ECLI:NL:RBDHA:2026:2107

ECLI:NL:RBDHA:2026:2107

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer C/09/678915 / HA ZA 25-90
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Onrechtmatige overheidsdaad? Vonnis bodemprocedure tussen [eiser 1], zijn ex-echtgenote en broer tegen de Staat der Nederlanden.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaak-/rolnummer: C/09/678915 / HA ZA 25-90

Vonnis van 11 februari 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),

hierna te noemen: [eiser 1] ,2. [eiser 2] te [woonplaats 2] (Thailand),hierna te noemen: [eiser 2] ,

3. [eiser 3] te [woonplaats 3] ,

hierna te noemen: [eiser 3] ,

hierna gezamenlijk te noemen: [eisers] c.s.,

eisers,

advocaten: mr. L.A.H. Jie Sam Foek en mr. J. Hagers,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (OPENBAAR MINISTERIE) te Den Haag,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaten: mr. C.M. Bitter en mr. M.E.A. Möhring.

1. Waar gaat deze zaak over?

Het Openbaar Ministerie (‘OM’) is in 2011 een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin [eiser 1] en [eiser 3] als verdachten zijn aangemerkt. Dat leidde tot een verdenking van overtreding van de Opiumwet, deelname aan een criminele organisatie en witwassen, waarbij ook vermogen van Nederland naar Thailand zou zijn gesluisd. In 2014 heeft het OM rechtshulp gevraagd aan Thailand met het doel beslag te laten leggen op vermogen in Thailand en nader strafrechtelijk onderzoek aldaar te kunnen laten uitvoeren.

Om de uitvoering van dat verzoek tijdig te laten plaatsvinden, heeft het OM – op aanwijzing van de Thaise autoriteiten – een brief gestuurd waarin de Thaise politie is gevraagd een eigen onderzoek te starten naar [eisers] . Vervolgens zijn [eiser 1] en zijn toenmalige echtgenote [eiser 2] aangehouden in Thailand en aldaar veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor strafbare feiten die daar zijn gepleegd. Beiden hebben jarenlang in Thailand gedetineerd gezeten onder mensonterende omstandigheden, met zeer negatieve (psychische) gevolgen voor henzelf en hun familie.

In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of het versturen van de zojuist genoemde brief door het OM onrechtmatig is. Daarbij wordt de rechtbank gesteld voor een dilemma in de ware zin van het woord. Enerzijds is uiteraard problematisch dat een verzoek tot rechtshulp de (voorzienbare) mogelijkheid in het leven roept dat een verdachte in het buitenland zal worden onderworpen aan een mensonwaardige behandeling in strijd met zijn fundamentele (mensen)rechten. Daarbij komt dat inmiddels is gebleken dat deze kwade kans zich in het geval van [eiser 1] en [eiser 2] heeft verwezenlijkt. Anderzijds kan moeilijk worden aanvaard dat verdachten die emigreren naar een land met een uiterst slechte mensenrechtenreputatie feitelijk naar een vrijhaven emigreren, omdat vanwege die reputatie zou moeten worden afgezien van (nadere) opsporing en vervolging.

De rechtbank oordeelt in dit vonnis aan de hand van onder meer rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens - welk hof eerder voor eenzelfde dilemma is geplaatst - dat het rechtshulpverzoek in de zaak van [eiser 1] en [eiser 3] en de in dat kader verstuurde brief niet onrechtmatig kunnen worden geacht. De vorderingen worden dan ook afgewezen. Daarbij weegt mee dat, anders dan wel is gesuggereerd, de verdenkingen niet alleen zagen op zogenoemde ‘achterdeurfeiten’ (het overschrijden van de verre van realistische, gedoogde hoeveelheid voorraad softdrugs voor de coffeeshops), maar ook op andere overtredingen van de Opiumwet, belastingfraude en witwasfeiten met een internationale dimensie, terwijl van onschuld van de verdachten ook achteraf niet is gebleken. In dat licht kan niet worden aanvaard dat het vertrek naar Thailand feitelijk een vrijhaven zou creëren. Met dat laatste is overigens niet gezegd dat volgens de rechtbank vast staat dat [eiser 1] met zijn emigratie naar Thailand een dergelijke haven beoogde.

2. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 30 december 2024 met producties 1 t/m 61;

- conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv met producties 1 t/m 4;

- het vonnis in incident van 7 mei 2025;

- de brief van [eisers] c.s. van 12 mei 2025 met verzoek om tussentijds hoger beroep toe te staan;

- het e-mailbericht van de Staat van 19 mei 2025;

- de rolbeslissing van 28 mei 2025 waarbij het verzoek van [eisers] c.s. is

afgewezen;

- de conclusie van antwoord van de Staat van 7 mei 2025 met producties 1 t/m 37;

- het bericht van [eisers] c.s. van 10 november 2025 met de akte

overlegging producties met de producties 62 t/m 64.

Op 24 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij hebben de advocaten van beide partijen het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die aan het dossier zijn toegevoegd.

3. De feiten

[eiser 1] is in 2008 geëmigreerd naar Thailand, waar hij is getrouwd met [eiser 2] .

Vanaf 2011 heeft het Openbaar Ministerie (‘OM’) strafrechtelijk onderzoek gedaan naar [eiser 1] en [eiser 3] en aan hen toebehorende vennootschappen in Nederland en het buitenland. Dit onderzoek richtte zich in het bijzonder op de vier coffeeshops van ‘The Grass Company’ in Tilburg en ’s-Hertogenbosch en de organisatie daarachter. De verdenking zag onder andere op handelen in strijd met de Opiumwet, deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde delicten strafbaar gesteld onder de Opiumwet, witwassen, valsheid in geschrifte, oplichting en belastingfraude. [eiser 1] en later ook [eiser 3] zijn als hoofdverdachten aangemerkt in dat onderzoek.

