ECLI:NL:RBDHA:2026:2101

ECLI:NL:RBDHA:2026:2101

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer NL24.16405
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

beroep, RTB, niet-ontvankelijk en ongegrond; wel proceskostenveroordeling

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.16405

geboren op [datum] ,

van Turkmeense nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Procesverloop

3. Eiser heeft op 15 april 2024 beroep ingesteld. Hij heeft verder op 15 april 2024 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 april 2024 is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

5. Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd.

6. Op 3 september 2025 heeft eiser te kennen gegeven dat hij het niet eens is met het terugkeerbesluit. Hij verzoekt de rechtbank het reeds aanhangige beroep ook te beschouwen als zijnde gericht tegen het besluit van 7 augustus 2025.

7. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

8. Op de zitting is door de gemachtigde van de minister aangevoerd dat de minister niet in de proceskosten kan worden veroordeeld, omdat de brief van 4 maart 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Anders dan de minister aanneemt, stelt de rechtbank vast dat het beroep van 15 april 2024 zich volgens het beroepschrift richt tegen de brief van 29 januari 2024 en niet tegen de brief van 4 maart 2024. In de brief van 29 januari 2024 is eiser meegedeeld dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en is het eerder opgelegde terugkeerbesluit ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 29 januari 2024 dan ook aan te merken is als een besluit. Subsidiair heeft de gemachtigde van de minister zich op het standpunt gesteld dat het beroep te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank ziet echter aanleiding om, gelet op de uitspraak van 17 januari 2024 van de Afdeling, de verschillende oordelen van verschillende zittingsplaatsen nadien en de onduidelijkheid die hierdoor is ontstaan en de prejudiciële vragen die nadien zijn gesteld, aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

9. Eiser voert verder aan dat het nieuwe terugkeerbesluit prematuur is genomen. De tijdelijke bescherming eindigde pas na 4 september 2025. Daarnaast loopt de voorlopige voorziening nog in zijn zaak en kan een terugkeerbesluit niet eerder worden opgelegd dan na een beslissing op het beroepschrift. Eiser stelt verder dat het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 van het EVRM is. Ook is niet gebleken van een ambtshalve refoulement beoordeling.

10. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 29 januari 2024 niet-ontvankelijk, omdat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de proceskosten van eiser, omdat het besluit terecht is ingetrokken.

11. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 augustus 2025 ongegrond en overweegt daartoe als volgt.

12. Het betoog dat het terugkeerbesluit prematuur is gelet op de bevriezingsmaatregel om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf 4 september 2025 te beëindigen, slaagt niet. In het arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie – kort samengevat – geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd op 4 maart 2024.

13. Anders dan eiser bepleit ziet de rechtbank in (artikel 6 van) Richtlijn 2008/115/EG en het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.

14. Artikel 6 van Richtlijn 2008/115/EG is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.

15. Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 7 augustus 2025 genomen.

16. Op 7 augustus 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 31 oktober 2025.

17. De rechtbank ziet ook in het feit dat de voorlopige voorziening is getroffen geen aanleiding voor het oordeel dat geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de toegewezen voorlopige voorziening betekent dat eiser de uitkomst van de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. Dit doet echter niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf op grond van de Terugkeerrichtlijn en de verplichting en dus bevoegdheid van de minister om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Het toewijzen van een voorlopige voorziening betekent namelijk slechts dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep.

18. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet gehouden was tot het maken van een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. Wel dient de minister op grond van artikel 5 van Richtlijn 2008/115/EG bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening te houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven, de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en dient hij het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Het privéleven is niet opgenomen als één van de belangen in artikel 5 van de Richtlijn zodat de minister daarmee geen rekening heeft hoeven houden bij het opleggen van het terugkeerbesluit. Indien eiser meent dat hij voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking komt, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. De minister heeft verder voldoende gemotiveerd waarom de relatie van eiser geen reden is om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Voor zover eiser stelt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn belangen naar voren te brengen, wijst de rechtbank erop dat eiser in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid heeft eiser ook gebruikt gemaakt.

19. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, in de zaak Ararat.

20. Gelet op wat hiervoor onder 9 is overwogen, moet de minister de proceskosten eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op

€ 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 januari 2024 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?