RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van met zaaknummer C/09/684729 / HA ZA 25-394
1. [curator 1] Q.Q. en
2. [curator 2] Q.Q.,
beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van
DE COÖPERATIE TELERSCOÖPERATIE FRESQ U.A. IN LIQUIDATIE te Den Haag,eisende partij,
advocaat: mr. R.J.H. Berghuis,
tegen
[gedaagde] B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. J.M.A. Wintgens-van Luijn.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als Curatoren en [gedaagde] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot voeging van 24 april 2025 met producties 1 tot en met 58;
- het tussenvonnis in incident van 11 juni 2025 waarin is bepaald dat de onderhavige procedure wordt gevoegd met de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/684726 / HA ZA 25-393;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 44;
- het tussenvonnis van 10 december 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de akte overlegging producties van Curatoren, met producties 59 t/m 76;
- de akte nadere uitlating van [gedaagde] van 13 mei 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] was tot recent een grote teler van tomaten. [gedaagde] handelde onder verschillende handelsnamen voor verschillende nevenactiviteiten, waaronder de handelsnaam Red Star Trading waar het ging om de verpakking van tomaten.
[naam 1] was in de periode tot 1 januari 2013 bestuurder en één van de (middellijk) aandeelhouders van [gedaagde] . [naam 2] was in de relevante periode tot 1 januari 2013 ook bestuurder van [gedaagde] en ook één van de (middellijk) aandeelhouders van [gedaagde] .
De coöperatieve vereniging Telerscoöperatie FresQ U.A. (hierna: FresQ) was een coöperatie van telers van groenten en fruit. De leden van FresQ (ongeveer 150 in 2012) waren actief in de teelt van met name tomaten en paprika’s. Eén van de leden van FresQ was [gedaagde] .
[naam 1] was één van de bestuursleden van FresQ.
De heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) was algemeen directeur van FresQ in de relevante periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013.
Bij FresQ werden meerdere verkoopkanalen gebruikt voor de verkoop van de door de leden geteelde producten, waarbij de verkoop plaatsvond via zes zogeheten verkoopdochters. FresQ was van alle zes de verkoopdochters (in)direct enig aandeelhouder. Elke verkoopdochter had een eigen bestuur en verkoopmedewerkers in dienst. Eén van de verkoopdochters was Red Star B.V. Red Star B.V. verkocht in de periode tot 1 januari 2010 uitsluitend de tomaten die werden geteeld door [gedaagde] . Binnen FresQ werd Red Star B.V. daarom ook wel aangeduid als een éénmanssegment. Verkoopdochters die tomaten verkochten van meerdere telers werden ook wel aangeduid als meermanssegment.
FresQ was tevens enig aandeelhouder van FresQ Holding B.V. die op haar beurt weer aandeelhouder en bestuurder was van negen dochtervennootschappen (de zogenaamde vastgoeddochters). De vastgoeddochters waren eigenaar van gebouwen en soms daarin geïnstalleerde machines die werden gebruikt voor opslag of verpakking van door de leden geteelde producten.
[naam 2] was tot 1 januari 2010 tevens bestuurder van Red Star B.V.
Relevante wetgeving
Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (hierna: de GMO-Verordening) maakt het mogelijk voor landbouwondernemingen in verschillende sectoren, waaronder landbouwondernemingen in de sector groenten en fruit, om samen te werken door middel van zogenaamde producentenorganisaties. Aan producentenorganisaties kunnen op basis van de GMO-Verordening communautaire financiële steun worden toegekend (subsidie). Om voor subsidie in aanmerking te komen dient een producentenorganisatie onder meer te worden erkend. Een producentenorganisatie wordt erkend als deze aan de zogeheten erkenningscriteria voldoet (voor de relevante periode zijn deze nader uitgewerkt in titel III, hoofdstuk 1 van Uitvoeringsverordening 543/2011).
In 1997 is (de rechtsvoorganger van) FresQ erkend als producentenorganisatie. De verkoopdochters van FresQ waren zelf geen erkende productenorganisaties, maar op grond van hun statuten namens FresQ belast met de verkoop van een deel van de opbrengst van telers. Een dergelijke werkwijze is in overeenstemming met de toepasselijke Europese wetgeving, op voorwaarde dat FresQ er op toeziet dat de verkoopdochters in lijn met de erkenningscriteria opereren.
Artikel 114 van Verordening 543/2011 bepaalt dat de erkenning van een producentenorganisatie die opzettelijk of uit grove nalatigheid een ernstige inbreuk op de erkenningscriteria pleegt, door de lidstaten wordt ingetrokken. De intrekking werkt terug tot op het moment dat niet meer aan de erkenningscriteria wordt voldaan. De met terugwerkende kracht onverschuldigd betaalde subsidies dienen op grond van artikel 123 van dezelfde verordening met rente te worden terugbetaald aan het Europees Landbouwgarantiefonds.
Op grond van artikel 58 van Verordening 1306/2013 is Nederland als lidstaat gehouden om zich maximaal in te spannen om de ten onrechte uitbetaalde subsidies terug te vorderen. Tussen de EU en Nederland vindt een jaarlijkse afrekening plaats. In het kader van die afrekening geldt als hoofdregel dat, in de verhouding tussen Nederland en de EU, eventuele schade uit hoofde van teruggevorderde, maar niet inbare subsidies, bij helfte tussen Nederland en de EU wordt gedeeld.
In de relevante periode was de uitvoering van de integrale GMO-Verordening in Nederland opgedragen aan het Productschap Tuinbouw (hierna: het Productschap). Het Productschap was onder meer belast met, ter uitvoering van de GMO-Verordening, het vaststellen van regels en het houden van toezicht op de naleving van de vereisten door de producentenorganisaties. Per 1 januari 2014 zijn de taken van het Productschap overgegaan op de Staat. Het Productschap is ontbonden met ingang van 1 januari 2015. Op grond van artikel XXXVII, lid 1, van de Wet opheffing bedrijfslichamen, zijn alle vermogensbestanddelen van het Productschap overgegaan op de Staat. De Staat heeft de uitvoering van de GMO-Verordening ondergebracht bij RVO.
Raamovereenkomsten en projectovereenkomsten
FresQ voerde ten behoeve van haar leden een operationeel programma uit en maakte daarbij aanspraak op subsidie. Het operationeel programma omvatte het maken van kosten onder andere ten behoeve van afvalscheiding en milieu en het doen van investeringen in faciliteiten. De investeringen in faciliteiten omvatten investeringen in roerende en onroerende zaken op de locatie(s) van het lid of de leden.
Ten aanzien van de kosten ten behoeve van afvalscheiding en milieu kwamen tussen FresQ en individuele leden steeds zogenaamde raamovereenkomsten tot stand. Deze raamovereenkomsten waren standaardovereenkomsten die er toe strekten om FresQ een overeenkomst met een derde te laten sluiten ten behoeve van een lid. De raamovereenkomsten kenden een systeem dat er in de kern op neerkwam dat FresQ bepaalde of en in hoeverre Europese steun voor de kosten werd aangevraagd. Slechts als Europese steun werd ontvangen, kwam deze ten goede aan het lid. Daarbij gold op grond van de raamovereenkomsten bovendien dat inhouding of terugvordering van Europese steun jegens FresQ voor rekening en risico kwamen van het lid, behalve “ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ”.
Ten aanzien van de investeringen in faciliteiten kwamen zogenaamde projectovereenkomsten tot stand. Deze projectovereenkomsten werden gesloten tussen FresQ en een categorie van leden alsmede – indien het ging om een investering in onroerende zaken – een vastgoeddochter. De projectovereenkomsten bevatten algemene bepalingen en bepalingen omtrent de categorie. Voorts bevatten de projectovereenkomsten bepalingen op grond waarvan de faciliteit vervaardigd of gekocht werd door FresQ dan wel een vastgoeddochter van FresQ. In ieder geval na afloop van het operationeel programma kon de faciliteit vervreemd worden. De (leden van de) categorie had(den) een eerste recht van koop van de faciliteit tegen de waarde in het economisch verkeer. Als de koopoptie niet werd uitgeoefend, mocht FresQ of de vastgoeddochter de faciliteit aan een derde vervreemden.
Ook bij de projectovereenkomst gold dat als geen subsidie werd verkregen voor een faciliteit, dit voor rekening en risico kwam van de categorie. Ten aanzien van inhouding of terugvordering van subsidie volgt uit de projectovereenkomsten dat dit voor rekening en risico komt van de categorie, behalve “ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ”. In het geval dat een vastgoeddochter bij het project betrokken was bevatte de projectovereenkomst ook een systeem op grond waarvan de vastgoeddochter in geval van een terugvordering jegens FresQ van subsidie gehouden is een corresponderend bedrag aan FresQ te betalen.
De heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ) functioneerde binnen FresQ in de periode van 2009 tot en met 2011 als afdelingshoofd Projecten, waaronder GMO-projecten.
Controle van de Europese Commissie
In de periode van 24 tot en met 28 september 2007 heeft de Europese Commissie controles verricht bij Nederlandse telersverenigingen. Daarbij ging zij na of de in de jaren 2005, 2006 en 2007 gedane uitgaven in overeenstemming waren met de steunregelingen voor telersverenigingen. Op 15 en 16 november 2007 zijn door de Europese Commissie extra controles verricht bij FresQ en een aantal daarbij aangesloten leden. Na mededelingen van de resultaten aan Nederland en een bemiddelingsprocedure heeft de Commissie bij Uitvoeringsbesluit 2011/244/EU van 15 april 2011 door Nederland gedeclareerde uitgaven aan EU-financiering onttrokken voor een bedrag van € 22.691.407,79 voor onder meer de in de jaren 2006, 2007 en 2008 door telersvereniging FresQ in het kader van haar operationele programma’s gemaakte kosten.
Nederland heeft tegen dit besluit van de Europese Commissie beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. Bij arrest van 16 september 2013 heeft het Gerecht dit verworpen (Nederland/Commissie, T‑343/11, ECLI:EU:T:2013:468). Het Gerecht is onder meer tot de conclusie gekomen dat de verkoop van de producten door verkoopdochters die in handen zijn van FresQ, maar ten aanzien waarvan de Nederlandse regering niet heeft aangetoond dat zij onder het toezicht en de leiding van FresQ optreden, niet kan worden geacht in overeenstemming te zijn met het Unierecht, waarin is bepaald dat de telersvereniging zelf de stuwende kracht moet zijn bij de afzet van de producten van haar leden. Geen bewijs is geleverd dat sprake is van een telersvereniging in de zin van het Unierecht. Bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 november 2014 (Nederland/Commissie, C-610/13 P, ECLI:EU:C:2014:2349) is de door Nederland ingestelde hogere voorziening afgewezen.
De controles door de Europese Commissie en de uitkomsten daarvan hebben het Productschap aanleiding gegeven FresQ onder verscherpt toezicht te plaatsen. In dat kader is FresQ door het Productschap erop gewezen dat zij op verschillende punten, onder meer op het punt van de prijsvaststelling door verkoopdochters, veranderingen diende door te voeren.
Plan van aanpak
FresQ heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om alsnog te voldoen aan de erkenningscriteria. Daarbij zijn met betrekking tot FresQ Red Star twee mogelijkheden onderzocht: (i) Red Star wordt onderdeel van een ander segment, te weten FresQ Rainbow Growers Group of (ii) verbreding van het FresQ Red Star segment door het toetreden van nieuwe leden. Op 1 oktober 2009 heeft het bestuur van FresQ met vijf stemmen voor (waaronder van [naam 1] ), en drie stemmen tegen, gekozen voor de tweede mogelijkheid.
Op 23 december 2009 heeft FresQ een plan van aanpak vastgesteld om te borgen dat in de toekomst wel aan de erkenningscriteria wordt voldaan (hierna: het Plan van Aanpak). In het Plan van Aanpak staat, voor zover relevant, het volgende:
- Management van de verkoopdochter:
Het management en de organisatie van de verkoopdochter wordt aangepast:
1. De verkoopdochters worden aangestuurd door een verkoopleider/sales manager die centraal vanuit de coöperatie wordt aangestuurd.
2. De leiding van de FresQ verkoopdochters wordt opnieuw georganiseerd.
- Verduidelijken van de regiefunctie van FresQ:
Middels een FresQ beleidsplan worden de verkoop- en marketingverantwoordelijkheden in de totale organisatie verduidelijkt. Hieruit zal een beleidsplan per verkoopdochters worden opgesteld.
FresQ stelt een commercieel directeur aan die vanuit de coöperatie de centrale regie voert en verantwoordelijkheid draagt over de omzet en afzet van het product.
De vaststelling van de dagelijkse verkoopprijs vindt plaatst bij de FresQ verkoopdochter onder leiding van de verkoopleider/salesmanager.
De kaders waarbinnen de verkoopleider opereert worden door de commercieel directeur opgesteld.
Met betrekking tot het Red Star segment staat in het Plan van Aanpak dat het segment met ingang van 1 januari 2010 zal worden omgevormd tot een meermanssegment met vijf leden onder de naam FresQ Red Star.
Het Productschap heeft het Plan van Aanpak beoordeeld en akkoord bevonden.
Het Productschap heeft een extern onderzoeksbureau onderzoek laten doen naar de aangepaste organisatie van FresQ en de vraag of de in het Plan van Aanpak aangekondigde wijzingen correct zijn doorgevoerd. De conclusie van het rapport van 4 juni 2010 luidt dat FresQ “een goed functionerend en effectief systeem voor het vaststellen van aanbod en afzet, marktontwikkeling, democratische controle en telerscontrole heeft opgezet en onderhouden conform de eisen van Circulaire GMO erkenning GMO-014 2009 van 23 december 2009”.
De nieuwe organisatie van FresQ Red Star
[naam 2] is teruggetreden als enig statutair bestuurder van FresQ Red Star. Met ingang van 1 januari 2010 is [naam 5] tot enig statutair bestuurder benoemd.
Met ingang van 1 januari 2010 zijn als nieuwe leden tot FresQ Red Star toegetreden de maatschap [maatschap 1] , [naam 6] (hierna: [naam 6] ), de maatschap [maatschap 2] en Red Growers Westland B.V.
Met ingang van 25 oktober 2010 is tot FresQ Red Star toegetreden 3rd Generation B.V. en op enig moment in 2011 Fresunto B.V. De maatschap [maatschap 2] is uitgetreden per 1 januari 2012.
Op 10 november 2010 is binnen FresQ Red Star Telersvereniging Exsento (hierna: Exsento) opgericht. Het doel van Exsento was het verenigen van alle telers die samen het verbrede Red Star segment zouden gaan vormen.
Nieuwe controle
Op enig moment is het Productschap door een anonieme melder gewezen op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5895). De procedure betrof een geschil tussen [naam 6] en FresQ Red Star. Uit de uitspraak komt het beeld naar voren dat [gedaagde] uitbetaalprijzen van de andere telers van het FresQ Red Star segment vaststelde of daar invloed op kon uitoefenen. De uitspraak van de voorzieningenrechter is voor het Productschap mede aanleiding geweest om aanvullend onderzoek te doen. Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het Productschap de erkenning van FresQ als producentenorganisatie geschorst met ingang van 28 augustus 2012 voor maximaal een jaar.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft vervolgens op verzoek van het Productschap onderzoek verricht. De resultaten van het onderzoek door de NVWA zijn neergelegd in drie rapporten van respectievelijk 30 maart 2013, 20 juni 2013 en 21 juni 2013.
Het Productschap heeft bij besluit van 23 augustus 2013 de erkenning van FresQ als producentenorganisatie met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 28 november 2014 ongegrond verklaard. Het Productschap heeft – kort samengevat – aan de intrekking ten grondslag gelegd dat FresQ ernstige inbreuk heeft gemaakt op:
(i) de voorwaarde dat FresQ de doelstelling moet nastreven om de productiekosten te optimaliseren en de productieprijzen te stabiliseren;
(ii) de eis van democratische controle, dat wordt voorkomen dat één of meer leden van FresQ misbruik maken van hun macht of invloed uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van de producentenorganisatie;
(iii) de eis dat FresQ verantwoordelijk dient te blijven voor de uitvoering van de uitbestede activiteit, voor de algemene beheerscontrole en voor het toezicht op de voor de uitvoering van de uitbestede activiteit getroffen commerciële regeling.
Uit het besluit volgt verder dat de bovengenoemde inbreuken op de erkenningscriteria het gevolg zijn van grove nalatigheid van FresQ. Als gevolg van het besluit kan FresQ met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 geen aanspraak maken op financiële steun voor de uitvoering van een operationeel programma. In het besluit wordt geconstateerd dat reeds uitgekeerde bedragen die betrekking hebben op programma’s vanaf 2010 onverschuldigd zijn betaald en zullen worden teruggevorderd.
FresQ heeft [gedaagde] bij brief van 15 maart 2013 en 14 februari 2014 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het handelen van [gedaagde] .
Het Productschap heeft meerdere conservatoire beslagen gelegd ten laste van FresQ, onder meer onder Rabobank. Rond 30 december 2013 heeft Rabobank uit hoofde van de gelegde beslagen een bedrag van € 1.787.000 aan het Productschap betaald.
Bij besluit van 28 november 2014 heeft het Productschap het bezwaar van FresQ ongegrond verklaard. FresQ heeft vervolgens beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 25 april 2017 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna: CBb) het door FresQ ingestelde beroep verworpen. Het CBb heeft, voor zover relevant, geoordeeld als volgt:
De steun aan producentenorganisaties is onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dat (volgens (thans) artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) onder andere ten doel heeft de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren en aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn. Zoals het Gerecht van de Europese Unie in het arrest van 16 september 2013 (zaak T-343/11) in de punten 119 en volgende heeft overwogen, heeft de hoofdactiviteit van een telersvereniging (thans producentenorganisatie) betrekking op de verkoop van de producten van de leden waarvoor zij erkend is. Daarbij houdt de verkoop van de productie in dat de producentenorganisatie de verkoopvoorwaarden en meer in het bijzonder de verkoopprijzen daadwerkelijk kan bepalen. Door het vereiste dat de volledige productie via de producentenorganisatie wordt verkocht, en door te bepalen dat die producentenorganisatie bepaalde essentiële taken moet vervullen, heeft de wettelijke regeling van de Unie de producentenorganisatie een belangrijke en bijzondere rol willen toekennen in het kader van de diverse verrichtingen die erop gericht zijn de betrokken producten op de markt te brengen. De financiële steun voor producentenorganisaties strekt ertoe aan de aanbodzijde de productie te bundelen en zodoende de positie van de telers op de markt te verbeteren. Het begrip “verkoop van de productie” in de zin van artikel 125bis, eerste lid, onder c, van Verordening 1234/2007, welke bepaling een met artikel 11, eerste lid, sub c, punt 3, van de ingetrokken Verordening 2200/96 vergelijkbare bepaling bevat, moet worden gedefinieerd als een akkoord over de zaak en de prijs. De producentenorganisatie dient de verkoopvoorwaarden te bepalen en met name de prijs vast te leggen waartegen de productie wordt verkocht (punt 151). De organisatie dient een effectieve controle over de prijzen uit te oefenen en te behouden. De mogelijkheid om taken aan derden te delegeren ontslaat de producentenorganisatie niet van haar verantwoordelijkheden. De producentenorganisatie moet derhalve voldoende controle houden over derden die belast zijn met essentiële activiteiten. Het gaat daarbij om de feitelijke werking van de producentenorganisatie (punten 123 en volgende). Uit het Unierecht volgt dat de telersvereniging zelf de stuwende kracht moet zijn bij de afzet van de producten van haar leden om daarmee de positie van de telers op de markt te verbeteren (punten 153 en 121).
Met het voorgaande is naar het oordeel van het College niet verenigbaar dat aangesloten telers onderling een akkoord over de prijs bereiken en (slechts) een van hen vervolgens profiteert van de verkoopprijs die de producentenorganisatie voor de producten weet te verkrijgen. Uit de onderzoeken van de NVWA blijkt genoegzaam dat dit bij FresQ wel het geval was. Door de overeenkomsten waarbij producentenprijzen werden afgesproken kwamen de inspanningen voor verkoopprijzen die boven de overeengekomen producentenprijs uitstegen immers niet ten goede aan de desbetreffende producenten, maar aan [naam 3] B.V. Dat het verschil tussen de verkoopprijzen en de producentenprijs volledig zou zijn verdeeld onder de leden is boekhoudkundig niet onderbouwd. De NVWA heeft op basis van de grootboekstukken uit de administratie van [naam 3] B.V. vastgesteld dat er in totaal over de jaren 2010, 2011 en 2012 een bedrag van € 2,8 miljoen aan surplus definitief is geboekt op de grootboekrekening van [naam 3] B.V.
(…) Voorts was het bestuur van FresQ (met uitzondering van [naam 4] ) niet op de hoogte van de overeenkomsten ten aanzien van de producentenprijzen en de aanvullende afspraken (zie nader 6.3 hierna).
Het College is op basis van het vorenstaande van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat door FresQ een ernstige inbreuk is gemaakt op het criterium voor erkenning als producentenorganisatie dat zij daadwerkelijk het doel nastreeft de productiekosten te optimaliseren en de producentenprijzen te stabiliseren (zie de onder 1.4, eerste gedachtestreepje, aangehaalde bepalingen). De stelling van FresQ dat er pas sprake is van een ernstige inbreuk op de erkenningscriteria die een intrekking kan rechtvaardigen als geen van de doelstellingen genoemd in artikel 122 van Verordening 1234/2007 wordt nagestreefd kan niet worden gevolgd, nu de tekst van artikel 114 van Verordening 543/2011 voor de juistheid van die stelling geen aanknopingspunt biedt. (…)
Verweerder heeft er naar het oordeel van het College terecht op gewezen dat niet enkel met statutaire bepalingen voldaan kan worden aan het vereiste dat geen van de leden misbruik kan maken van zijn macht of invloed kan uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van een producentenorganisatie. De aangesloten producenten moeten feitelijk voldoende controle kunnen uitoefenen en zeggenschap kunnen hebben bij de besluiten die de producentenorganisatie neemt. Het College is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat hiervan geen sprake was. FresQ voerde zelf geen controle en was niet betrokken bij de vaststelling van de producentenprijzen en de aanvullende afspraken. Verweerder heeft er daarnaast terecht op gewezen dat door onder andere financieringsovereenkomsten controle en zeggenschap uitoefenen illusoir werd. Dat dergelijke overeenkomsten bestonden tussen [naam 3] B.V. en andere leden die hun producten verkochten via FresQ Red Star B.V. is voldoende gebleken. Dat mogelijk niet alle leden dergelijke overeenkomsten hadden afgesloten maakt niet dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin een lid misbruik maakte van zijn macht of invloed. Voorts is voldoende komen vast te staan dat [naam 3] B.V. heeft geprofiteerd van de overeenkomsten met de andere leden, door voor de door die andere leden geproduceerde producten een hogere prijs te ontvangen dan de andere leden zelf. FresQ heeft onvoldoende toezicht gehouden en regie gevoerd. Ook op dit punt is er naar het oordeel van het College sprake van een ernstige inbreuk op het criterium voor erkenning als producentenorganisatie dat wordt voorkomen dat één of meer leden van de producentenorganisatie misbruik maken van hun macht of invloed uitoefenen ten aanzien het beheer en de werking van de producentenorganisatie (zie de onder 1.4, tweede gedachtestreepje, aangehaalde bepalingen).
Het College is op basis van het vorenstaande van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 114 van Verordening 543/2011 verweerder terecht heeft geoordeeld dat voldoende gronden aanwezig waren om de erkenning van FresQ als producentenorganisatie in te trekken, mits de geconstateerde ernstige inbreuken het gevolg zijn geweest van grove nalatigheid dan wel opzet. Het College zal, gelet op het hierna overwogene met betrekking tot “grove nalatigheid”, de derde aan de intrekking ten grondslag gelegde intrekkingsgrond onbesproken laten. (…)
Het College is van oordeel dat verweerder FresQ terecht grove nalatigheid heeft verweten voor de ernstige inbreuken op de erkenningscriteria. Naar aanleiding van de controles door de Commissie is FresQ er, in ieder geval in 2009, uitdrukkelijk op gewezen dat er mogelijk sprake was van inbreuken op de erkenningscriteria in verband met onder meer de prijsvaststelling door de verkoopdochters. Het Productschap heeft verscherpt toezicht gehouden, maar had tot 2012 geen wetenschap van de actieve rol van [naam 4] bij het vaststellen van de producentenprijzen en de daarmee samenhangende afspraken over het toedelen van het surplus en het verdelen van het beschikbare GMO-budget. Er is door FresQ een onjuist en onvolledig beeld geschetst van de situatie en de door haar doorgevoerde aanpassingen. Met uitzondering van [naam 4] , die daarbij echter niet handelde in zijn hoedanigheid van bestuurslid van FresQ, waren de bestuursleden van FresQ, blijkens hun verklaringen, niet op de hoogte van de afspraken omtrent de vaststelling van de producentenprijzen bij FresQ Red Star B.V. en er is niet gebleken van enig toezicht hierop. Op grond van de verantwoordelijkheid die het bestuur had om op de hoofdtaak van de producentenorganisatie, de verkoop van de producten van de leden waarvoor zij erkend is, de regie te voeren en effectief controle uit te oefenen over de prijzen, had het bestuur op de hoogte moeten zijn van de overeenkomsten ten aanzien van de producentenprijzen en de aanvullende afspraken. Ondanks de door de Commissie geconstateerde inbreuken op de voorschriften en de constateringen van het Productschap heeft FresQ geen (toereikende) maatregelen getroffen.
Bij besluit van 12 oktober 2015 heeft het Productschap de intrekking van de erkenning van FresQ vervroegd naar 1 juli 2009 en zijn de over de 3e en 4e kwartaal ontvangen subsidies van FresQ teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van FresQ van 13 april 2017 is het bezwaar van FresQ tegen het vervroegingsbesluit van 12 oktober 2015 ongegrond verklaard. FresQ heeft ook tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij het CBb. Bij uitspraak van 13 februari 2018 heeft het CBb dit beroep afgewezen.
Faillissement FresQ en verdere procedures
Bij vonnis van 23 mei 2017 heeft de rechtbank Den Haag het faillissement van FresQ uitgesproken. Tot curator is benoemd [curator 1] . Bij beschikking van 28 november 2024 is [curator 2] als medecurator aangesteld. RVO heeft in het faillissement een vordering ingediend van in totaal € 52.638.264,48. De Curatoren hebben deze vordering erkend. De vordering bestond in hoofdsom uit een bedrag van € 46.900.602,94 aan subsidie die door het verlies van erkenning van FresQ onverschuldigd is betaald. Indien rekening wordt gehouden met hetgeen reeds uit hoofde van het onder Rabobank gelegde conservatoir beslag is uitbetaald (zie rov. 2.34), resteert een bedrag van € 45.113.602,94 dat FresQ gehouden is aan ten onrechte verstrekte financiële steun terug te betalen, te vermeerderen met rente. De baten in het faillissement zijn onvoldoende om alle schuldeisers te voldoen. De Curatoren hebben [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement.
Op 10 mei 2015 heeft RVO bij het Openbaar Ministerie aangifte gedaan. Het Openbaar Ministerie is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek gestart waarin onder meer [gedaagde] als verdachte van valsheid in geschrifte (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) en oplichting (artikel 326 Sr) is aangemerkt. Het onderzoek heeft enkele jaren in beslag genomen. Het Openbaar Ministerie heeft uiteindelijk in 2024 een transactie aan [gedaagde] aangeboden, welke door [gedaagde] is aanvaard.
Op 27 februari 2025 heeft RVO [gedaagde] en [naam 2] en [naam 1] gedagvaard. RVO vordert dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling van de teruggevorderde subsidies. De mondelinge behandeling in die procedure heeft gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure plaatsgevonden.
Op 21 november 2024 heeft RVO meerdere beslagen gelegd ten laste van [gedaagde] en onder derden. Op 29 september 2025 is tussen [gedaagde] , RVO en de Curatoren een overeenkomst tot stand gekomen waaruit volgt dat, kort gezegd, de gelegde beslagen worden opgeheven tegen het stellen van zekerheid door [gedaagde] aan RVO en de Curatoren ten bedrage van de hoofdsom van € 45.113.602,94. [gedaagde] heeft deze zekerheid gesteld. In de overeenkomst is verder afgesproken dat RVO en de Curatoren zich pas op de gestelde zekerheid zullen kunnen verhalen indien zij beschikken over een toewijzende uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan en dat RVO en de Curatoren zich pas op andere vermogensbestanddelen van [gedaagde] mogen verhalen als de gestelde zekerheid ontoereikend is.
3. Het geschil
De Curatoren vorderen de rechtbank – na eisvermindering – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot:
primair:
I. betaling van het gehele boedeltekort in het faillissement van FresQ, dat wil zeggen het totaalbedrag van de onbetaald gelaten boedel-faillissementsschulden voor zover deze niet uit de uiteindelijke overige opbrengsten van de boedel zullen kunnen worden gedelgd, nader op te maken bij staat;
subsidiair:
II. betaling van het bedrag aan teruggevorderde subsidie dat vooralsnog niet door FresQ aan RVO is terugbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente;
meer subsidiair:
III. betaling van een bedrag ter hoogte van het dubbele van het subsidiebedrag ad € 3.984.885 wat rechtstreeks ten goede is gekomen aan [gedaagde] zelf, zijnde een bedrag ad € 7.969.770, te vermeerderen met het dubbele van het bedrag van het profijt van dat [gedaagde] heeft genoten over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 december 2009 nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding;
uiterst subsidiair:
IV. betaling van een bedrag ter hoogte van het subsidiebedrag wat rechtstreeks ten goede is gekomen aan [gedaagde] zelf ad € 3.984.885, te vermeerderen met het profijt van dat [gedaagde] heeft genoten over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 december 2009 nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding;
en daarnaast in alle gevallen:
V. betaling van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4. De beoordeling
De Curatoren zijn belast met het beheer en de vereffening van de
failliete boedel (artikel 68 lid 1 Faillissementswet). De boedel biedt onvoldoende verhaal om alle schuldeiseres te betalen. Volgens de Curatoren bedraagt het gehele faillissementsboedeltekort ruim € 54 miljoen. RVO is de grootste schuldeiser van de boedel met een vordering ter zake van onterecht uitgekeerde subsidies ter hoogte van € 45.113.602,94 te vermeerderen met wettelijke rente.
De Curatoren stellen zich op het standpunt dat de boedel een vordering heeft op [gedaagde] ter grootte van het gehele faillissementsboedeltekort, althans het gehele bedrag van de teruggevorderde subsidies. De Curatoren baseren die vordering van de boedel op nakoming dan wel tekortkoming in de nakoming van de tussen FresQ en [gedaagde] gesloten overeenkomsten. Voorts leggen zij onrechtmatige daad, een Peeters-Gatzenvordering, een boete op grond van de statuten van FresQ en ongerechtvaardigde verrijking aan hun vordering ten grondslag. [gedaagde] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen.
De rechtbank zal in dit vonnis eerst (i) de vrijwaringsclausules uit de overeenkomsten tussen partijen beoordelen en vervolgens (ii) beoordelen of de Curatoren een beroep op die vrijwaringen toekomt. De rechtbank zal tot de conclusie komen dat dat het geval is. Vervolgens bespreekt zij (iii) het causaal verband met de schade en (iv) voor welk bedrag [gedaagde] de boedel dient te vrijwaren.
De overeenkomsten tussen FresQ en [gedaagde]
Bij de beoordeling van de vrijwaringsclausules is de navolgende achtergrond van belang. Tussen FresQ en [gedaagde] bestonden overeenkomsten met betrekking tot subsidies. Op 30 januari 2009 werden een raamovereenkomst en twee projectovereenkomsten ondertekend. De raamovereenkomst zag op subsidie voor kosten en werd gesloten tussen FresQ en het lid Red Sun Holding B.V. (hierna: de Raamovereenkomst). De projectovereenkomsten zagen op investeringen in roerende respectievelijk onroerende faciliteiten (hierna: de Projectovereenkomsten). Deze werden gesloten tussen FresQ en een categorie van leden, bestaande uit [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V, Red Sun Holding B.V. en Red Moon Holding B.V. [bedrijf 1] B.V. is een oude statutaire naam van [gedaagde] . De andere genoemde leden zijn door fusie uiteindelijk opgegaan in [gedaagde] . De drie overeenkomsten bestonden dus alle tussen FresQ en [gedaagde] . Bij de projectovereenkomst met betrekking tot onroerende zaken was tevens vastgoeddochter [bedrijf 3] B.V. partij.
De projectovereenkomst met betrekking tot roerende zaken bevat de volgende bepalingen:
Artikel 3 GMO-Regelgeving en de naleving daarvan
Deze GMO-Projectovereenkomst is vastgesteld met in achtneming van de op dat moment geldende GMO-Regelgeving. Elk Categorielid neemt alle GMO-Regelgeving in acht en zal alle verplichtingen die hieruit voortvloeien – waaronder de voorwaarden die worden gesteld voor toekenning van GMO-Subsidie aan FresQ – correct en tijdig naleven. Indien en voor zover de GMO-Regelgeving wijzigt tijdens de duur van het GMO-Projectovereenkomst zullen Partijen deze wijzigingen in acht nemen en naleven.
Elk Categorielid weet dat enig handelen of nalaten in strijd met GMO-Regelgeving en/of de GMO-Projectovereenkomst nadelige financiële gevolgen – waaronder correcties en/of sancties opgelegd door de GMO-Instantie – kan hebben voor FresQ. Elk Categorielid is hoofdelijk aansprakelijk jegens FresQ voor alle schade die FresQ lijdt door handelen of nalaten van de Categorie en/of één of meer van de Categorieleden in strijd met GMO-Regelgeving en/of de GMO-Projectovereenkomst en vrijwaart FresQ daarvoor. Als FresQ vermoedt dat van handelen of nalaten in strijd met GMO-Regelgeving en/of de GMO-Projectovereenkomst door één of meer Categorieleden sprake is, kan zij de overige Categorieleden hierover informeren.
Artikel 36 Inhouding of terugvordering van GMO-Subsidie en sancties
Ten onrechte uitgekeerde of ten onrechte aangevraagde GMO-Subsidie wordt door de GMO-Instantie teruggevorderd of ingehouden ten laste van FresQ dan wel niet verstrekt aan FresQ. Daarnaast kunnen één of meer sancties worden opgelegd door de GMO-Instantie aan FresQ. Eventuele inhouding, terugvordering niet-verstrekking en/of sancties – behoudens ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ – komen voor rekening en risico van de Categorie. De Categorie vrijwaart FresQ voor aanspraken van de GMO-Instantie ter zake van teruggevorderde of ingehouden of niet verstrekte GMO-Subsidie en/of enige opgelegde sanctie. De Categorie vrijwaart FresQ voor rechten die derden kunnen doen gelden ten gevolge van de terugvordering, inhouding of niet-verstrekking van GMO-Subsidie dan wel sanctionering door de GMO-Instantie. (…)
De projectovereenkomst met betrekking tot onroerende zaken bevat dezelfde bepalingen, met dien verstande dat in artikel 36.1 ook de betrokken vastgoeddochter wordt gevrijwaard.
De Raamovereenkomst bevat de volgende bepaling:
Artikel 10 GMO-Subsidie
Ten onrechte door de GMO-Instantie aan FresQ uitgekeerde GMO-Subsidie wordt door de GMO-Instantie teruggevorderd of ingehouden ten laste van FresQ. Daarnaast kunnen één of meer sancties worden opgelegd door de GMO-Instantie aan FresQ. Eventuele inhouding, terugvordering en/of sancties – behoudens ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ – komen voor rekening en risico van het Lid. Het Lid vrijwaart FresQ voor aanspraken van de GMO-Instantie ter zake van teruggevorderde of ingehouden GMO-Subsidie en/of enige opgelegde sanctie. Het Lid vrijwaart FresQ voor rechten die derden kunnen doen gelden ten gevolge van de terugvordering of inhouding van GMO-Subsidie dan wel sanctionering door de GMO-Instantie.
Beroep op nakoming van de vrijwaringsclausules
De Curatoren vorderen nakoming van de vrijwaringen die zijn opgenomen in artikel 3.4 en artikel 36.1 van de Projectovereenkomsten en/of artikel 10.3 van de Raamovereenkomst.
Blijkens hun processtukken leggen de Curatoren de vrijwaring (primair) uit als een nakomingsverplichting. Omdat de vordering in dat geval niet is gebaseerd op wanprestatie, is de klachtplicht (artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en de regeling omtrent schadevergoeding van artikel 6:95 BW en verder, niet van toepassing. Tegen die uitleg op zichzelf heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd, zodat ook de rechtbank die tot uitgangspunt neemt.
De tekst van de vrijwaringsclausules uit de diverse overeenkomsten verschilt. Enerzijds is [gedaagde] op grond van artikel 3.4 van de Projectovereenkomsten gehouden tot vrijwaring van FresQ voor alle schade die FresQ lijdt door handelen of nalaten van [gedaagde] in strijd met GMO-Regelgeving. Anderzijds is [gedaagde] op grond van artikel 10.3 van de Raamovereenkomst en artikel 36.1 van de Projectovereenkomsten gehouden tot vrijwaring van FresQ voor aanspraken van de GMO-Instantie ter zake van teruggevorderde subsidies. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een dergelijke aanspraak. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of de uitsluitingsgrond “behoudens ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ” aan een beroep op de vrijwaring in de weg staat.
De rechtbank bespreekt in het navolgende eerst of [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de GMO-Regelgeving (i) en vervolgens het beroep op de contractuele uitsluitingsgrond (ii).
(i) Heeft [gedaagde] gehandeld in strijd met GMO-Regelgeving?
De vrijwaringsclausule van artikel 3.4 van de Projectovereenkomsten vindt toepassing in het geval van “handelen of nalaten in strijd met GMO-Regelgeving” door [gedaagde] . “GMO-Regelgeving” is in de overeenkomsten gedefinieerd als ‘alle wet- en regelgeving welke betrekking heeft op gemeenschappelijke markt ordening, waaraan FresQ zich heeft te houden’. Volgens de relevante wetgeving (zie rov. 2.9 e.v.) dient FresQ zich als producentenorganisatie aan die wetgeving te houden en dient zij er op toe te zien dat haar verkoopdochters dat ook doen. Om die wetgeving na te kunnen leven is noodzakelijk dat de individuele leden zich daar ook aan houden. Partijen hebben in artikel 3.1 van de Projectovereenkomsten dan ook de verplichting opgenomen voor de individuele leden om de GMO-Regelgeving (zelf) in acht te nemen en de verplichtingen die daaruit voortvloeien (waaronder de voorwaarden voor subsidies) na te leven. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat FresQ in de periode van medio 2009 tot eind 2012 voor een bedrag van ongeveer € 45 miljoen aan (Europese) GMO-subsidie heeft ontvangen, en dat om voor deze subsidies in aanmerking te komen, FresQ moest voldoen aan een aantal erkenningscriteria. Die erkenningscriteria zijn onderdeel van de GMO-Regelgeving. Het erkenningscriterium waar het in deze procedure over gaat is het voeren van regie over de verkoop. Volgens de Curatoren en RVO heeft [gedaagde] doelbewust in strijd met dit erkenningscriterium gehandeld door de regie over de verkoop feitelijk te behouden. De Europese Commissie heeft in 2007 reeds geoordeeld dat (de verkoopdochters van) FresQ onvoldoende regie voerde(n). [gedaagde] heeft hierna een schijnwerkelijkheid gecreëerd waarbij het op papier leek alsof FresQ Red Star, de verkoopdochter van FresQ, de regie in handen had gekregen, terwijl [gedaagde] feitelijk nog steeds de dienst uitmaakte. Volgens [gedaagde] is van het bewust handelen in strijd met de erkenningscriteria geen sprake. [gedaagde] heeft zich constructief opgesteld om aan de door de Commissie in 2007 gegeven uitleg van de erkenningscriteria te voldoen. Zij heeft aan haar eigen deskundigen gevraagd om te waarborgen dat zij (via FresQ Red Star) rechtmatig aanspraak kon maken op subsidie, en dit afgestemd met zowel FresQ als het Productschap. Dat achteraf is komen vast te staan dat FresQ Red Star niet de regie over de eigen verkoop voerde, was voor [gedaagde] niet te voorzien.
Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] (bewust) in strijd met de erkenningscriteria heeft gehandeld is de navolgende achtergrond van belang. Ook uit de door RVO tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting (in de met deze procedure gevoegde procedure) volgt dat er bij het Productschap vóór 2007 onduidelijkheid bestond over de juiste uitleg van de voorwaarden voor een telersvereniging om in aanmerking te komen voor GMO-subsidies. Uit de door de Europese Commissie in 2007 verrichte audit volgde onder meer dat FresQ niet de juiste mate van regie voerde. Dit probleem speelde met name bij de eenmanssegmenten van FresQ. Volgens de Europese Commissie konden in deze segmenten de verkoopdochters niet worden aangemerkt als een onafhankelijke structuur, omdat de leden hun eigen identiteit behielden en hun eigen afzet regelden. De audit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de Europese Commissie voor een bedrag van € 22,6 miljoen aan financiering heeft uitgesloten. Het Productschap heeft, mede gelet op de eigen rol, er voor gekozen om die schade voor eigen rekening te nemen, en de reeds uitbetaalde subsidie niet van FresQ terug te vorderen. De audit van de Europese Commissie is verder aanleiding voor het Productschap geweest om FresQ onder verscherpt toezicht te stellen. FresQ heeft vervolgens in overleg met het Productschap het Plan van Aanpak opgesteld om te waarborgen dat zij in de toekomst wel aan de erkenningscriteria zou voldoen. In het Plan van Aanpak staat onder meer dat (i) de verkoopdochters worden geleid door een verkoopleider/directeur; (ii) de commercieel directeur de verkoopleiders/directeuren van de FresQ verkoopdochters aanstuurt; en (iii) het Red Star segment zou worden omgevormd tot een meermanssegment met vijf leden, onder de naam FresQ Red Star.
