ECLI:NL:RBDHA:2026:21003

ECLI:NL:RBDHA:2026:21003

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-07-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer 26_1551 26_1553 en 26_1554
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Eiseres is een ondernemersfonds. Zij maakt niet aannemelijk dat zij voldoet aan de voorwaarden van de goedkeuringen van het Besluit Omzetbelasting Aftrek van Omzetbelasting. Beroepen op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel slagen niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen recht op (gedeeltelijke) aftrek van voorbelasting. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaken tussen

Stichting [stichting] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 26/1551, SGR 26/1553 en SGR 26/1554

(gemachtigde: mr. Ph. Boerman),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het eerste kwartaal 2025 een naheffingsaanslag omzetbelasting (de naheffingsaanslag Q1) opgelegd en voor het tweede kwartaal 2025 bij beschikking (de teruggaafbeschikking Q2) geen teruggaaf van omzetbelasting verleend. Eiseres heeft voor het derde kwartaal 2025 aangifte omzetbelasting (de aangifte Q3) ingediend.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag Q1, de teruggaafbeschikking Q2 en de aangifte Q3. Deze bezwaren zijn bij uitspraken op bezwaar van 7 januari 2026 afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026.

Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] , mr. Ph. Boerman en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een gemeente-breed ondernemersfonds van de gemeente [gemeente] (de gemeente). Het vermogen van eiseres wordt jaarlijks (aan)gevuld door de gemeente vanuit de onroerendezaakbelasting (de ozb). Ter financiering van eiseres heft de gemeente extra ozb op alle niet-woningen.

2. Eiseres is geen ondernemer voor de omzetbelasting.

3. Bij brief van 19 november 2019 heeft Servicecentrum Drechtsteden namens eiseres verzocht om afstemming omtrent de aftrekgerechtigdheid met betrekking tot de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting. In het verzoek wordt uitgegaan van 83% aftrekgerechtigdheid.

4. Verweerder heeft zich er bij brief van 14 januari 2021 mee akkoord verklaard dat eiseres een beroep kan doen op de goedkeuring voor ondernemingsverenigingen en BIZ-stichtingen en dat zij 83% van de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek mag brengen.

5. Bij brief van 3 oktober 2024 heeft verweerder eiseres erover geïnformeerd dat hij het in de brief van 14 januari 2021 ingenomen standpunt intrekt. Vanaf 1 januari 2025 kan zij niet langer een beroep doen op de goedkeuring voor ondernemingsverenigingen en BIZ-stichtingen en mag zij de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet langer in aftrek brengen.

6. Voor het eerste kwartaal van 2025 heeft eiseres aangifte omzetbelasting gedaan waarbij € 11.532 aan voorbelasting in aftrek is gebracht. Hierop is € 11.532 aan teruggaaf verleend.

7. Voor het tweede kwartaal van 2025 heeft eiseres aangifte omzetbelasting gedaan waarbij € 3.666 aan voorbelasting in aftrek is gebracht.

8. Met dagtekening 25 juli 2025 is de naheffingsaanslag Q1 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 11.532. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van € 1.153, ofwel 10% van de nageheven belasting.

9. Bij de teruggaafbeschikking Q2 is geen teruggaaf van omzetbelasting verleend.

10. Bij de aangifte Q3 is geen voorbelasting in aftrek gebracht.

Geschil

11. In geschil is of de naheffingsaanslag Q1 terecht is opgelegd, of de teruggaafbeschikking Q2 terecht is gegeven en of de aangifte Q3 te hoog is. Meer specifiek is in geschil of eiseres op de voet van het Besluit Omzetbelasting Aftrek van omzetbelasting (het Besluit), conform de goedkeuringen van paragraaf 5.2.6.1 en paragraaf 5.2.6.2, recht heeft op aftrek van bij haar in rekening gebrachte omzetbelasting. Daarbij doet eiseres subsidiair een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Daarnaast is in geschil of bij de naheffingsaanslag Q1 terecht een verzuimboete is opgelegd.

12. Eiseres stelt dat zij op basis van de goedkeuringen in paragraaf 5.2.6.1 en/of paragraaf 5.2.6.2 van het Besluit recht heeft op aftrek van voorbelasting. Indien op basis van deze goedkeuringen geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, stelt eiseres dat andere ondernemersfondsen de bij hen in rekening gebrachte voorbelasting wel in aftrek hebben kunnen brengen (gelijkheidsbeginsel) en dat de staatssecretaris de bedoeling heeft gehad de goedkeuringen van het Besluit ook van toepassing te laten zijn op ondernemersfondsen (vertrouwensbeginsel). Ter zake van de verzuimboete beroept eiseres zich op een pleitbaar standpunt.

13. Verweerder stelt dat geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, dat beroepen op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet kunnen slagen en dat geen sprake is van een pleitbaar standpunt.

Beoordeling van het geschil

14. Ingevolge artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt met ‘ondernemer’ bedoeld “ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent”, waarbij onder bedrijf mede wordt verstaan een beroep en exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

15. In het Besluit heeft de staatssecretaris van Financiën (de staatssecretaris, voor zover hier van belang, het volgende besloten:

“5.2.6 Aftrek bij ondernemersorganisaties

5.2.6.1 Ondernemersverenigingen

Ondernemersverenigingen (zoals winkeliersverenigingen en brancheorganisaties) zijn niet steeds voor al hun activiteiten (waaronder de belangenbehartiging van hun leden) als ondernemer te kwalificeren. Dit kan tot gevolg hebben dat btw die drukt op de aan deze (niet-ondernemers) activiteiten toerekenbare aangeschafte goederen en diensten niet in aftrek kan worden gebracht. Dit terwijl de kosten hiervan in feite (veelal via contributies) worden gedragen door (ook in die kwaliteit handelende) ‘leden-ondernemers'. Dit zou er toe leiden dat samenwerkende, aftrekgerechtigde ondernemers een btw-druk ervaren die zij niet zouden ondervinden als de goederen en diensten rechtstreeks aan hen zouden worden geleverd. Deze vorm van cumulatie acht ik ongewenst. Ik keur daarom op grond van artikel 63 van de AWR het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat ondernemersverenigingen de aan hen in rekening gebrachte btw in aftrek brengen. Ik verbind hieraan de volgende voorwaarden.

Voorwaarden

 De goedkeuring geldt alleen voor verenigingen die de zakelijke belangen van ondernemers behartigen en waarbij uitsluitend ondernemers en/of ondernemersverenigingen zijn aangesloten [voetnoot: Met ingang van 1 januari 2020 geldt dat voor de toets of uitsluitend ondernemers/ondernemersverenigingen zijn aangesloten, relevant is dat de (rechts)personen die een formele binding hebben met de vereniging en die (direct of indirect) gehouden zijn om een financiële bijdrage te voldoen, uitsluitend bestaan uit ondernemers.];

 Alleen die btw komt voor aftrek in aanmerking die niet toerekenbaar is aan prestaties waarvoor de vereniging kwalificeert als ondernemer (belast dan wel vrijgesteld bijvoorbeeld ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de wet) [voetnoot];

 De btw is alleen aftrekbaar voor zover de kosten voor de hieraan toerekenbare goederen en diensten feitelijk worden gedragen door de aangesloten ondernemers;

 De aangesloten ondernemers zouden de btw in aftrek kunnen brengen als de goederen en diensten rechtstreeks aan hen geleverd zouden worden. De vereniging dient dit (zowel het recht op aftrek als de groep van ondernemers die het betreft) ten genoegen van de inspecteur aan te tonen [voetnoot].

5. 2.6.2 Bedrijven Investeringszones (BIZ-stichtingen)

BIZ-stichtingen zijn stichtingen opgericht door ondernemersorganisaties, bijv. winkeliersverenigingen, met het oog op toepassing van de Experimentenwet Bedrijven Investeringszones (vanaf 1 januari 2015 de Wet op de bedrijveninvesteringszones). Een gemeente kan op grond van deze wetgeving, na het akkoord van een meerderheid van de betrokken ondernemers, aan hen een specifieke heffing opleggen. De opbrengsten daarvan worden door de gemeente ‘doorgeschoven' naar de BIZ-stichting. De BIZ-stichting wendt die middelen vervolgens aan voor verbetering van een winkelgebied of een bedrijventerrein.

De situatie kan zich voordoen dat de BIZ-stichting bij de aanpassing van het winkelgebied of het bedrijventerrein werkzaamheden verricht in de openbare ruimte die feitelijk tot het takenpakket van de gemeente behoren (bijvoorbeeld het [laten] aanbrengen/aanpassen van bestrating op de openbare weg). Het is voorstelbaar dat de BIZ-stichting daardoor als ondernemer kwalificeert en aldus mogelijk een met btw belaste prestatie verricht aan de gemeente. De hieraan toerekenbare voorbelasting komt dan op de gebruikelijke wijze bij de BIZ-stichting voor aftrek in aanmerking.

Het is echter ook mogelijk dat de BIZ-stichting (ten opzichte van de gemeenten of derden) ter zake niet als ondernemer handelt. Gelet op het bijzondere karakter van de BIZ-stichtingen keur ik voor die gevallen goed dat zij eveneens, onder dezelfde voorwaarden, de faciliteit mogen toepassen zoals hiervoor genoemd voor ondernemersverenigingen.

Dit kan ook gelden voor zogenoemde ondernemersfondsen die zich alleen in zoverre onderscheiden van de BIZ-stichtingen dat hun oprichting niet is terug te voeren op de Experimentenwet Bedrijven Investeringszones. De hier bedoelde ondernemersfondsen verkrijgen de benodigde financiële middelen van de betrokken gemeenten die op hun beurt die middelen verkrijgen via de opbrengsten van een gemeentelijke heffing in de vorm van bijvoorbeeld een reclamebelasting of opslag op de onroerendezaakbelasting.”

16. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat eiseres een stichting is en in tegenstelling tot verenigingen geen leden heeft niet in de weg staat aan toepassing van de goedkeuringen uit het Besluit. De staatssecretaris heeft de goedkeuringen, onder paragraaf 5.2.6.2 nadrukkelijk ook opengesteld voor ondernemersfondsen mits zij voldoen aan de vier onder 5.6.2.1 gestelde voorwaarden.

Voldoet eiseres aan de voorwaarden uit het Besluit?

17. De bewijslast dat recht bestaat op (gedeeltelijke) aftrek van voorbelasting rust op eiseres. Zij dient dan ook aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden van de goedkeuringen van paragraaf 5.6.2.1 en/of van paragraaf 5.2.6.2 van het Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. Tussen partijen is niet in geschil dat niet alle bij eiseres aangesloten subjecten ondernemer zijn in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. Door Servicecentrum Drechtsteden is in 2019 geconcludeerd dat 83% van de bij eiseres aangesloten subjecten aftrekgerechtigd is en 17% van de subjecten niet. Hiervan uitgaande voldoet eiseres dan ook niet aan de eerste voorwaarde zoals gesteld in paragraaf 5.6.2.1 van het Besluit. De besluitgever heeft voor de goedkeuringen van paragraaf 5.6.2.1 en/of van paragraaf 5.2.6.2 expliciet gesteld dat uitsluitend ondernemers dienen te zijn aangesloten. Voorts kan de keuze voor een gemeente-breed ondernemersfonds, waarbij de aansluiting daarbij is gekoppeld aan een bepaalde categorie onroerende zaken en niet aan ondernemerschap als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968, verweerder niet worden tegengeworpen.

18. Omdat eiseres niet voldoet aan de eerste voorwaarde genoemd in paragraaf 5.2.6.1, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiseres voldoet aan de overige voorwaarden genoemd in die paragraaf. Dat betekent dat eiseres niet op de voet van de goedkeuring van paragraaf 5.6.2.1 van het Besluit en/of de goedkeuring van paragraaf 5.2.6.2 van het Besluit de aan haar in rekening gebrachte btw in aftrek kan brengen.

Is eiseres een BIZ-stichting?

19. Voor zover eiseres heeft gesteld dat zij zodanig lijkt op een BIZ-stichting als bedoeld in paragraaf 5.2.6.2 van het Besluit, dat zij hiermee gelijk kan worden gesteld, leidt dit niet tot een ander oordeel nu zij niet uitsluitend de belangen behartigt van ondernemers in de zin van de omzetbelasting.

Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?

20. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk van verweerder en er bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is, of sprake is van schending van de meerderheidsregel. De meerderheidsregel is geschonden, indien gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en bij de meerderheid van die groep een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De bewijslast voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel rust op eiseres. Eiseres stelt dat bij met haar vergelijkbare ondernemersfondsen in 2025 wél aftrek van voorbelasting is toegestaan, maar heeft deze stelling niet geconcretiseerd. Daarmee maakt zij niet aannemelijk dat gelijke gevallen ongelijk behandeld zijn, laat staan dat deze ongelijke behandeling veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk van verweerder dan wel dat de meerderheidsregel is geschonden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Slaagt eiseres’ beroep op het vertrouwensbeginsel?

21. Ook het beroep dat eiseres doet op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Door verweerder zijn geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen gedaan, waaraan eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat zij, in weerwil van de brief van 3 oktober 2024, de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ook in 2025 in aftrek mocht brengen. Voorts is door de staatssecretaris in het Besluit weliswaar opgenomen dat hij cumulatie van btw-druk bij samenwerkende, aftrekgerechtigde ondernemers ongewenst acht, maar daaraan staat niet in de weg dat aan de in het Besluit gegeven goedkeuringen voorwaarden zijn verbonden.

Mocht verweerder een verzuimboete opleggen?

22. Verweerder heeft op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, bij de naheffingsaanslag Q1 een verzuimboete van 10% van de nageheven belasting opgelegd. Eiseres stelt dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd en beroept zich daarbij op een pleitbaar standpunt.

23. Van een pleitbaar standpunt is sprake indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het belastingrecht juist was. In onderhavige geval is eiseres er bij brief van 3

24. oktober 2024 expliciet over geïnformeerd dat zij de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting vanaf 1 januari 2025 niet langer in aftrek mocht brengen. Dat zij bij het doen van aangifte voor het eerste kwartaal van 2025 toch de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, is dan ook niet pleitbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

25. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiseres geen recht heeft op aftrek van voorbelasting en is bij de naheffingsaanslag Q1 terecht een verzuimboete is opgelegd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand