ECLI:NL:RBDHA:2026:21004

ECLI:NL:RBDHA:2026:21004

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer 24_2352 en 24_5382
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

vennootschapsbelasting - Bij eiseres in rekening gebracht bedrag is terecht niet in aftrek toegelaten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de op de factuur vermelde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, noch dat deze zakelijk zijn. Voor (verdere) vermindering van de aan eiser voor de jaren 2020 en 2021 opgelegde aanslagen Vpb bestaat geen aanleiding. Wel dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd en ziet de rechtbank wegens de duur van de procedure aanleiding bij de aanslagen opgelegde verzuimboetes ambtshalve te matigen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 24/2352 en SGR 24/5382

(gemachtigde: mr. F.W. Algie),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2020 en 2021 aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Daarbij zijn verzuimboetes opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2023 de aanslag Vpb voor het jaar 2021 gehandhaafd en bij uitspraak op bezwaar van 11 mei 2024 de aanslag Vpb voor het jaar 2020 verminderd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep dat betrekking heeft op de aanslag Vpb voor het jaar 2020 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 24/5382; het beroep dat betrekking heeft op de aanslag Vpb voor het jaar 2021 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 24/2352. In beide zaken is € 371 griffierecht geheven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026.

Namens eiseres is per videoverbinding deelgenomen door [naam 1] en [naam 2]. De gemachtigde en [naam 3] zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], mr. [medewerker belastingdienst 2], [medewerker belastingdienst 3] en mr. [medewerker belastingdienst 4].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres vormt tezamen met haar dochtervennootschappen [vennootschap 1] ([vennootschap 1]) en [vennootschap 2] B.V. ([vennootschap 2]) een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

2. Tot zijn overlijden op 5 juni 2020 was [naam 4] (X) enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres. X was tot zijn overlijden gehuwd met [naam 1] (Y). Y is vanaf 9 november 2018 bestuurder van eiseres. Y heeft de aandelen in eiseres geërfd en is sinds 5 juni 2020 enig aandeelhouder.

3. Vanaf 2 november 2021 worden de aandelen in eiseres gehouden door Stichting [stichting] (de [stichting]). Y is bestuurder van de [stichting].

4. Y is tevens sinds de oprichting in 2008 bestuurder van [vennootschap 3] LLC ([vennootschap 3]), gevestigd te [land]. [vennootschap 3] en eiseres/[vennootschap 1] hebben op 15 oktober 2018 twee overeenkomsten van geldlening gesloten. De ene overeenkomst ziet op een door [vennootschap 3] aan [vennootschap 1] verstrekte lening van € 3.000.000 (de geldlening), en de andere op een door [vennootschap 3] aan [vennootschap 1] verstrekte kredietfaciliteit van € 2.000.000 (de rekening-courant). Er is overeengekomen dat eiseres hoofdelijk verbonden is aan de geldlening en de rekening-courant, ten gunste van [vennootschap 3]. De overeenkomsten zijn namens eiseres en [vennootschap 1] ondertekend door X en namens [vennootschap 3] door Y.

5. De geldlening bestaat uit een per 14 oktober 2016 verstrekte eerste tranche van € 2.000.000 en een per 1 juni 2017 verstrekte tweede tranche van € 1.000.000. De overeengekomen rente over de eerste tranche bedraagt 2,5% en over de tweede tranche 5%. Ter zake van de rekening-courant is een rente overeengekomen van 5% per jaar over het opgenomen gedeelte.

6. Tot de stukken van het geding behoort een door [vennootschap 3] aan X/[vennootschap 1] gerichte factuur met dagtekening 1 maart 2020 ten bedrage van € 2.167.760,11 (de factuur). Op de factuur staat als omschrijving:

“Overall management of legal case: January 2017-May 2020

[X] Entities/[naam bank A]

Services for Summons, pleadings appeal and witness court hearings

Further appeal and services rendered to date.”

7. Volgens de bijgevoegde specificatie ziet de factuur op door Y verrichte en nog te verrichten werkzaamheden alsmede op door haar gemaakte onkosten in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2022:

De factuur is niet daadwerkelijk betaald maar volgens de in oktober 2022 opgemaakte jaarrekening van [vennootschap 1] over 2020 geboekt in rekening-courant tussen [vennootschap 1] en eiseres.

8. Tot de gedingstukken behoort een factuur van 31 december 2021 van [vennootschap 4] LLC aan [vennootschap 1] ten bedrage van € 598.912,15 (de rentelasten) met als omschrijving: “[Bank A] Legal case interest 5% per year from 01/01/2017 – 31/12/2021 on 2167760.11 Euros”. De daarbij gevoegde berekening heeft betrekking op de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 en ziet op een hoofdsom van € 2.167,760,11, zijnde het bedrag van de factuur, vermeerderd met ieder jaar schuldig gebleven rente.

9. Eiseres is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om voor de jaren 2020 en 2021 aangifte Vpb te doen. De uiterste termijn om de aangiften in te dienen verliep op 5 augustus 2022 respectievelijk 17 augustus 2022.

10. Eiseres heeft niet binnen de gestelde termijn aangifte Vpb voor de jaren 2020 en 2021 gedaan.

11. Met dagtekening 5 november 2022 is de aanslag Vpb voor het jaar 2020 opgelegd naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 240.992. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van € 2.757 en is € 3.308 aan belastingrente in rekening gebracht.

12. Op 3 maart 2023 is alsnog een aangifte Vpb voor het jaar 2020 ingediend naar een belastbaar bedrag van -/- € 2.318.336. In de aangifte is een bedrag van € 2.933.874 aan “andere kosten” opgevoerd, waaronder het door [vennootschap 3] gefactureerde bedrag van € 2.167.760,11.

13. Met dagtekening 12 augustus 2023 is de aanslag Vpb voor het jaar 2021 opgelegd naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 240.992. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van € 2.757 en is € 2.410 aan belastingrente in rekening gebracht.

14. Bij brief van 19 januari 2024 heeft eiseres geantwoord op een aantal vragen van verweerder over het belastingjaar 2020. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Legal fees [[vennootschap 3]]

(…)

Als gevolg van de uitspraak in 2016 waarbij slechts een beperkte schadevergoeding is betaald, waarmee de financiering van [bank A] is betaald, kwamen [de vennootschappen waaronder eiseres] in financiële problemen. Als gevolg van de rechtszaak in 2017 legde [bank A] in 2017 beslag onder het concern hetgeen tot aanvullende financiële zorgen leidde. Om die reden zijn door [[vennootschap 3]] geldleningen verstrekt (notariële akten en betalingsbewijzen in uw bezit) in 2016 en in 2017. Op aanzeggen van advocaten en notaris in Nederland zijn deze geldleningen in 2018 geformaliseerd. Toen is ook voorzien dat gezien alle financiële problemen het erg lastig zou zijn om [[vennootschap 3]] te gaan betalen voor de inspanningen van [Y].

Om die reden is toen een rekening courant krediet opgesteld. Er is er vanaf gezien om op dat moment al een inschatting te maken van de al besteedde en nog te besteden kosten. Dit is uiteindelijk begin 2020 gebeurt, in overleg tussen [X] en [Y]. Op basis van dat overleg is toen een factuur opgesteld ter grootte van $ 2.186.340,20. In euro’s is dit € 2.167.760,11 opgemaakt. Onderdeel van de afspraak was overigens dat daarmee alle kosten ook in de toekomst betaald zouden zijn.

Bij nadere bestudering blijken er ook voorziene kosten voor 2021 en 2022 te zijn opgenomen. Op basis van de thans door [Y] verstrekte besteding van uren en kosten komen wij tot de volgende opstelling:

De kosten betrekking hebbend op 2021 en 2022 zijn:

Zoals u uit de urenbesteding kunt afleiden hebben zich er diverse zaken afgespeeld waarbij diverse advocaten betrokken waren, Indien gewenst kunnen we deze advocaten vragen te bevestigen dat [Y] namens de verschillende organisaties het aanspreekpunt was en zij alle zaken voorbereidde, begeleidde, waar nodig juridische databases inrichtte en vulde, kortom leiding gaf aan de diverse zaken die zij ter hand nam ten behoeve van de verschillende [achternaam X] vennootschappen.”

15. Eiseres heeft verklaringen overgelegd van de advocaten mr. [advocaat 1], mr. [advocaat 2], mr. [advocaat 3], mr. [advocaat 4] en mr. [naam 2] en van de notaris mr. [notaris]. De advocaten en notaris bevestigen dat Y hun (voornaamste) gesprekpartner was in de zaken waarin zij de vennootschappen van X bijstonden en dat door Y in dat verband werkzaamheden zijn verricht. In de verklaring van mr. [naam 2] is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“17. In January 2017 [X] on behalf of [[vennootschap 1]] appointed [[vennootschap 3]] to deal with issues arising within the [achternaam X] Group of Companies and to handle any legal issues including investigating and instituting an action against [bank A] for damages arising from [bank A’s] breach of the settlement agreement. It was agreed that [[vennootschap 3]] would appoint [Y] as manager of [[vennootschap 3]] to do so and would be paid US$150 per hour for services rendered.

(…)

20. I assisted [Y] as legal counsel for the [achternaam X] Group of Companies in respect of these matters and worked with Dutch lawyers and accountants to do so from the end of 2016 until the end of 2022.

(…)

22. Given the amount of work conducted by [Y] and further work that would be required in late February 2020 [Y] compiled a schedule of estimated fees and disbursements incurred and to be incurred from 1 January 2017 up until the end of 2022 which she discussed with the late [X] and it was agreed that [[vennootschap 3]] issue an invoice to [[vennootschap 1]] in respect of such fees and disbursements and that no further invoice would be issued for work carried out or dibursements incurred in this period regardless of the time spent on providing the services or dibursements incurred. [[vennootschap 3]] then issued an invoice to [[vennootschap 1]] for € 2.167.760,11 on 1 March 2020.”

In de verklaringen van de overige bovengenoemde advocaten en de notaris wordt geen verband gelegd tussen Y en [vennootschap 3]. In de verklaring van mr. [advocaat 2] is daarover het volgende opgemerkt:

“Ik, [naam advocaat], merk daarbij op dat ik eerder niet bekend was met de betrokkenheid van [[vennootschap 3]] bij het onder- en bovenstaande, en destijds begreep contact te onderhouden met [Y] als Directeur (via [eiseres]) en aandeelhouder en van de [achternaam X]-vennootschappen. Ik neem over de kennelijk gekozen (fiscale) verwerking van de werkzaamheden van [Y] uitdrukkelijk geen standpunt in.”

16. Het bezwaar tegen de aanslag Vpb 2020 is deels gegrond verklaard waarbij de belastbare winst en het belastbaar bedrag zijn vastgesteld op € 193.331 en de verzuimboete is verminderd tot € 1.378. De aangegeven kosten die zien op de factuur van [vennootschap 3] zijn niet in aftrek toegelaten. De in rekening gebrachte belastingrente is verminderd tot € 2.206.

17. Het bezwaar tegen de aanslag Vpb 2021 is bij uitspraak van 22 december 2023 afgewezen.

18. Op 1 februari 2024 heeft eiseres alsnog een aangifte voor het jaar 2021 ingediend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van -/- € 752.135. In deze aangifte zijn de rentelasten in aftrek gebracht.

19. In aanvulling op de aangifte heeft eiseres verweerder geïnformeerd over haar standpunt dat voor 2021 € 399.961,56 meer kosten in aanmerking moeten worden genomen. Daarvan ziet een bedrag van € 382.968 op de factuur van [vennootschap 3].

20. In een e-mail van 16 juli 2024 van verweerder aan eiseres over belastingjaar 2021 heeft hij aangegeven het voornoemde bedrag ten aanzien van de factuur van [vennootschap 3] en de rentelasten niet in aftrek te accepteren:

“Aanpassing van het resultaat

U heeft aangegeven dat er ten opzichte van de aangifte nog extra kosten gemaakt zijn. Het juiste resultaat Vpb 2021 bedraagt volgens u als volgt:

Mijn standpunt

Over een aantal onderdelen uit uw aangifte en over de aanvullende kosten heb ik u vragen gesteld. Na bestudering van de aangifte en uw antwoorden kom ik tot de conclusie dat in de aangifte grotendeels kan volgen. Twee onderdelen accepteer ik echter niet:

- Kosten [[vennootschap 3]] € 382.968

- Rentelasten RC € 598.913 [[vennootschap 3]]

Ik ben dan ook van mening dat de juiste belastbare winst en het juiste belastbaar bedrag

€ -/- 170.216 dient te bedragen (-/- 1.152.097 + 382.968 + 598.913).

(…).

De verzuimboete

(…). Ik constateer dat de uiterste indieningstermijn, genoemd in de aanmaning, voor het jaar 2021 (17 augustus 2022) kort volgde op de uiterste indieningstermijn voor de aangifte 2020 (5 augustus 2022). Ondanks dat er voor 2021 formeel geen sprake is van een eerste aangifteverzuim, houd ik omwille van het voorgaande toch rekening met deze matigingsgrond. Ik sluit daarom aan bij het standpunt van mijn collega bij de uitspraak op bezwaar voor Vpb 2020: ik acht een verzuimboete van € 1.378 passend en geboden.”

Geschil

21. In geschil is de hoogte van het belastbaar bedrag voor 2020 en 2021. Het geschil spitst zich toe op de vraag of en in hoeverre recht bestaat op aftrek van het door [vennootschap 3] gefactureerde bedrag en de rentelasten. Daarnaast is in geschil of aanleiding bestaat om de verzuimboetes (verder) te matigen.

22. Niet is geschil is dat de bij de aanslag Vpb 2020 in rekening gebrachte belastingrente met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 moet worden verminderd. Evenmin is in geschil dat de aanslag Vpb 2021 overeenkomstig de e-mail van 16 juli 2024 in ieder geval moet worden verminderd tot één berekend naar een belastbaar bedrag van -/- € 170.216 en de voor 2021 opgelegde verzuimboete tot € 1.378. Reeds hierom zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren.

23. Voor 2020 stelt eiseres dat van het door [vennootschap 3] gefactureerde bedrag € 1.602.168 in aftrek moet worden geaccepteerd. De opgelegde verzuimboete moet volgens eiseres worden gematigd tot € 250.

24. Voor 2021 stelt eiseres dat van het door [vennootschap 3] gefactureerde bedrag € 382.968 in aftrek moet worden geaccepteerd en dat de rentelasten van € 598.913 in aanmerking moeten worden genomen. De opgelegde verzuimboete moet volgens eiseres worden gematigd tot € 250.

24. Verweerder stelt dat het door [vennootschap 3] gefactureerde bedrag en de daaraan verbonden rentelasten terecht niet in aftrek zijn toegelaten. Behoudens matiging vanwege de duur van de procedures bestaat volgens verweerder voor verdere vermindering van de verzuimboetes geen aanleiding.

Beoordeling van het geschil

26. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

26. Vast staat dat eiseres niet voor afloop van de in de aanmaning genoemde termijn aangifte heeft gedaan, zodat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Aangezien in dit geval enkel kostenaftrek in geschil is, waarvoor de bewijslast reeds op eiseres rust, geldt in dit geval geen omkering maar alleen verzwaring van de bewijslast. Dit betekent dat eiseres moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat zij recht heeft op aftrek van de door haar gestelde kosten.

28. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de op de factuur vermelde kosten - bestaande uit “professional fees” en “expenses” toegeschreven aan werkzaamheden van Y ten behoeve van eiseres, via [vennootschap 3] - daadwerkelijk zijn gemaakt, noch dat deze zakelijk zijn. De rechtbank stelt voorop dat het opmaken van een factuur in maart 2020 over een periode van vijf jaar voor werkzaamheden in het verleden, heden en de toekomst, zeer ongebruikelijk is en reeds doet twijfelen aan het realiteitsgehalte ervan. De toelichting van Y dat dit is vanwege het kasstelsel in [land] acht de rechtbank niet afdoende. De factuur is ook niet daadwerkelijk betaald maar is geboekt in rekening-courant, wat eveneens ongebruikelijk is in derdenverhoudingen. Een schriftelijke overeenkomst tussen Y en [vennootschap 1], waarin Y via [vennootschap 3] voor een vast tarief van 150 dollar per uur wordt ingehuurd voor de op de factuur vermelde werkzaamheden, zoals volgens Y in 2017 is afgesproken, ontbreekt. Ook een schriftelijke vastlegging van de door Y gestelde tussen haar en X in februari 2020 gemaakte afspraken over de facturatie ontbreekt. De op de factuur vermelde expenses - die per jaar maandelijks gelijk zijn en vanaf 2020 nog hoger dan het bedrag aan fees - zijn met geen enkel stuk onderbouwd. De verklaring van mr. [naam 2] acht de rechtbank onvoldoende. Daarbij komt dat Y sinds 9 november 2018 bestuurder is van eiseres. Uit de verklaring van mr. [advocaat 2] volgt dat hij ervan uit ging dat Y als bestuurder van eiseres optrad en de overige verklaringen laten die mogelijkheid ook open. Gelet op het voorgaande, heeft eiseres geen recht op aftrek.

29. Aangezien het door LLC gefactureerde bedrag terecht niet in aftrek is toegelaten zijn ook de gestelde hiermee samenhangende rentelasten terecht door verweerder buiten aanmerking gelaten. Daarbij is het opmerkelijk dat eiseres rentelasten berekent over een hoger bedrag dan de r-c faciliteit behelst en gaat zij eraan voorbij dat de factuur pas in maart 2020 is opgemaakt, mede voor de toekomst, zodat voor berekening van rente vanaf 2017 over het volledige gefactureerde bedrag hoe dan ook geen grond bestaat. Ook opmerkelijk is dat de naam en het adres van de rente-facturerende [vennootschap 4] LLC afwijken van de gegevens van [vennootschap 3] die staan vermeld op de factuur van 1 maart 2020.

30. Gelet op het voorgaande is de aanslag Vpb 2020 naar een juist bedrag vastgesteld en bestaat geen aanleiding om de aanslag Vpb 2021 verder te verminderen dan in de e-mail van verweerder van 16 juli 2024 (zie onder 20 hiervoor) is toegezegd.

31. In artikel 67a, eerste lid, van de AWR is bepaald dat aan de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn heeft gedaan, een verzuimboete kan worden opgelegd. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Daarbij speelt de mate van verwijtbaarheid van het verzuim geen rol. Alleen in geval van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Van avas is sprake als eiseres stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verzuim niet zou worden begaan.

32. Eiseres heeft aangevoerd dat Y door omstandigheden onvoldoende alert was op het feit dat er aangiften moesten worden ingediend. Daarbij noemt zij onder andere dat Y en de oud-directie ten gevolge van een rechtszaak niet langer op het bedrijfsterrein mocht komen waar eiseres is gevestigd; dat een deel van de gegevens van eiseres waren gewist en dat de toenmalig accountant/boekhouder zijn kantoor ophief en niet langer bereikbaar was. Met deze blote stellingen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar geen enkel verwijt treft ten aanzien van het niet tijdig doen van aangifte Vpb. Van avas is dan ook geen sprake. Verweerder heeft de verzuimboetes terecht opgelegd.

33. De verzuimboetes zijn overeenkomstig artikel 67a van de AWR en met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) opgelegd naar een bedrag van € 2.757, ofwel 50% van het wettelijke maximum. De boete bij de aanslag Vpb voor het jaar 2020 is vervolgens bij uitspraak op bezwaar gematigd tot € 1.378. Voor de boete bij de aanslag Vpb voor het jaar 2021 heeft verweerder zich gedurende de beroepsfase nader op het standpunt gesteld dat ook deze boete moet worden gematigd tot € 1.378. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot verdere matiging van de boete. De rechtbank acht verzuimboetes van € 1.378 in beginsel passend en geboden.

33. De rechtbank ziet in de duur van de procedure aanleiding om de verzuimboetes ambtshalve te matigen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn wat betreft de boete is aangevangen met de aanslagen Vpb voor de jaren 2020 (5 november 2022) en 2021 (12 augustus 2023) en dat sinds die data tot het moment waarop in deze zaken uitspraak wordt gedaan, 3 jaar en bijna 9 maanden respectievelijk 2 jaar en ruim 11 maanden zijn verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan 2 jaar rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken. De redelijke termijn is dan ook met 1 jaar en bijna 9 maanden respectievelijk met ruim 11 maanden overschreden. De rechtbank zal de boetes, conform de door het gerechtshof Amsterdam geformuleerde uitgangspunten, matigen. De verzuimboete voor het jaar 2020 wordt verminderd met € 207 (15% van € 1.378) tot € 1.171 en de verzuimboete voor het jaar 2021 wordt verminderd met € 138 (10% van € 1.378) tot € 1.240.

35. De bij de aanslag Vpb 2020 in rekening gebrachte belastingrente dient te worden verminderd gelet op het hiervoor onder 22 genoemde arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.

36. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

37. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 en factor 1 omdat sprake is van minder dan vier samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2020 voor zover deze ziet op de opgelegde verzuimboete en de in rekening gebrachte belastingrente;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2021;

- vermindert de aanslag Vpb 2021 tot een berekend naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van -/- € 170.216 en vernietigt de in rekening gebrachte belastingrente;

- draagt verweerder op de belastingrente voor 2020 te verminderen overeenkomstig deze uitspraak;

- vermindert de bij de aanslag Vpb 2020 opgelegde verzuimboete tot € 1.171 en de bij de aanslag Vpb 2021 opgelegde verzuimboete tot € 1.240;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspaken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 742 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. A. van Welie en mr. P.E. Halprin, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1760 Viditax (FutD) 2026082801 FutD 2026-1532 V-N Vandaag 2026/1776
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand