Bulgaarse autoriteiten om garantie te vragen dat eiseres niet terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiele deprivatie.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.