ECLI:NL:RBDHA:2026:21074

ECLI:NL:RBDHA:2026:21074

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-07-2026
Datum publicatie 28-07-2026
Zaaknummer C/09/708437 FT RK 26-393, C/09/708440 FT RK 26-395, C/09/708436 FT RK 26-392 en C/09/708438 FT RK 26-394
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afwijzing homologatieverzoek (Whoa). Schuldeisers onvoldoende concreet en transparant geïnformeerd en nakoming van het akkoord onvoldoende gewaarborgd. Afwijzingsgronden art. 384 lid 2 onder c en e Fw van toepassing.

Uitspraak

Rechtbank DeN haag

vonnis

Team Toezicht – meervoudige kamer

verzoek tot homologatie van een akkoord en verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening

rekestnummers: C/09/708437 FT RK 26-393, C/09/708440 FT RK 26-395, C/09/708436 FT RK 26-392 en C/09/708438 FT RK 26-394

uitspraakdatum: 17 juli 2026 (bij vervroeging)

vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) en op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 379 Fw in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 1] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna afzonderlijk: [verzoekster 1],

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 2] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna afzonderlijk: [verzoekster 2],

hierna gezamenlijk: verzoeksters,

advocaat: mr. R.R.G.M. van Beurden.

1. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de beschikking van 7 april 2026 waarin een afkoelingsperiode voor een periode van twee maanden is afgekondigd, ingaande op 7 april 2026, en de daarin genoemde stukken;

- de beschikking van 26 juni 2026 waarin het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode is afgewezen;

- het stemverslag als bedoeld in artikel 382 Fw, ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd op 24 juni 2026;

- een aanvulling op het stemverslag als bedoeld in artikel 382 Fw, ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd op 29 juni 2026;

- het op 3 juli 2026 ingekomen verzoekschrift op grond van artikel 383 lid 1 Fw en artikel 379 Fw met zeventien producties met het verzoek tot homologatie van het door verzoeksters aangeboden akkoord en met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

- de beschikking van 7 juli 2026 betreffende de dagbepaling voor de behandeling van het homologatieverzoek;

- de e-mail van de advocaat van verzoeksters van 12 juli 2026 met bijgevoegd productie 18 bij het homologatieverzoek;

- de e-mail van de advocaat van verzoeksters van 13 juli 2026 met bijgevoegd producties 19 en 20 bij het homologatieverzoek.

De verzoeken zijn door middel van een online videoverbinding in raadkamer behandeld en nader toegelicht op 14 juli 2026. Bij de behandeling zijn verschenen en gehoord:

mr. R.R.G.M. van Beurden, advocaat,

[naam 1], indirect bestuurder van verzoeksters,

[naam 2], accountant,

[naam 3], namens schuldeiser [bedrijfsnaam] B.V., en

[naam 4], schuldeiser.

De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op 28 juli 2026 met aankondiging dat indien mogelijk de uitspraak bij vervroeging zal worden gedaan.

2. Het verzoek

Verzoeksters exploiteren een café-restaurantbedrijf in het stadscentrum van Den Haag, waar zij sinds 1998 gevestigd zijn. Als gevolg van de uitbraak van het coronavirus en de om die reden door de overheid toentertijd genomen maatregelen, hebben verzoeksters sindsdien een aanzienlijke schuldenlast opgebouwd. Na de coronapandemie liepen de schulden verder op, onder meer door sterk stijgende energieprijzen en personeelskosten, inflatie, personeelstekorten en een terugloop in consumentenbestedingen en bezoek. Om een faillissement te voorkomen, hebben verzoeksters zich genoodzaakt gezien hun schulden te herstructureren. In dat verband hebben verzoeksters op 15 mei 2026 een ontwerpakkoord en vervolgens op 11 juni 2026 een akkoord aan hun schuldeisers voorgelegd.

De crediteuren zijn tot en met 22 juni 2026 in de gelegenheid gesteld hun stem uit te brengen. In het akkoord zijn de crediteuren van [verzoekster 1] in vijf klassen ingedeeld, te weten:

klasse 1, zijnde de preferente schuldeisers,

klasse 2, zijnde de dwangcrediteuren,

klasse 3, zijnde de (overige) concurrente schuldeisers,

klasse 4, zijnde de achtergestelde crediteuren, en

klasse 5, zijnde de aandeelhouder.

De crediteuren van [verzoekster 2] zijn ingedeeld in drie klassen, te weten:

klasse 1, zijnde de preferente schuldeiser,

klasse 2, zijnde de dwangcrediteur, en

klasse 3, de resterende concurrente schuldeiser.

Uit het stemverslag blijkt volgens verzoeksters dat vier van de vijf klassen hebben ingestemd met het akkoord, nu de voorstemmers in die vier klassen twee derden vertegenwoordigen van het totale bedrag aan vorderingen behorend tot de schuldeisers die binnen hun klasse een stem hebben uitgebracht. In klassen 1, 4 en 5 is volgens verzoeksters sprake van een honderd procent instemming en in klasse 2 is dat 88,5%. In klasse 3 hebben 12 van de 21 stemgerechtigde schuldeisers niet gestemd en heeft één schuldeiser tegengestemd, te weten [bedrijfsnaam] B.V. Ook zijn in deze klasse drie voorstemmen ná sluiting van de stemtermijn binnengekomen die daarom niet in de telling zijn meegenomen.

Verzoeksters vragen de rechtbank om het akkoord dat zij aan hun schuldeisers hebben aangeboden te homologeren. Ook vragen zij de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe hebben verzoeksters onder meer het volgende naar voren gebracht.

Het homologatieverzoek

Ruim 94% van alle klassen heeft ingestemd met het akkoord, met als belangrijkste de belastingdienst als schuldeiser die bij faillissement van verzoeksters naar verwachting een uitkering tegemoet kan zien en die 68% van de te herstructureren schuldenlast vertegenwoordigt. Het draagvlak voor het akkoord is dus zeer groot. Het akkoord bevat alle vereiste informatie zoals omschreven in artikel 375 Fw en de stemming is correct uitgevoerd. Verzoeksters willen de onderneming na herstructurering op een financieel gezonde wijze voortzetten. Hoewel de prognoses voor het eerste halfjaar niet zijn behaald, verwachten verzoeksters dat de financiële resultaten van de onderneming in de komende periode aanzienlijk zullen verbeteren. Dit houdt verband met het feit dat inmiddels voldoende inzicht bestaat in de redenen waarom de prognoses voor het eerste halfjaar niet zijn behaald. Om zoveel mogelijk omzet te genereren heeft de bestuurder destijds teveel geld uitgegeven aan onder andere reclamekosten en entertainment. Daar wordt vanaf nu flink op bezuinigd. Daarnaast zijn twee personeelsleden vertrokken, terwijl hun functies niet opnieuw worden ingevuld. Verzoeksters zijn er derhalve van overtuigd dat met deze maatregelen de kosten op orde worden gebracht en dat uit de cashflow zowel de lopende verplichtingen, als de Whoa-verplichtingen kunnen worden voldaan. De komende periode zal tevens worden bezien of het aantrekken van een financiering toch nog mogelijk blijkt.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening

De gelaste afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 Fw is per 7 juni 2026 van rechtswege geëindigd. Een verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode heeft de rechtbank vervolgens bij beschikking van 26 juni 2026 afgewezen. Sinds 7 juni 2026 is de wettelijke bescherming tegen verhaalsacties, beslagen en faillissementsaanvragen daardoor volledig komen te vervallen. De continuïteit van de onderneming hangt sindsdien aan een zijden draad. Verzoeksters hebben de rechtbank daarom aanvankelijk verzocht een voorlopige voorziening te treffen, zijnde “tijdelijke herleving c.q. handhaving van de rechtsgevolgen van de afkoelingsperiode voor de duur van de homologatieprocedure tot aan de dag van de definitieve uitspraak op dit verzoekschrift.” Ter zitting is namens verzoeksters echter te kennen gegeven dat er geen belang of noodzaak is bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, indien de rechtbank uiterlijk in de week van 13 juli 2026 uitspraak op het homologatieverzoek zal doen.

Reactie tegenstemmende schuldeiser

[bedrijfsnaam] B.V. is de enige tegenstemmende schuldeiser. Ter zitting heeft de heer [naam 3] namens deze schuldeiser het standpunt kenbaar gemaakt. Kort gezegd vindt hij het aanbod te laag. [bedrijfsnaam] B.V. is een kleine onderneming en leent afwaspersoneel uit aan [verzoekster 1]. Het had op de weg van [verzoekster 1] gelegen om direct na een eerste maand van financiële problemen aan de bel te trekken en kenbaar te maken dat zij de rekeningen niet meer kon betalen. In plaats daarvan is [verzoekster 1] gebruik blijven maken van de diensten van [bedrijfsnaam] B.V., terwijl zij wist of behoorde te weten dat zij de rekeningen niet meer zou kunnen voldoen.

3. De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid

Nu de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Fw eveneens bevoegd kennis te nemen van de voorliggende verzoeken.

Ontvankelijkheid

Een homologatieverzoek kan worden gedaan als ten minste één klasse van schuldeisers met het akkoord heeft ingestemd (artikel 383 lid 1 Fw). Dit dient een klasse te zijn die bestaat uit schuldeisers die bij faillissement van de schuldenaar naar verwachting een uitkering tegemoet kunnen zien (‘in the money’ zijn). In het akkoord waarvan de homologatie wordt verzocht is dat het geval, zodat verzoeksters ontvankelijk zijn in hun verzoek tot homologatie.

Afwijzingsgronden

Ingevolge artikel 384 lid 1 Fw wijst de rechtbank een verzoek tot homologatie toe, tenzij zich één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met 4 Fw voordoet. Omdat er geen stemgerechtigde schuldeisers zijn die op grond van lid 3 of lid 4 van artikel 384 Fw een verzoek tot afwijzing hebben gedaan, zal de rechtbank het akkoord alleen toetsen aan de algemene afwijzingsgronden van artikel 384 lid 2 Fw.

Informatie over de financiële positie van verzoeksters

Een homologatieverzoek wordt op grond van artikel 384 lid 2 sub c Fw afgewezen als in het akkoord of de daaraan gehechte bescheiden niet alle in artikel 375 Fw genoemde informatie wordt verstrekt. Zonder voldoende inzicht in de financiële situatie van de schuldenaar, de voorgestelde herstructurering en de consequenties daarvan voor hun positie, kunnen schuldeisers geen geïnformeerde beslissing nemen. De verstrekte informatie dient volledig en van voldoende kwaliteit te zijn.

Een belangrijk uitgangspunt is dat het aan de schuldeisers is voorbehouden om de kwaliteit van de informatie te beoordelen. Wanneer de schuldeisers vinden dat zij onvoldoende zijn geïnformeerd, zullen zij in de regel tegen het akkoord stemmen. Het is niet de taak van de rechtbank om de bij het akkoord gegeven informatie goed te keuren. Maar, als de rechtbank tekortkomingen constateert of daarop wordt gewezen, kan dit aanleiding zijn om de homologatie te weigeren. In dit geval hebben de schuldeisers in ruime meerderheid voor het akkoord gestemd. De rechtbank is desondanks van oordeel dat de informatie in het akkoord niet toereikend was.

Het aanbod van verzoeksters houdt in dat zij over een periode van 18 maanden na homologatie het aangeboden akkoordbedrag betalen uit de operationele geldstroom van de onderneming. Bij het homologatieverzoek is een deskundigenrapport gevoegd waarin wordt benoemd dat verzoeksters, na herstructurering, in staat zouden zijn voldoende kasstroom te genereren om het akkoordbedrag te kunnen betalen. Bij het deskundigenrapport is een liquiditeitsprognose gevoegd over de periode januari 2026 t/m december 2027, die gebaseerd is op de verwachte winstgevendheid, investeringen en mutaties in het werkkapitaal. In die liquiditeitsprognose wordt aangenomen dat de winstgevendheid van de onderneming over de periode 2026 en 2027 significant toeneemt. De belangrijkste reden daarvoor is volgens de deskundige een wijziging in het businessmodel in 2025. De focus ligt sinds 2025 op partijenomzet en dat zou de sleutel zijn tot een goed verdienmodel. De verwachte bedrijfskosten zijn gebaseerd op de voorgaande jaren.

Uit de door verzoeksters aangeleverde financiële gegevens en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat verzoeksters de aan de schuldeisers verstrekte prognoses over de periode januari t/m juni 2026 niet hebben gehaald. De onderneming is in deze periode verlieslatend geweest. Er zijn kosten gemaakt waar onvoldoende financiële ruimte voor was en de omzet viel tegen. Deze informatie is bij de aanbieding van het akkoord op 11 juni 2026 niet met de schuldeisers gedeeld.

Verzoeksters hebben een e-mailbericht overgelegd van hun accountant van 11 juli 2026 waarin wordt bevestigd dat de cashflow uit de liquiditeitsprognose over het eerste halfjaar 2026 niet gehaald is. De accountant verwacht dat de omzetprognose over het tweede halfjaar van 2026 gehaald zal worden. Hij heeft echter wel zorgen of verzoeksters de cashflow conform de liquiditeitsprognose daadwerkelijk zullen gaan halen. De vaste kosten zijn in de eerste helft van 2026 gestegen. Om de liquiditeitsprognose te kunnen halen zullen verzoeksters volgens de accountant in de kosten moeten snijden door de personeelskosten te verlagen, efficiënter om te gaan met marketingkosten en door vaste overhead- en kantoorkosten en andere kosten te verlagen.

Dit is dus een heel ander uitgangspunt dan blijkt uit het deskundigenrapport van dezelfde accountant dat aan de schuldeisers is verstrekt. Daaruit blijkt dat een kostenreductie niet noodzakelijk was en dat door een omzetverhoging (focus op partijomzet) het mogelijk zou zijn om de benodigde liquiditeiten voor het akkoord te realiseren. Nieuwe herstructureringsmaatregelen blijken nu echter noodzakelijk. Schuldeisers zijn daarvan niet op de hoogte gesteld en hebben dat niet kunnen meewegen bij het uitbrengen van hun stem, terwijl dit voor het bepalen van hun positie van wezenlijk belang is.

De nieuwe herstructureringsmaatregelen zijn volgens de accountant door de bestuurder reeds in gang gezet. Er vindt een grondige analyse van de marketingkosten plaats om kostenbesparing te realiseren en onnodige uitgaven te schrappen. Dit zou een besparing opleveren van € 6.000 per jaar. Er is afscheid genomen van twee dure fulltime krachten die vervangen worden door goedkopere parttime krachten. Dit zou een besparing opleveren van € 18.000 per jaar. De prijzen zijn iets verhoogd wat zou moeten leiden tot extra omzet. De inkoop van dranken en bier wordt verder geoptimaliseerd door scherper in te kopen en dat zou leiden tot een extra besparing van € 6.000 per jaar. Daarnaast vallen in het tweede halfjaar de Whoa-kosten weg en verwachten verzoeksters het komende jaar geen investeringen meer te hoeven doen.

Door verzoeksters wordt onvoldoende onderbouwd of toegelicht hoe deze maatregelen geïmplementeerd worden en wat voor de komende 18 maanden het effect op de liquiditeitsprognose dan zal zijn. In het kader van de homologatie wordt een geheel nieuw en niet onderbouwd herstructureringsplan geopperd, waarvan de schuldeisers geen weet hebben. Dat de herstructurering die in 2025 in gang is gezet door de gewijzigde focus op partijomzet niet het gewenste effect heeft gehad (omdat ook de kosten zijn toegenomen), is niet met de schuldeisers gedeeld.

Schuldeisers hadden ten tijde van de stemming naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht in de financiële situatie van verzoeksters en waren ook niet op de hoogte van de benodigde nieuwe herstructurering en de consequenties daarvan voor hun positie. Zij konden dus geen geïnformeerde beslissing nemen. De in het akkoord verstrekte informatie is niet volledig en van onvoldoende kwaliteit.

Waarborging nakoming van het akkoord

Daarbij komt dat de nakoming van het akkoord onvoldoende is gewaarborgd en dat daarom ook niet is voldaan aan het vereiste van artikel 384 lid 2 sub e Fw. Zoals uit het voorgaande blijkt, is de onderneming van verzoeksters tot op heden verlieslatend en is onduidelijk wat het effect zal zijn van de voorgenomen (nieuwe) herstructurering. Uit het akkoord blijkt dat financiering van het akkoordbedrag vooralsnog plaatsvindt over een periode van 18 maanden uit de operationele geldstroom na homologatie van het akkoord. Dat de onderneming in staat is om voldoende kasstromen te genereren blijkt niet uit de financiële gegevens die zijn verstrekt. Verzoeksters onderzoeken de mogelijkheid om (een deel van) het akkoordbedrag extern te financieren, teneinde de uitkering aan schuldeisers versneld te kunnen voldoen. Verzoeksters zouden in gesprek zijn daarover met diverse financiers. Of en zo ja, onder welke voorwaarden een externe financiering na homologatie mogelijk is, is echter op geen enkele wijze nader onderbouwd of toegelicht.

Uit het akkoord blijkt ook niet op welk moment schuldeisers enige betaling onder het akkoordbedrag tegemoet kunnen zien. Ter zitting is door de bestuurder toegelicht dat dit zal afhangen van de liquiditeit die maandelijks beschikbaar zal komen. Hij verwacht in december een eerste uitkering te kunnen doen omdat dat een drukke periode is waarin veel omzet wordt gedraaid. Theoretisch zou het ook zo kunnen zijn dat de schuldeisers pas na 18 maanden betaald krijgen. Als na 18 maanden blijkt dat er geen liquiditeiten gerealiseerd zijn, dan krijgen zij niets. Omdat het akkoord zo onduidelijk is over de nakoming ervan, kunnen de schuldeisers eigenlijk pas na 18 maanden de balans opmaken of er een tekortkoming in de nakoming is geweest of niet. Al die tijd kan het akkoord dan niet worden ontbonden. Verzoeksters krijgen dus door middel van het akkoord eigenlijk 18 maanden uitstel van betaling, zonder dat voor schuldeisers op enige wijze is gewaarborgd dat zij tijdens of na afloop van deze periode iets betaald krijgen. De rechtbank is van oordeel dat de nakoming van het akkoord daarmee onvoldoende is gewaarborgd.

Conclusie

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat verzoeksters de schuldeisers tot wie het akkoord zich richt onvoldoende correct en onvoldoende transparant hebben geïnformeerd en dat de nakoming van het akkoord onvoldoende is gewaarborgd. De afwijzingsgronden zoals bedoeld in artikel 384 lid 2 onder c en e Fw zijn van toepassing. De rechtbank kan er niet van uitgaan dat sprake is van omissies die redelijkerwijs niet tot een andere stemming zouden hebben kunnen leiden, gezien de aard en ernst van de tekortkomingen. Het homologatieverzoek zal daarom worden afgewezen.

Gelet op hetgeen aan de orde gekomen onder rechtsoverweging 2.6. van dit vonnis, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 379 Fw als ingetrokken beschouwen.

4. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot homologatie van het akkoord af;

- beschouwt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als ingetrokken.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Mundt, voorzitter, mr. M.D.E. Leppens en mr. M.W. Koenis, rechters, en in aanwezigheid van mr. M.Y.P.M. Zeeman, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L. Mundt
  • mr. M.D.E. Leppens
  • mr. M.W. Koenis

Griffier

  • mr. M.Y.P.M. Zeeman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl INS-Updates.nl 2026-0189
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand