RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63325
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1982 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 28 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Oostenrijk in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig is van 19 juni 2025 tot en met 4 september 2025. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening de Oostenrijkse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. De autoriteiten van Oostenrijk hebben dit verzoek op 3 november 2025 geaccepteerd.
3. Eiser stelt in beroep dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser is voor het indienen van een asielaanvraag naar Nederland gekomen omdat zijn tot Nederlander genaturaliseerde broer met zijn gezin in Nederland woont. Eiser is reeds op leeftijd, heeft in Oostenrijk geen familie en voelt zich daar eenzaam. Deze omstandigheden dienen te worden aangemerkt als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat het van onevenredige hardheid getuigt om hem aan Oostenrijk over te dragen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft allereerst terecht overwogen dat de broer van eiser in Nederland niet is aan te merken als gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening, zodat de gezinsbepalingen van de artikelen 8, 9, 10 11 en 16 niet van toepassing zijn. De Dublinverordening is op zichzelf niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen. De wens van eiser om bij zijn in Nederland verblijvende broer te verblijven is begrijpelijk, maar verweerder heeft de relatie tussen eiser en zijn broer in redelijkheid niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser aan Oostenrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
5. Voor zover eiser met het overleggen van de verklaring van de huisarts wil stellen dat zijn medische gesteldheid eraan in de weg staat dat hij wordt overgedragen, heeft verweerder in zijn voornemen reeds terecht overwogen dat Nederland erop mag vertrouwen dat eiser in Oostenrijk toegang heeft tot dezelfde medische zorg als hier. Eiser heeft met de overgelegde verklaring niet onderbouwd dat hij in Oostenrijk niet de voor hem noodzakelijke medische behandeling zal krijgen.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.