In 2012 heeft het OM in het kader van het strafrechtelijk onderzoek – via de Nederlandse liaison officer in Thailand, de heer [naam 1] (‘ [naam 1] ’) – geïnformeerd naar de mogelijkheden voor rechtshulp in Thailand. In november 2013 zijn een Nederlandse officier van justitie, twee politieambtenaren en een parketsecretaris naar Thailand gegaan om met de Thaise autoriteiten te overleggen over het onderzoek en de mogelijkheden te verkennen om samen te werken. De Nederlandse delegatie heeft in dat kader een PowerPointpresentatie gegeven aan de Thaise autoriteiten over het strafrechtelijk onderzoek.

In juni 2014 heeft Nederland rechtshulpverzoeken toegezonden aan Duitsland, Spanje, Luxemburg en Zwitserland. Deze verzoeken strekten tot beslaglegging op vermogen en onroerend goed van [eisers] c.s.

Op 27 juni 2014 heeft het ministerie van Buitenlandse zaken een rechtshulpverzoek gestuurd aan Thailand. In het rechtshulpverzoek is aan de Thaise autoriteiten onder meer verzocht om het plaatsen van een telefoontap, het doorzoeken van een woning en kantoor, het onderzoeken van bankrekeningen en vermogensbestanddelen, (conservatoir) beslag te leggen op vorderingen, tegoeden en registergoederen/onroerend goed. Ook is verzocht om [eiser 2] als getuige te horen. Het rechtshulpverzoek is medeondertekend door de officier van justitie [naam 2] (‘ [naam 2] ’).

[naam 1] heeft op 3 juli 2014 het volgende bericht aan de heer [naam 3] (‘ [naam 3] ’) die als operationeel specialist B van de regionale recherche eenheid Zeeland-West-Brabant betrokken was bij het strafrechtelijk onderzoek, en aan de heer [naam 4] (‘ [naam 4] ’) die als rechercheur en Teamleider betrokken was bij het strafrechtelijk onderzoek:

De Thaise collega’s gaan aan de hand van jullie rechtshulpverzoek zoals besproken een separaat onderzoek in Thailand opstarten waarbij de realisatie van telefoontaps een mogelijkheid zijn. (…)

Zoals de planning er nu uitziet verwacht men op 21 juli met de uitvoering van het rechtshulpverzoek te kunnen beginnen. (…)

Een vraag die men nu al heeft is de volgende. Stel dat tijdens de doorzoekingen er ontwikkelingen zijn die aan aanhouding van [eiser 1] voor de Thaise wetgeving vragen, zou een aanhouding van [eiser 1] jullie onderzoek schaden. (…)

Op 9 juli 2014 hebben de Thaise autoriteiten een e-mailbericht gestuurd aan [naam 1] waarin, voor zover relevant, is vermeld:

‘(…)

Following our meeting yesterday with Director General DSJ, this morning DSI has further

consulted the case with Office of the Attorney General on how to execute this request

efficiently within the limited time frame.

As the Act on Mutual Legal Assistance in Criminal Matters, B.E. 2535 indicated clearly that the Competent Authority for execution this kind of request (for taking statement, search, seizing …………….. ) is only the Royal Thai Police. This request is, therefore, to be transmitted to Royal Thai Police.

OAG advices that the only solution complying with the existing local law and its procedure as well as the given timeframe, could be the following:

Our office, on behalf of the Dutch Competent Authority, write a letter addressing to the Attorney General of Thailand, notifying that the Netherlands Authority has conducted an investigation against [eiser 1] (and his associates) in relation to the following offences:

Complicity in large scale growing and trafficking of hemp and hashish, committed in the

Netherlands

Complicity in money laundering

Participation in a criminal organization with the aim to commit drug offences and

money laundering

And his wife, Miss [eiser 2] may be involved. Both are residing in Thailand.

Based on the Dutch investigation, Mr. [eiser 1] is also suspected of committing

various offences in Thailand, including money laundering and participation in a criminal

organisation, therefore we would request Office of the Attorney General for kind

consideration to conduct all necessary process accordingly.

[naam 5] , Please kindly discuss with the Netherlands, if they would agree with this solution. In case they agree, we will send / hand a letter from our office tomorrow, we do not have much time.

Na overleg met [naam 4] , [naam 3] en [naam 2] heeft [naam 1] op 14 juli 2014 een brief gestuurd aan de Thaise Attorney-General waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:

Subject: Request for initiating an investigation in Thailand

In accordance with the Act on Prevention and Suppression Transnational Organized Crime and the article 20 of the Thai Criminal Procedure Code.

I, on behalf of the Netherlands authority, have the honor to inform the Attorney General of Thailand the following information for your kind consideration regarding initiating criminal proceeding:

(…)

Based on this investigation in the Netherlands, [eiser 1] , is also suspected of committing various offences in Thailand, more specifically money laundering and participation in a criminal organization. His Thai wife, Miss [eiser 2] , may have involvement in the crime commission with [eiser 1] as well.

(…)

I would therefore, Mr. Attorney General , request your kind cooperation and consideration to initiate a criminal case, conduct any relevant investigation in accordance with article 20 of the Thai Criminal Procedure Code and take all necessary proceeding against the said suspects under Thai related Laws.’

Op 23 juli 2014 zijn [eiser 1] en [eiser 2] aangehouden door de Thaise autoriteiten en in voorlopige hechtenis genomen. Op onroerende goederen die aan hen toebehoorden is beslag gelegd.

Op verzoek van de Thaise autoriteiten heeft het OM een deel van zijn onderzoeksbevindingen toegezonden aan Thailand. In het Thaise strafrechtelijke onderzoek zijn de Nederlandse politieambtenaren [naam 1] , [naam 4] en [naam 3] gehoord als getuige.

Het OM heeft met de Thaise autoriteiten gesproken over de vervolging van [eisers] c.s. voor de strafbare feiten die waren gepleegd in Thailand, om dubbele vervolging te voorkomen. De overdracht van de strafvervolging aan Nederland bleek daarbij voor Thailand onbespreekbaar. Wel is afgesproken dat in Thailand niet zou worden vervolgd voor strafbare feiten gepleegd in Nederland en voor deelname aan een criminele organisatie.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn in Thailand zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veroordeeld voor witwassen gepleegd in Thailand. Uiteindelijk is [eiser 1] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 68 jaar en 8 maanden en [eiser 2] tot een gevangenisstraf van 12 jaar. Deze veroordelingen zijn op 6 juni 2019 onherroepelijk geworden. [eiser 1] heeft zijn voorlopige hechtenis ondergaan in de [gevangenis 1] en is nadat hij veroordeeld was overgeplaatst naar de [gevangenis 2] in Bangkok.

In december 2019 heeft Thailand ermee ingestemd dat de verdere tenuitvoerlegging van de aan [eiser 1] opgelegde straf in Nederland zou plaatsvinden. In januari 2020 is [eiser 1] naar Nederland overgebracht en in detentie geplaatst. In september 2020 is hij op vrije voeten gekomen.

[eiser 2] is tot 16 juli 2020 in Thailand gedetineerd gebleven. Zij heeft gedetineerd gezeten in de vrouwengevangenis in Bangkok.

[eiser 3] heeft vanaf de detentie van [eiser 1] en [eiser 2] in 2014 gezorgd voor de dochter van [eiser 1] en [eiser 2] . De dochter woont nog steeds bij [eiser 3] .

De strafrechtelijke vervolging tegen [eiser 1] en [eiser 3] in Nederland is geëindigd door middel van een overeenkomst betreffende buitengerechtelijke afdoening (2022) en een strafrechtelijk vonnis (2024), waarin het OM op eigen verzoek niet-ontvankelijk is verklaard in verband met de buitengerechtelijke afdoening. Aan [eiser 1] en [eiser 3] en hun vennootschappen zijn strafbeschikkingen opgelegd voor deelname aan een criminele organisatie, witwassen en Opiumwetfeiten.

4. Het geschil

[eisers] c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] ;

de Staat veroordeelt tot vergoeding van de schade die [eiser 1] en [eiser 2] hebben geleden ten bedrage van € 44.145.536, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, dan wel een bedrag nader op te maken in een schadestaatprocedure;

de Staat veroordeelt tot vergoeding van de kosten die [eiser 3] heeft gemaakt voor de dochter van [eiser 1] en [eiser 2] ten bedrage van € 280.500, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, dan wel een bedrag nader op te maken in een schadestaatprocedure;

met veroordeling van De Staat in de kosten van de procedure.

Aan hun vorderingen hebben [eisers] c.s. – in de kern genomen – ten grondslag gelegd dat de strafrechtelijke veroordelingen van [eiser 1] en [eiser 2] in Thailand en de daaraan verbonden detentie onder erbarmelijke omstandigheden het gevolg zijn van onrechtmatig handelen van de Staat. Het doel van de Staat was dat [eiser 1] en [eiser 2] door Thailand strafrechtelijk zouden worden veroordeeld en ook daadwerkelijk in Thailand hun straffen zouden ondergaan. Met dat doel heeft de Staat de brief van 14 juli 2014 aan Thailand gestuurd. Gelet op de risico’s op mensenrechten-schending in geval van detentie in Thailand was dat onrechtmatig. Ook heeft de Staat in het kader van de strafzaken tegen [eiser 1] en [eiser 2] onjuiste en onvolledige informatie verstrekt aan de Thaise autoriteiten over [eiser 1] en het gedoogbeleid in Nederland. Verder heeft de Staat onvoldoende gedaan om [eiser 1] uitgeleverd te krijgen, zodat hij niet in Thailand maar in Nederland berecht zou worden. Als gevolg van de strafrechtelijke veroordelingen hebben [eiser 1] en [eiser 2] lange gevangenisstraffen ondergaan in Thailand onder erbarmelijke omstandigheden. De Staat moet de materiële en immateriële schade vergoeden die zij daardoor hebben geleden. [eiser 3] heeft gezorgd voor de dochter van [eiser 1] en [eiser 2] sinds hun detentie, zodat de Staat ook de kosten die [eiser 3] daartoe heeft gemaakt moet vergoeden aan [eiser 3] .

De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De rechtbank zal eerst beoordelen of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] . Vervolgens zal zij diezelfde vraag beantwoorden ten aanzien van [eiser 2] . Tot slot wordt de vordering van [eiser 3] besproken.

Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld ten aanzien van [eiser 1] ?

De verwijten van [eiser 1] aan de Staat vallen uiteen in drie onderdelen: I) het sturen van de brief van 14 juli 2014, II) de informatieverstrekking aan Thailand en III) overige verwijten. De rechtbank zal deze onderdelen in die volgorde bespreken.

I) De brief van 14 juli 2014

De Staat betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door het sturen van de brief van 14 juli 2014. Daartoe heeft de Staat – samengevat – gesteld dat het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser 1] en [eiser 3] aanleiding gaf voor een rechtshulpverzoek aan Thailand. Onderdeel van de verdenking was dat [eiser 1] en [eiser 3] geld dat was verdiend met strafrechtelijke activiteiten, naar Thailand hadden gesluisd en daar hadden witgewassen. De brief van 14 juli 2014 is volgens de Staat onderdeel van het rechtshulpverzoek.

De rechtbank zal, in het licht van dit verweer, hieronder eerst ingaan op de juridische basis van het rechtshulpverzoek van Nederland aan Thailand om vervolgens tegen die achtergrond het sturen van de brief van 14 juli 2014 te beoordelen.

Wat betreft het juridisch kader voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Staat in het kader van strafrechtelijk optreden door de Staat - waaronder begrepen het doen van een rechtshulpverzoek - overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 oktober 2006 twee gronden heeft aanvaard om aan te nemen dat het optreden door de Staat onrechtmatig is, waartoe de Hoge Raad heeft overwogen:

I. In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het (…) geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv heeft ontbroken.

II. In de tweede plaats kan zich, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.’

UNTOC

De rechtbank is van oordeel dat de United Nations Convention against Transnational Organized Crime (Palermo, 15 november 2000, Trb. 2004, 34; hierna: UNTOC) een verdragsrechtelijke basis biedt voor het doen van een rechtshulpverzoek door Nederland aan Thailand.

UNTOC heeft tot doel de internationale samenwerking te bevorderen om grensoverschrijdende misdaad te voorkomen en doeltreffend te bestrijden. UNTOC verplicht de aangesloten staten, waaronder Nederland en Thailand, onder meer om deelname aan een criminele organisatie, witwassen en corruptie strafbaar te stellen (artikelen 5, 6 en 7 UNTOC) en verplicht de staten om elkaar de ruimst mogelijke wederzijdse rechtshulp te verlenen (artikel 18 UNTOC). Naast verzoeken om rechtshulp kan een lidstaat, ook zonder voorafgaand verzoek, informatie toezenden aan een andere lidstaat met betrekking tot strafrechtelijke aangelegenheden in die andere lidstaat (artikel 18, vierde lid, UNTOC).

Rechtshulpverzoek van 27 juni 2014 en de verdenkingen tegen [eiser 1] en [eiser 3]

Op 27 juni 2014 heeft de Staat een rechtshulpverzoek ingediend bij Thailand (zie 3.5). Bij de totstandkoming van dat rechtshulpverzoek zijn betrokken geweest het OM, het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Justitie en Veiligheid, waaronder de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS).

[eisers] c.s. hebben terecht niet bestreden dat UNTOC een verdragsrechtelijke grondslag bood voor het doen van het rechtshulpverzoek.

[eisers] c.s. hebben de rechtmatigheid van het rechtshulpverzoek als zodanig niet expliciet ter discussie gesteld. Zonder een duidelijke koppeling te leggen met het rechtshulpverzoek van 27 juni 2014, hebben zij evenwel wel betoogd dat [eiser 1] niet meer betrokken was bij The Grass Company en dus onterecht als verdachte is aangemerkt. Voor zover [eisers] c.s. daarmee betogen dat de Staat geen redelijke gronden had om aan te nemen dat sprake was van strafbare feiten van grensoverschrijdende aard als bedoeld in artikel 18, eerste lid, UNTOC en dat er dus geen gronden waren voor het rechtshulpverzoek, gaat de rechtbank daarin niet mee. Daarbij overweegt de rechtbank dat – anders dan [eisers] c.s. hebben gesteld – de verdenking niet alleen zag op het voorhanden hebben van een te grote voorraad softdrugs voor de coffeeshops van The Grass Company (de zogenoemde ‘achterdeurproblematiek’). De verdenking jegens [eiser 1] en [eiser 3] zag ook op het telen en verwerken van softdrugs. Daarnaast werden zij verdacht van het grootschalig manipuleren van de opbrengsten van de softdrugs, door bewust een te hoge inkoopprijs te administreren en het verschil af te romen. De opbrengsten daarvan zouden – al dan niet contant – zijn doorgesluisd naar bankrekeningen in onder meer België, Luxemburg, Zwitserland en Thailand. Daarop zag de verdenking van witwassen en belastingfraude.

[eisers] c.s. hebben het standpunt dat [eiser 1] ten onrechte als verdachte is aangemerkt van deze strafbare feiten, onvoldoende toegelicht gelet op de onderbouwing van de Staat dat die verdenking er wel degelijk was. Uit de stukken uit het strafdossier die de Staat heeft overgelegd blijkt namelijk dat getuige [getuige] heeft verklaard dat [eiser 1] nog steeds betrokken was bij de bedrijfsvoering van The Grass Company en vanuit Thailand beslissingen nam. Verder zijn tijdens het strafrechtelijk onderzoek documenten aangetroffen die wijzen op actieve betrokkenheid van [eiser 1] , zoals een document dat is aangetroffen bij belastingadviseur [naam 6] (over een anonieme structuur van vennootschappen waarin ‘X’ zijn aandelen in een coffeeshop-BV heeft ondergebracht) en een brief van [eiser 3] aan [eiser 1] waarin wordt gesproken over een verkoopconstructie waarbij de verkoper anoniem bleef voor de Nederlandse fiscus. De betrokkenheid van [eiser 1] bleek ook uit de gegevens van de aangetroffen bankrekeningen. De rechtbank overweegt voorts dat uit de door de Staat overgelegde onderdelen van het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat er concrete aanwijzingen waren dat [eiser 1] de leiding had over een hele organisatie die aan de coffeeshops van The Grass Company was verbonden. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft de rechter-commissaris in strafzaken in april 2014 een machtiging verleend voor het leggen van conservatoir beslag voor een bedrag van ruim € 24 miljoen.

Tot slot is in dit verband nog het volgende van belang. De strafrechtelijke vervolging tegen [eiser 1] en [eiser 3] is geëindigd door middel van een overeenkomst betreffende buitengerechtelijke afdoening (2022) en een strafrechtelijk vonnis (2024). Aan [eiser 1] en [eiser 3] en hun vennootschappen zijn strafbeschikkingen opgelegd voor deelname aan een criminele organisatie, witwassen en Opiumwetfeiten. Daarbij zijn geldboetes en werkstraffen opgelegd en is overeengekomen dat ruim € 7 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt terugbetaald. Ook zijn afspraken gemaakt over de ontbinding van de vennootschapsstructuur. In het strafrechtelijk vonnis van 9 december 2024 betreffende [eiser 1] staat vermeld dat [eiser 1] volledig heeft ingestemd met de vastgelegde buitengerechtelijke afdoening ten aanzien van de strafzaak en het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze omstandigheid draagt bij aan het oordeel dat kennelijk sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, en biedt in ieder geval geen steun voor een tegenovergestelde conclusie. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vraag naar de bewezen onschuld: als dit vonnis en deze buitengerechtelijke afdoening inderdaad niet de schuld van [eiser 1] bewijst, zoals [eisers] c.s. betoogt, biedt deze afdoening in ieder geval geen steun voor het oordeel dat zijn onschuld is bewezen.

De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat bij het doen van het rechtshulpverzoek van 27 juni 2014 een redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van de in het rechtshulpverzoek genoemde strafbare feiten en dat het rechtshulpverzoek voldeed aan de eisen van artikel 18 UNTOC.

De brief van 14 juli 2014

De volgende vraag is in welk kader de brief van 14 juli 2014 is gestuurd door de Staat. De Staat stelt dat de brief is gestuurd in het kader van het rechtshulpverzoek van 27 juni 2014. Nadat het rechtshulpverzoek was ingediend, bleek dat de uitvoering ervan langer zou gaan duren dan aanvankelijk was bericht. De Staat wenste echter dat het rechtshulpverzoek snel zou worden uitgevoerd, binnen de aanvankelijk verzochte termijn. Mede door rechtshulpverzoeken die op korte termijn in andere landen zouden worden tenuitvoergelegd (en waardoor het internationale onderzoek zou ‘klappen’ en voor de verdachten kenbaar zou worden), zou vertraging het risico doen toenemen dat vermogensbestanddelen van [eiser 1] in Thailand zouden worden weggemaakt. De Staat heeft de brief van 14 juli 2014 gestuurd op advies van en in overleg met de Thaise autoriteiten. Het doel van het sturen van de brief was de gewenste rechtshulp tijdig tenuitvoergelegd te krijgen, door middel een eigen onderzoek door de Thaise autoriteiten, aldus de Staat.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 14 juli 2014, zoals de Staat betoogt, inderdaad is gedaan in het kader van het rechtshulpverzoek van 27 juni 2014. Allereerst sluiten de inhoud van het rechtshulpverzoek en de brief van 14 juli 2014 inhoudelijk op elkaar aan waar het gaat om de vermelding van strafbare feiten. Uit de brief van 9 juli 2014 (zie onder 3.7) blijkt bovendien dat de Thaise autoriteiten de Staat informeerden over hetgeen volgens de Thaise wet- en regelgeving nodig was voor tijdige tenuitvoerlegging van het rechtshulpverzoek. De Thaise autoriteiten vermeldden daarbij wat de inhoud van het verzoek diende te zijn. De brief van 14 juli 2014 is vervolgens conform dit advies opgesteld en verstuurd. De Staat heeft niet verzocht om [eiser 1] en [eiser 2] aan te houden dan wel te vervolgen, maar heeft alleen gevraagd om een onderzoek te starten en de noodzakelijke maatregelen te nemen, zoals de Thaise autoriteiten hadden geadviseerd. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat rechtshulp wordt verleend krachtens de relevante wetten, verdragen, overeenkomsten en regelingen van de aangezochte Staat, in dit geval dus Thailand (artikel 18, tweede lid, UNTOC) en de Staat heeft de aanwijzingen van de Thaise autoriteiten daarover terecht gevolgd. Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat de brief van 14 juli 2014 slechts gericht was op de tenuitvoerlegging van het rechtshulpverzoek van 27 juni 2014.

De rechtbank volgt dus niet de stelling van [eisers] c.s. dat het doel van de brief van 14 juli 2014 was om [eiser 1] en [eiser 2] te laten vervolgen en bestraffen in Thailand. Dit wordt ook weersproken door de omstandigheid dat de Staat aan Thailand heeft verzocht om de vervolging van [eiser 1] over te nemen en hen te berechten in Nederland.

De conclusies die hiervoor zijn getrokken ten aanzien van het rechtshulpverzoek van 27 juni 2014 gelden daarmee ook voor de brief van 14 juli 2014. Daarmee staat evenwel nog niet vast dat het versturen van de brief niet in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm. Bij die beoordeling dienen namelijk ook de mensenrechtenaspecten te worden betrokken. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Mensenrechtenaspecten bij het rechtshulpverzoek

Hoewel voor het versturen van de brief van 14 juli 2014 een verdragsrechtelijke grondslag bestond, diende de Staat bij zijn verzoek tot rechtshulp rekening te houden met mogelijke schendingen van mensenrechten als gevolg van zijn verzoek. In de samenwerking met andere staten kan zich immers een dergelijk risico voordoen. Op grond van artikel 1 EVRM rust op de Nederlandse autoriteiten de verantwoordelijkheid om zoveel mogelijk te voorkomen dat, als gevolg van een Nederlands verzoek om rechtshulp aan een andere staat, een schending van fundamentele rechten plaatsvindt in dat andere land.

Ondanks dat Thailand is aangesloten bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing van de Verenigde Naties (New York, 1984) en bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (New York, 16 december 1966; hierna: IVBPR), stelt de rechtbank vast dat bij vervolging en veroordeling voor drugs(gerelateerde) delicten in Thailand een risico op mensenrechten-schending bestond op het moment van het rechtshulpverzoek. Ten eerste kent Thailand de doodstraf voor bepaalde drugsdelicten. Ook de detentieomstandigheden in Thailand brengen een risico op mensenrechtenschending met zich mee. Voort is van belang dat op 20 mei 2014 in Thailand een militaire staatsgreep had plaatsgevonden, al ziet de rechtbank – anders dan [eisers] c.s. – geen aanwijzingen dat de (voorheen al zonder meer zorgwekkende) mensenrechtensituatie in Thailand wat betreft de detentieomstandigheden direct na de militaire staatsgreep in relevante mate is gewijzigd.

De Staat onderkent de verplichting die op hem rustte om de mogelijke risico’s op mensenrechten te betrekken bij zijn beslissing om het rechtshulpverzoek (waarvan de brief van 14 juli 2014 dus deel uitmaakt) te doen. De Staat was zich bewust van het risico – dat in het kader van een rechtshulpverzoek altijd aanwezig is – dat Thailand een eigen onderzoek zou gaan verrichten naar aanleiding van het rechtshulpverzoek en dat dit onderzoek zou leiden tot berechting en veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] . De Staat betoogt dat hij invulling aan zijn verplichting heeft gegeven door zich voorafgaand ervan te vergewissen dat de doodstraf niet zou worden opgelegd voor softdrugs-gerelateerde delicten en door het rechtshulpverzoek vooraf door AIRS te laten toetsen ten aanzien van het risico op mensenrechtenschendingen. Voorts heeft de Staat onweersproken naar voren gebracht dat in het rechtshulpverzoek expliciet is vermeld dat de verdenking uitsluitend zag op witwassen en deelname aan een criminele organisatie en niet op drugsfeiten in Thailand. Bij het opstellen van de brief van 14 juli 2014 heeft [naam 4] daarom verzocht om de tekst van de brief op dit punt aan te passen.

Tussen partijen is niet in geschil dat het rechtshulpverzoek, waaronder dus begrepen de brief van 14 juli 2014, niet het risico voor [eiser 1] of [eiser 2] meebracht op de doodstraf.

Wat betreft de detentie-omstandigheden overweegt de rechtbank het volgende. Ter onderbouwing van hun stelling dat ten tijde van het versturen van de brief van 14 juli 2014 kenbaar was dat de detentie-omstandigheden in Thailand in strijd waren met de mensenrechten, hebben [eisers] c.s. verwezen naar een overgelegd rapport van de International Federation for Human Rights (FIDH) uit 2017. Daaruit blijkt dat gevangenissen in Thailand in de onderzochte periode structureel overbevolkt waren (met een celbezetting van 224% van het standaard aantal personen). FIDH rapporteerde over onvoldoende toegang tot medische zorg, tekorten aan voedsel en drinkwater en slechte sanitaire voorzieningen. Bestraffing was in strijd met internationale normen en in sommige gevallen was sprake van foltering en mishandeling van gevangenen. Weliswaar bestond de mogelijkheid om klachten in te dienen, maar gevangenen zagen van die mogelijkheid af uit angst voor repercussies door gevangenispersoneel. De Staat heeft deze omstandigheden niet weersproken en heeft evenmin weersproken dat hij ten tijde van het indienen van het rechtshulpverzoek met die omstandigheden bekend was.

De rechtbank concludeert dat [eiser 1] en [eiser 2] bij veroordeling tot gevangenisstraffen in Thailand het risico liepen dat hun rechten om niet te worden onderworpen aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing zouden worden geschonden, terwijl de Staat bekend was met dat risico.

Dan rijst de vraag of dit risico op mensenrechtenschending meebracht dat de Staat de brief van 14 juli 2014 niet had mogen versturen.

De rechtbank zal bij de beantwoording van die vraag aansluiten bij de vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens voor de beoordeling van uitleveringsverzoeken in relatie tot de mensenrechten zoals vastgelegd in het EVRM. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn arrest Soering v. the United Kingdom (7 juli 1989, 14038/88, ECLI:CE:ECHR:1989:0707JUD001403888) in het kader van uitlevering overwogen dat artikel 3 EVRM een absoluut karakter heeft. Indien sprake is van gegronde reden om aan te nemen dat een verdachte na uitlevering zal worden gemarteld, zal de uitlevering aan de verzoekende staat nauwelijks te verenigen zijn met de onderliggende waarden van het EVRM, hoe gruwelijk de vermeende strafbare feiten ook zijn. Het hof overwoog wat betreft de vraag wanneer sprake is van onmenselijk of vernederend handelen echter ook het volgende:

’89. What amounts to ‘inhuman or degrading treatment or punishment’ depends on all the circumstances of the case (see paragraph 100 below). Furthermore, inherent in the whole of the Convention is a search for a fair balance between the demands of the general interest of the community and the requirements of the protection of the individual’s fundamental rights. As movement about the world becomes easier and crime takes on a larger international dimension, it is increasingly in the interest of all nations that suspected offenders who flee abroad should be brought to justice. Conversely, the establishment of safe havens for fugitives would not only result in danger for the State obliged to harbour the protected person but also tend to undermine the foundations of extradition. These considerations must also be included among the factors to be taken into account in the interpretation and application of the notions of inhuman and degrading treatment or punishment in extradition cases.’

Tegen die achtergrond overweegt de rechtbank allereerst dat de strafvorderlijke belangen van de Staat het indienen van een rechtshulpverzoek en het versturen van de brief van 14 juli 2014 legitimeerden. [eiser 1] en [eiser 3] werden verdacht van meerdere ernstige feiten met een grensoverschrijdend karakter, waarbij grote bedragen via verschillende bankrekeningen naar het buitenland werden overgemaakt en in – onder meer – Thailand werden gebruikt om te investeren in onroerend goed. Tegen dergelijke feiten kan alleen effectief worden opgetreden als de betrokken landen elkaar voorzien van de relevante informatie en elkaar hulp verlenen bij de opsporing en vervolging van de betreffende feiten.

Er waren voorts geen reële alternatieven om de doelen te bereiken die het rechtshulpverzoek beoogde. De Staat heeft onweersproken gesteld dat uitvoering van het rechtshulpverzoek – zonder deze brief te versturen – nog vier tot zes maanden op zich zou laten wachten en dat het gevaar groot was dat het in Thailand aanwezige vermogen en bewijsmateriaal dan zou zijn verdwenen. Er was dus een belang bij spoedige uitvoering van het rechtshulpverzoek. De rechtbank is niet gebleken dat – naast de mogelijkheid om te wachten op de uitvoering van het initiële rechtshulpverzoek – de Staat nog andere mogelijkheden ten dienste stonden om een min of meer vergelijkbaar resultaat te bereiken. Een dergelijk alternatief hebben ook [eiser 1] c.s. desgevraagd niet naar voren gebracht. De stelling van [eiser 1] c.s. dat [eiser 1] bereid zou zijn geweest om naar Nederland te komen voor verhoor, is namelijk geen alternatief voor het onderzoek naar de vermogensbestanddelen in Thailand en het leggen van (conservatoir) beslag.

Verder is van belang dat, indien het rechtshulpverzoek niet zou zijn gedaan, een safe haven zou zijn ontstaan voor [eiser 1] en zijn vermogensbestanddelen, waarvan de verdenking was dat deze waren verkregen door middel van witwassen. Uit de hiervoor aangehaalde overweging van het EHRM volgt dat een risico op schending van mensenrechten in een bepaald land niet tot gevolg kan hebben dat voor een verdachte een feitelijk een safe haven wordt gecreëerd in het betreffende land. Daarbij is niet van belang

– en de rechtbank laat dan ook in het midden – of een dergelijke vrijhaven door [eiser 1] , die dat uitdrukkelijk betwist, was beoogd.

De Staat kon daarom – gelet op hiervoor aangehaalde afweging van de algemene maatschappelijke belang om tot bestraffing te komen van serieuze strafbare feiten en de individuele belangen van [eiser 1] en [eiser 2] – tot de conclusie komen dat het indienen van het rechtshulpverzoek (waarvan de brief van 14 juli 2014 deel uitmaakte) niet strijdig was met zijn verplichtingen uit (artikel 3 van) het EVRM en (artikel 7 van) het IVBPR. De Staat heeft naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig gehandeld door de brief van 14 juli 2014 te sturen, ondanks het risico voor [eiser 1] en [eiser 2] op onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing door de detentieomstandig- heden in Thailand.

Rapport Nationale Ombudsman

Het rapport van de Nationale Ombudsman leidt niet tot een andere beoordeling van het geschil. De Nationale Ombudsman geeft geen rechtmatigheidsoordeel maar een behoorlijkheidsoordeel over het optreden van de overheid. De slotsom dat overheids-optreden onbehoorlijk is geweest, betekent niet zonder meer dat dat optreden ook onrechtmatig is. Daar komt bij dat de Nationale Ombudsman bij zijn onderzoek nog niet kon beschikken over alle informatie die in deze procedure is overgelegd.

Conclusie wat betreft het rechtshulpverzoek en de brief van 14 juli 2014

De conclusie is dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door het doen van het rechtshulpverzoek, waaronder begrepen het sturen van de brief van 14 juli 2014. Er is geen sprake van een situatie waarin van aanvang af een rechtvaardiging daarvoor heeft ontbroken noch van een situatie waarin is gebleken van de onschuld van [eiser 1] .

II Informatieverstrekking door de Staat aan Thailand

[eisers] c.s. hebben aan de vordering ook ten grondslag gelegd dat de Staat onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt aan Thailand. Dit zou hebben geleid tot een onterechte veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] door de Thaise rechter.

In het kader van de samenwerking met Thailand in het strafrechtelijk onderzoek heeft de Staat informatie verstrekt aan Thailand. Op 25 november 2013 is er in Bangkok een presentatie gegeven waarin de verdenking jegens [eisers] c.s. is toegelicht. Uit de overgelegde PowerPointpresentatie blijkt dat is gesproken over de verdenking tegen The Grass Company, de strafbare feiten die in het verleden zijn geconstateerd, het verloop van het onderzoek, de hoeveelheden drugs die eerder waren aangetroffen en de geldstroom naar Thailand. Anders dan [eisers] c.s. stellen, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat deze informatie onvolledig, onjuist of misleidend was. De Staat heeft onweersproken betoogd dat bij de presentatie een mondelinge toelichting is gegeven aan de hand van spreekaantekeningen, die een vollediger beeld schetsten. Bovendien is in de presentatie – anders dan [eisers] c.s. stellen – wel degelijk benoemd dat in Nederland een gedoogbeleid geldt voor softdrugs en blijkt uit de presentatie dat de verdenking jegens [eisers] c.s. verder ging dan het enkel voorhanden hebben van een te grote voorraad softdrugs voor de coffeeshops. Het geven van deze presentatie kan dus niet worden aangemerkt als onrechtmatig jegens [eisers] c.s.

Op 8 december 2014 heeft de Staat informatie aan Thailand toegezonden, waaronder processen-verbaal over de bevindingen in het Nederlandse onderzoek naar [eisers] c.s., een kopie van het gedoogbeleid voor coffeeshops in de gemeente ’s-Hertogenbosch en het strafblad van [eiser 1] (waarop een schikking, een geldboete en enkele sepots worden vermeld). [eisers] c.s. hebben onvoldoende toegelicht dat de Staat daarmee onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt aan Thailand. Dat de in Thailand afgelegde verklaringen van Nederlandse politieambtenaren vals, onvolledig en misleidend waren, hebben [eisers] c.s. – gelet op de gemotiveerde betwisting van de Staat – eveneens onvoldoende onderbouwd. Daarbij is relevant dat het betoog van [eisers] c.s. in dit kader als vertrekpunt neemt dat de verdenking jegens [eiser 1] slechts betrekking had op zogenaamde ‘achterdeurfeiten’, waarbij de verkoop van de softdrugs gedoogd is maar de inkoop bij ‘de achterdeur’ strafbaar is. Zoals hiervoor is overwogen, had de verdenking echter betrekking op meer en ernstiger strafbare feiten, zodat in zoverre de grondslag ontvalt aan de verwijten die [eisers] c.s. de Staat maken.

III Overige verwijten

Het verwijt dat de Staat niet om de uitlevering van [eiser 1] heeft verzocht, treft evenmin doel. De Staat heeft toegelicht waarom uitlevering geen optie bleek te zijn; de Thai hadden het verzoek van de Staat tot overname van de strafvervolging door Nederland verworpen, waardoor er geen uitlevering mogelijk was. Daarbij is mede van belang dat de vordering van [eisers] om de Staat te veroordelen tot het bewerkstelligen van zijn uitlevering in twee instanties is afgewezen.

[eisers] c.s. hebben verder gesteld dat de Staat in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht. Zij hebben daarbij een beroep gedaan op strafvorderlijke richtlijnen van het OM. Deze richtlijnen zijn in dit geval echter niet van toepassing. De Aanwijzing inzake informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken bevat slechts een bevoegdheidsregeling tussen politie en OM voor het handelen bij inkomende internationale rechtshulpverzoeken. Over uitgaande rechtshulpverzoeken bepaalt deze Aanwijzing slechts dat informatie uit het buitenland mag worden gebruikt in het Nederlandse opsporingsonderzoek, tenzij sprake is van flagrante schending van essentiële rechtsbeginselen en mensenrechten (paragraaf 6). De situatie die wordt bestreken door paragraaf 6, doet zich in dit geval niet voor. De Aanwijzing wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ziet alleen op verstrekking van gegevens voor buiten het strafrecht gelegen doeleinden. Ook dit is hier niet aan de orde. Van handelen in strijd met een wettelijke plicht is dus geen sprake.

[eisers] c.s. hebben nog betoogd dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de onschuldpresumptie (zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, EVRM), omdat dit beginsel niet in acht is genomen in het contact met Thailand, dat andere maatstaven hanteert dan Nederland. [eisers] c.s. hebben daarbij verwezen naar de Richtlijn informatieverstrekking strafzaken aan media door politie en OM. Deze richtlijn was echter slechts geldig tot 1998. Voor zover [eisers] c.s. bedoeld hebben te betogen dat de Staat onvolledige of onjuiste informatie aan Thailand heeft toegezonden, wordt dit betoog verworpen met verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen. Dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de onschuldpresumptie, hebben [eisers] c.s. dan ook onvoldoende onderbouwd.

Verder hebben [eisers] c.s. aangevoerd dat de Staat inbreuk heeft gemaakt op subjectieve rechten van [eisers] c.s. Dat hebben zij echter onvoldoende onderbouwd. Waar het gaat om absolute vermogensrechten wijzen [eisers] c.s. op de roerende en onroerende goederen waarop beslag is gelegd in Thailand. Daarbij miskennen [eisers] c.s. echter dat deze goederen door de Thaise rechter onherroepelijk verbeurd zijn verklaard als gevolg van in Thailand gepleegde strafbare feiten. Het feit dat [eiser 1] en [eiser 2] op dit moment geen bankrekening kunnen openen, is – gelet op het voorgaande – niet het gevolg van onrechtmatig handelen door de Staat, maar is het gevolg van de in Thailand gepleegde strafbare feiten. Verder hebben [eisers] c.s. gesteld dat de Staat inbreuk heeft gemaakt op de integriteit van lijf en leven, hun rechten op persoonlijke vrijheid en privacy, en hun eer en goede naam. Zij hebben echter niet geconcretiseerd waarom daarvan sprake zou zijn naast de hiervoor besproken en verworpen verwijten, zodat de rechtbank een dergelijke inbreuk niet kan vaststellen.

Tot slot hebben [eisers] c.s. gesteld dat de Staat heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar zij hebben onvoldoende toegelicht waarom daarvan sprake is.

Conclusie ten aanzien van [eiser 1]

De rechtbank is van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig ten opzichte van [eiser 1] heeft gehandeld.

Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld ten aanzien van Kaenin?

[eisers] c.s. hebben aangevoerd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] door haar in de brief van 14 juli 2014 aan te merken als verdachte, terwijl zij in het rechtshulpverzoek slechts werd genoemd als getuige en er geen verdenking jegens haar bestond.

De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de brief van 14 juli 2014 onder de werking van UNTOC viel. Op grond van artikel 18, vierde lid, UNTOC kon de Staat informatie aan Thailand zenden met betrekking tot criminele activiteiten die in Thailand zouden zijn gepleegd. Er was dus een verdragsrechtelijke grondslag voor het verstrekken van de informatie ten aanzien [eiser 2] , ondanks het feit dat zij uitsluitend de Thaise nationaliteit had en niet officieel als verdachte was aangemerkt in het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek.

De rechtbank stelt verder vast dat in het rechtshulpverzoek aan Thailand inderdaad werd gevraagd om [eiser 2] als getuige te horen. In het rechtshulpverzoek werd echter ook vermeld dat uit informatie van de Thaise politie naar voren zou zijn gekomen dat de ondernemingen van [eiser 1] in Thailand eind 2013 op naam zijn gezet van [eiser 2] . Verder zou een Porsche Cayenne, die vanuit Thailand naar Nederland was verscheept en weer terug naar Thailand zou gaan, op naam staan van [eiser 2] . Deze informatie gaf reden tot het vermoeden dat waardevolle goederen op naam van een ander (nl. [eiser 2] ) waren gezet met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen. In het rechtshulpverzoek werd verder gevraagd om onderzoek te doen naar bankrekeningen die bij [eiser 2] in gebruik waren en beslag te leggen op gegevens en documenten die betrekking hadden op eigendom, vermogen, investeringen en geldstromen van [eiser 1] en [eiser 2] .

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de zinsnede ‘His Thai wife, Miss [eiser 2] , may have involvement in the crime commission with [eiser 1] as well’ in de brief van 14 juli 2014 berustte op feitelijke informatie die al in het rechtshulpverzoek aan Thailand was verstrekt. De stelling dat tegen haar geen verdenking bestond, is dus onjuist. Namens haar zijn (verder) geen stellingen ingenomen in het kader van de ‘gebleken onschuld-grond’. Van onrechtmatig handelen door de Staat jegens [eiser 2] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

De vordering van [eiser 3]

[eiser 3] heeft vergoeding gevorderd van schade die hij heeft geleden als gevolg van de detentie van [eiser 1] en [eiser 2] . Hij heeft niet gesteld dat de Staat ook ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld. Nu de rechtbank oordeelt dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser 1] en [eiser 2] , zal ook de vordering van [eiser 3] worden afgewezen.

Proceskosten

[eisers] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten, inclusief de kosten van de voorlopig getuigenverhoren, van de Staat worden begroot op:

- griffierecht

6.617,00

- salaris advocaat

32.417,00

(7 punten × € 4.631,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

39.223,00

6. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af;

veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten van € 39.223,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. D.E. Alink en mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?