In deze procedure is niet in geschil dat het voor het Productschap, FresQ en de leden van de individuele segmenten duidelijk was dat, om in aanmerking te komen voor de GMO-subsidies, het noodzakelijk was dat FresQ (althans haar verkoopdochters) de regie over de afzet voerde. Partijen zijn het er verder over eens dat, indien het Plan van Aanpak volledig en juist zou zijn uitgevoerd, FresQ aan de erkenningscriteria zou hebben voldaan. Evenmin is tussen partijen in geschil dat [gedaagde] en [naam 2] en [naam 1] in hun netwerk op zoek zijn gegaan naar nieuwe leden om het Red Star segment te verbreden tot een meermanssegment. De vier nieuwe leden hebben allen een inkoopovereenkomst ondertekend met FresQ Red Star en [gedaagde] (als verpakker). Uit deze inkoopovereenkomsten volgt dat FresQ Red Star de producten van het individuele lid na verpakking door [gedaagde] zou doorverkopen. Daartoe zou, in overleg met tussen FresQ Red Star en alle leden, een verkoopplan worden opgesteld. Verder is de telersverenging Exsento opgericht, die het de leden mogelijk maakte gebruik te maken van elkaars kennis en koopkracht. RVO heeft in de met deze procedure gevoegde procedure tegen [gedaagde] en [naam 2] en [naam 1] bevestigd dat met de inkoopovereenkomsten en de oprichting van Exsento in beginsel is voldaan aan de vereisten van centrale afzet en onderlinge samenwerking. Waar het in beide procedures om gaat is dat volgens de Curatoren en RVO alleen maar een papieren werkelijkheid is gecreëerd. [gedaagde] heeft in de praktijk de regie over de eigen afzet behouden. Daartoe heeft [gedaagde] er voor gezorgd dat de nieuwe leden van het segment volledig afhankelijk van haar waren en dat de nieuwe commercieel directeur van FresQ feitelijk verantwoording aan [gedaagde] verschuldigd was. De rechtbank is om de navolgende redenen van oordeel dat [gedaagde] inderdaad de regie over de eigen afzet heeft behouden en dat van een onafhankelijk opererende verkoopdochter geen sprake was, waardoor [gedaagde] in strijd met de GMO-Regelgeving handelde.
[gedaagde] had volledige controle over de nieuwe leden
Volgens de Curatoren is het eenmanssegment Red Star in de praktijk niet omgevormd tot een meermanssegment. De aanvankelijke nieuwe leden exploiteerden feitelijk een tuin voor rekening en risico van [gedaagde] . Van onafhankelijke telers was geen sprake.
Tussen partijen is niet in geschil dat, gelijktijdig met de inkoopovereenkomsten, tussen de nieuwe leden en [gedaagde] overeenkomsten zijn gesloten met aanvullende afspraken (hierna: de Aanvullende Afspraken). Bij de Aanvullende Afspraken is FresQ Red Star geen partij. Uit de Aanvullende Afspraken volgt onder meer dat (i) de nieuwe leden met [gedaagde] een vaste uitbetaalprijs zijn overeengekomen, (ii) [gedaagde] het positieve of negatieve verschil tussen de overeengekomen vaste uitbetaalprijs en de daadwerkelijke door FresQ Red Star gerealiseerde externe verkoopprijs ontvangt, (iii) de minimale uitbetaalprijs toereikend dient te zijn, en dat deze naar boven kan worden bijgesteld als de prijs niet kostendekkend is, en naar beneden kan worden bijgesteld indien de minimale uitbetaalprijs te hoog is in relatie tot de daadwerkelijke kosten en (iv) dat [gedaagde] bereid is tot financiering van de teelt. Met het oog op de financiering van de teelt hebben de nieuwe leden en [gedaagde] teeltfinancieringsovereenkomsten gesloten.
De Aanvullende Afspraken komen er naar het oordeel van de rechtbank feitelijk op neer dat de nieuwe leden tomaten zullen gaan telen voor rekening en risico van [gedaagde] . Dat dit ook de bedoeling van de Aanvullende Afspraken was volgt uit de e-mailwisseling tussen onder meer [naam 6] en [naam 1] van 9 november 2009 waarin over de te maken afspraken met betrekking tot Red Growers Westland B.V. (hierna: RGW) werd onderhandeld. De e-mail is geschreven door [naam 7] , een externe adviseur van [gedaagde] , de onderstreepte zinnen zijn aanvullingen van [naam 6] (in het origineel in het rood):
“[naam 1] , [naam 6] ,
Na de bespreking vandaag vat ik de gemaakte afspraken als volgt samen:
1. Tuin Oud Camp gaat geëxploiteerd worden in Red Growers Westland BV. Aandelen en directie bij [naam 8] .
2. In beginsel is de r ichtprijs voor de uitbetaling van Red Star naar deze BV 1,23 op basis van 32 kilo verkocht product klasse 1, gebaseerd op uitgewerkte begroting (versie d.d. 9 november 2009, zie bijlage)
3. Indien werkelijke kosten boven deze richtprijs uitkomen, zal de uitbetaalprijs worden verhoogd tot het werkelijke bedrag van de totale kostprijs. (de kostprijs is inclusief fee [naam 6] en [naam 8] . )
4. Indien gerealiseerde verkoopopbrengst KAAL ??? product binnen Red Star BV v.w.b. deze locatie hoger ligt dan de werkelijke kosten, dan is de eerste € 2 per m2 voor [gedaagde] voor de door hen gemaakte kosten, restant 1/3 van het overschot voor voormelde BV en 2/3 voor [gedaagde] . Daarbij dient tevens in acht te worden genomen een eventueel verlies dat in Engeland wordt geleden als TEM het desbetreffende product heeft ingekocht. E.e.a. genoegzaam onderbouwd.
5. [naam 6] begeleidt teelt te Lisse kostenloos. Nadere afspraken te maken over teeltvoorlichting
6. Het doorbelast en voor de kosten van € 45.000 fee voor [naam 6] / [naam 8] en het doorbelasten van het salaris van [naam 9] , of een andere bedrijfsleider zitten in de begroting en in de kostprijs. Alle overige kosten betrekking hebben op het bedrijf aan de Oudcampsweg zullen doorbelast worden aan de BV. ( [naam 10] en [naam 1] dit lijkt mij logisch, en probeer niet te pingellen)
7. Teeltfinanciering te regelen via RABO, indien niet of gedeeltelijk realiseerbaar, maximale teeltkrediet via [gedaagde] tegen 7% van € 100.000. Blijkt momenteel zeer moeilijk realiseerbaar.
Concrete afspraken over
- alle verplichtingen groter dan 5.000 na overleg, anders geen onderdeel nacalculatie
- geen personeel op deze BV, dan wel met korte contracten
- contracten niet langer dan de duur van de teelt, contracten met minimale afname zoveel mogelijk beperken
elke maand / 4 wkn rapporteren en verschillen verklaren + recht op cont1C
- Red Star voerd de boekhouding uit, e.e.a. in overleg met de BV ”
In dezelfde e-mailwisseling wordt geconstateerd dat [naam 8] , de beoogde directeur van RGW, geen risico wil: “hij exploiteert de tuin voor jullie rekening en risico”. Volgens [gedaagde] droegen de nieuwe leden wel degelijk een economisch risico, omdat het risico op een goede of slechte oogst voor rekening van de leden kwam, maar de rechtbank gaat daar niet in mee. Uit de Aanvullende Afspraken volgt immers dat de vaste prijzen kostendekkend moeten zijn, en dat de vaste prijzen achteraf nog kunnen worden herzien, zodat de rechtbank er van uitgaat dat ook bij een slecht tomatenjaar alle vaste lasten kunnen worden terugverdiend. Tussen partijen is verder niet in geschil dat 2010 een slecht tomatenjaar was. Aan de nieuwe leden is toen compensatie betaald, zodat het risico van een goede of slechte oogst dus ook feitelijk niet door de nieuwe leden is gedragen. [gedaagde] stelt verder dat FresQ tot deze compensatie heeft besloten, maar de rechtbank leidt uit de door [naam 2] op 29 december 2010 aan [naam 6] en [naam 8] verzonden e-mail af dat de beslissing om compensatie uit te betalen is genomen door [gedaagde] (onderstrepingen zijn van de rechtbank):
“Laat ik wel duidelijk stellen dat wat we doen niet hoef als we het contract zouden volgen
Maar jullie en [naam 11] ( [naam 11] , rechtbank) hebben er veel aan gedaan om een goed resultaat neer te zetten
Dus na alles goed te hebben afgewogen
Hebben wij besloten om een eenmalige uitkering boven op het bestaande contract van
711.218 kg x 4.8 ct per kg =34.138,46
Ik beschouw naar jou toe dat ik het netjes hebt gedaan . Die 34.138,46 gaan we morgen proberen te storten via Fresq
Dan moet je mij melden hoeveel je direct terug stort dus zoveel mogelijk maar niet precies dit bedrag
Mag ook meer zijn meld mij dit even hoor morgen of het ook echt gestort wordt”
Dat [naam 2] vervolgens kennelijk ook kon bepalen dat de compensatie zou worden uitgekeerd via FresQ, en dat de compensatie direct weer moest worden afgedragen aan [gedaagde] , als aflossing op de schuld uit hoofde van de teeltfinancieringsovereenkomst, draagt alleen maar bij aan de overtuiging van de rechtbank dat de nieuwe leden als verlengstuk van [gedaagde] fungeerden.
Ook uit de wijze waarop de vaste uitbetaalprijzen werden vastgesteld volgt dat van een gelijkwaardige samenwerking tussen [gedaagde] en de nieuwe leden geen sprake was. De Curatoren en RVO hebben in dit verband gewezen op de verklaringen die [naam 6] en [naam 11] in het kader van het onderzoek van de NVWA hebben afgelegd. Uit deze verklaringen volgt, kort gezegd, dat de vaste uitbetaalprijzen neerkwamen op een dictaat van de zijde van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] kloppen ook deze verklaringen niet. [gedaagde] heeft in dit verband gewezen op de in het kader van het onderzoek van de NVWA door [naam 5] afgelegde verklaring. Uit deze verklaring volgt dat [naam 5] , als directeur van FresQ Red Star, de uitbetaalprijzen heeft vastgesteld op basis van een marktanalyse en kostprijsgegevens, maar de rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Gesteld noch gebleken is dat [naam 5] bij het maken van de Aanvullende Afspraken betrokken was, terwijl daar wel al afspraken over de vaste uitbetaalprijzen zijn gemaakt. Daarnaast hebben de Curatoren en RVO gewezen op een tweetal e-mails waaruit volgt dat de vaste uitbetaalprijs inderdaad werd vastgesteld door [gedaagde] . De eerste betreft een e-mail van [naam 1] waaruit volgt dat het nieuwe tarief voor week 47 € 1,50 bedraagt en voor week 48 € 1,60. Volgens [gedaagde] is in het strafdossier niet zichtbaar wanneer deze e-mail is verstuurd en aan wie, maar uit het strafdossier kan wel degelijk worden afgeleid dat deze e-mail op 4 december 2010 is verstuurd aan onder meer [naam 6] en [naam 8] (DOC 2604). Voor de veronderstelling dat deze e-mail op iets anders ziet dan de vaste uitbetaalprijzen bestaat geen enkel aanknopingspunt, en een dergelijke alternatieve verklaring is ook niet door [gedaagde] aangedragen. De Curatoren en RVO hebben verder gewezen op de e-mail van 10 oktober van 2011 van [naam 12] (Financial Controller, [gedaagde] ) aan [naam 5] :
Wil je het kg-tarief van Red Growers Westland verhogen met € 0,60 per kg. Ingangsdatum: verkopen week 40 (dus verrekening van vandaag d.d. 10-1-2011).
Dit zal tot einde teelt gelden, met eventuele aanpassing in de laatste twee weken.
Volgens [gedaagde] betreft het een verzoek aan [naam 5] om de vaste uitbetaalprijs van een teler te verhogen. Dat deze e-mail is verstuurd door [naam 12] kan worden verklaard dat hij de teelfinancieringen beheerde. De rechtbank leidt uit de formulering van de e-mail af dat van een vrijblijvend verzoek geen sprake is, onder meer omdat door [gedaagde] wordt bepaald voor welke periode het nieuwe tarief zal gelden. Dat [naam 12] kennelijk beleefdheidshalve de woorden “wil je” heeft gebruikt, maakt niet dat sprake is van een verzoek dat [naam 5] naast zich neer kon leggen. Dat [naam 12] als financial controller de teeltfinancieringen beheerde biedt verder geen toereikende verklaring voor zijn bemoeienis met de vaste uitbetaalprijzen, en neemt niet weg dat de vaste uitbetaalprijzen in dit geval eenzijdig door [gedaagde] zijn bepaald. [gedaagde] heeft in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de vaste uitbetaalprijzen eenzijdig door haar werden vastgesteld.
Verder van belang is dat [naam 6] op 14 december 2012 aan het Productschap
een e-mail heeft gestuurd. Uit deze e-mail volgt dat in ieder geval één van de nieuwe telers is opgericht als schijnvertoning om aan het vereiste te voldoen dat een telersvereniging moet bestaan uit ten minste vijf leden en dat [gedaagde] de nieuwe leden in een financiële houdgreep had:
“ telersvereniging Extenso is door [gedaagde] enkel opgericht om dit een vereiste was van FresQ in het najaar van 2009. [gedaagde] diende een telersvereniging te vormen met tenminste 5 leden. In dit najaar van 2009 wist [gedaagde] 3 telers aan zich te binden en zodoende was het aantal van 5 leden niet bereikt. Om dit aantal alsnog te kunnen bereiken is als schijnvertoning RGW (Red Growers Westland B.V., rechtbank) opgericht. De tenaamstelling van dit bedrijf kwam te staan op naam van de bedrijfsleider van [naam 6] ( [naam 6] , rechtbank). In opdracht van [gedaagde] heeft [naam 6] dit gehele bedrijf moeten leiden uit naam van [naam 6] Consultancy. De directeur van RGW heeft het reilen en zeilen van zijn bedrijf geheel aan [naam 6] over gelaten. Het functioneren van telersvereniging Exsento was belabberd. De leden van Extenso moesten in deze bijeenkomsten hun verantwoording aangaande de teelt aflegen aan [gedaagde] . Vanuit [gedaagde] was er weinig inbreng op deze bijeenkomsten. De bijeenkomsten waren een voor de leden een schijnvertoning omdat deze vanuit FresQ opgedragen waren. Een bestuursvergadering of een algemene ledenvergadering is er nooit geweest, ondanks het veelvuldig verzoek van [naam 6] hiertoe. [naam 6] moest van [gedaagde] zijn werk doen en verder zijn mond houden. Er heerste een sfeer van dictatuur door [gedaagde] , de leden waren bang van [gedaagde] , ook omdat [gedaagde] de leden in een financiële houdgreep had en bleef houden. [gedaagde] bepaalde immers de inkomens van de leden.”
Volgens [gedaagde] kan aan de hierboven aangehaalde e-mail van [naam 6] geen waarde worden gehecht. [naam 6] is in de loop van 2012 in persoonlijk conflict met [gedaagde] geraakt en is toen [gedaagde] en [naam 2] en [naam 1] de schuld gaan geven van de financiële problemen van zijn bedrijf. De rechtbank acht het aangehaalde citaat uit de e-mail van [naam 6] echter voldoende geloofwaardig, omdat het door [naam 6] geschetste beeld dat RGW fungeerde als stroman voor [gedaagde] door de inhoud van de e-mails van 9 november 2009 wordt bevestigd (zie rov. 4.18) en het beeld dat [gedaagde] de nieuwe leden in een financiële houdgreep had wordt bevestigd door de inhoud van de Aanvullende Afspraken en hetgeen de rechtbank in rov. 4.19 en 4.20 heeft overwogen.
Op 15 oktober 2010 is 3rd Generation B.V. toegetreden tot het segment, gevolgd door Fresunto B.V. in 2011. Tussen partijen is niet in geschil dat 3rd Generation wordt geëxploiteerd door kleinkinderen van [naam 2] en [naam 1] . Evenmin is in geschil dat [gedaagde] een 50% belang heeft in Fresunto. De Curatoren en RVO hebben mede in dit licht gesteld dat de toetreding van 3rd Generation en Fresunto niet teweeg heeft gebracht dat [gedaagde] geen macht meer had over de andere leden. Nu [gedaagde] dit niet nader heeft weersproken, zal ook de rechtbank dit tot uitgangspunt nemen.
[naam 5] fungeerde als ondergeschikte van [gedaagde]
Volgens de Curatoren en RVO heeft [gedaagde] ook na 2010 de volledige controle over FresQ Red Star behouden. [naam 2] is aan het einde van 2009 teruggetreden als enig statutair bestuurder van FresQ Red Star. Met ingang van 1 januari 2010 is [naam 5] benoemd tot enig statutair bestuurder van FresQ Red Star. Volgens de Curatoren en RVO is in dit verband sprake van een schijnconstructie, omdat [naam 5] niet werd aangestuurd door de commercieel directeur van FresQ, maar feitelijk nog steeds verantwoording verschuldigd was aan [gedaagde] . De Curatoren en RVO hebben er in dit verband op gewezen dat [naam 5] vóór 1 januari 2010 in dienst was bij [gedaagde] , en daarmee nauwe banden had met [gedaagde] . Hij was ook na 2010 nog altijd aanwezig bij het managementoverleg van [gedaagde] . Op een organogram van [gedaagde] van 1 mei 2012 staat [naam 5] verder nog steeds weergegeven als een ondergeschikte van [naam 1] . Tussen [gedaagde] en [naam 5] lijkt verder een resultaatsafhankelijke beloning overeen te zijn gekomen. De Curatoren en RVO hebben daarbij gewezen op een niet volledig ingevulde – en niet-ondertekende – overeenkomst tussen [gedaagde] en [naam 5] . Volgens [gedaagde] kunnen de aangehaalde documenten de verregaande conclusie van de Curatoren en RVO niet dragen. Het organogram met daarop de datum 1 mei 2012 is waarschijnlijk gebaseerd op een eerder organogram, en bij de wijziging daarvan zal abusievelijk zijn nagelaten om de positie van [naam 5] te wijzigen. Het document met resultaatsafhankelijke afspraken uit 2012 is nooit ondertekend. Het valt niet meer met zekerheid te zeggen op welke wijze dit document tot stand is gekomen, maar mogelijk is een oude beloningsafspraak in 2012 als model gebruikt om een beloningsafspraak met een andere medewerker te maken. [gedaagde] betwist dat vanaf de benoeming van [naam 5] tot statutair directeur van FresQ Red Star tussen [naam 5] en [gedaagde] enige aanvullende (belonings)afspraak heeft bestaan. [gedaagde] heeft er verder op gewezen dat uit de door [naam 3] bij de NVWA afgeleide verklaring volgt dat hij [naam 5] als statutair bestuurder van FresQ Red Star heeft voorgedragen “vanwege zijn ervaring en competenties”.
De rechtbank overweegt dat uit de e-mail van 23 november 2009 van [naam 13] ( [gedaagde] ) aan [naam 7] volgt dat het initiatief voor de benoeming van [naam 5] tot statutair bestuurder van FresQ Red Star is uitgegaan. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het initiatief voor de benoeming van [naam 5] is uitgegaan van [naam 3] , blijkt uit de e-mail van 23 november 2009 dus het tegenovergestelde. De rechtbank kent daarom geen gewicht toe aan de verklaring van [naam 3] op dit punt. [gedaagde] heeft verder voor het organogram en de conceptbeloningsafspraken geen toereikende verklaring kunnen geven, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Dat zowel het organogram als de conceptbeloningsafspraken op een vergissing berusten ligt immers niet voor de hand. Hierbij is ook van belang dat [naam 5] aanwezig is geweest bij de kwartaalvergadering van [gedaagde] van 20 april 2010. Reeds zijn aanwezigheid bij de vergadering wijst er op dat [naam 5] feitelijk nog steeds als medewerker van [gedaagde] werd gezien. Uit het verslag volgt verder dat het navolgende aan de orde is gekomen:
“We hebben een bewogen start van 2010 achter de rug. We stonden voor de uitdaging om onze eigen identiteit te mogen behouden: De Red Star BV. Die missie is geslaagd: We hebben nog altijd ons eigen verkooporgaan, gestalte gegeven door [naam 5] , [naam 14] , [naam 15] en [naam 16] . Onlangs aangevuld met de internationale verkoper [naam 17] .
(…)
Jullie hebben allen resultaatafspraken gemaakt met jullie leidinggevende. Waar gaat het om, we willen van een organisatie die vanuit macht wordt gestuurd , naar een organisatie die vanuit kracht wordt geleid.
Dit houdt in dat niet meer 1 man bepaalt maar een team van leidinggevenden gaan leiden.
De resultaat afspraken hebben als doel om alle afdelingen zelf verantwoordelijk te maken voor hun resultaat. Hier dient nog een grote omslag plaats te vinden op diverse afdelingen.
We hebben in principe drie schepen met drie kapiteins aan het roer, hieronder staat èèn team van mensen die het beoogde resultaat voor dat schip dienen te behalen:
Samen èèn en dezelfde koers gaan varen, met, voor en door elkaar!
De drie kapiteins zijn [naam 2] , verantwoordelijk voor het resultaat van de telers, [naam 3] verantwoordelijk voor het resultaat van de verpakhal en [naam 5] , verantwoordelijk voor het resultaat van de verkoop.
We hebben maar 1 product: onze tomaat.”
De rechtbank kan het verslag van de kwartaalvergadering niet anders begrijpen dan dat bij [gedaagde] de overtuiging bestond dat, ook na doorvoering van het Plan van Aanpak, ( [naam 5] ) [naam 5] werd beschouwd als leidinggevende van de verkoopafdeling van [gedaagde] . [naam 5] wordt immers gepresenteerd als leidinggevende, die als “kapitein aan het roer” werd geacht om de koers van [gedaagde] te varen. Volgens [gedaagde] wordt in de kwartaalafspraken gerefereerd aan de zogeheten ketensamenwerking, waarbij het belangrijk is dat de verschillende pijlers binnen het productieproces (teeltproductie, verkoop en verpakking) goed met elkaar samenwerken, maar deze uitleg ligt niet voor de hand. In de notulen staat immers “we hebben in principe drie schepen” terwijl het springende punt nu juist is dat de verkoop is belegd bij FresQ Red Star, en de verkoop in die zin dus geen “schip” van [gedaagde] meer is. Als in de kwartaalvergadering slechts naar de onderlinge samenwerking binnen de pijlers zou zijn verwezen valt het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet te begrijpen waarom de andere leden van Exsento niet in dit overleg zijn betrokken. De kapiteins dienen blijkens de notulen immers in onderling overleg de koers te bepalen, hetgeen niet past in een samenwerkingsverband waarbij tomaten ook door andere leden worden geteeld. Verder wijst het kwartaalverslag er ook op dat er wel degelijk prestatieafhankelijke beloningsafspraken met [naam 5] zijn gemaakt, en dat [naam 5] kennelijk ook nog steeds een leidinggevende binnen [gedaagde] had met wie over de beloningsafspraak is gesproken. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [naam 5] feitelijk nog altijd door [gedaagde] werd aangestuurd.
Uit het voorgaande volgt dat het Plan van Aanpak niet juist is geïmplementeerd. De nieuwe leden fungeerden niet als zelfstandige nieuwe telers, maar exploiteerden tuinen voor rekening en risico van [gedaagde] . FresQ Red Star voerde niet de regie over de eigen afzet, maar [naam 5] was ondergeschikt aan [gedaagde] . Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] wist dat om aanspraak te kunnen maken op GMO-subsidie (i) FresQ Red Star moest worden aangestuurd door een eigen directeur (in dit geval: [naam 5] ); (ii) [naam 5] op zijn beurt diende te worden aangestuurd door de commercieel directeur van FresQ en; (iii) het Red Star segment per 1 januari 2010 diende te bestaan uit ten minste vijf leden, staat daarmee reeds vast dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de erkenningscriteria en daarmee heeft bewerkstelligd dat de inbreuk van FresQ op de erkenningscriteria zou blijven voortbestaan.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij te goeder trouw uitvoering aan het Plan van Aanpak heeft willen geven, en dat de nieuwe structuur van het Red Star segment volledig is afgestemd met zowel het Productschap als met FresQ, maar de rechtbank verwerpt dit betoog. Het is juist dat het Productschap het Plan van Aanpak heeft beoordeeld en geaccordeerd, en dat namens haar is onderzocht of het Plan van Aanpak correct is doorgevoerd, maar uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat [gedaagde] een schijnwerkelijkheid heeft gecreëerd. Nu het Productschap een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven, kan [gedaagde] zich niet op de goedkeuring van het Plan van Aanpak beroepen. De rechtbank verwerpt eveneens het standpunt dat FresQ volledig op de hoogte was van het feitelijk functioneren van FresQ Red Star. In de bestuursvergadering van 11 november 2009 van FresQ heeft [naam 1] immers nadrukkelijk bevestigd dat “de vier nieuwe leden zullen voldoen aan de gestelde maatstaven” en in de bestuursvergadering van 10 december 2009, op verzoek van een medebestuurslid, nog eens dat “de nieuwe leden elk een eigen productiebedrijf en een eigen identiteit hebben, en op geen enkele manier anderszins onderling zijn verbonden.” [gedaagde] heeft, in de persoon van [naam 1] , de daadwerkelijke onderlinge banden tussen [gedaagde] en de nieuwe leden dus voor het bestuur van FresQ verborgen gehouden. [gedaagde] kan zich in deze omstandigheden er niet op beroepen dat zij meende, en mocht menen, dat zij zich aan de regels hield.
Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat het er op lijkt dat [naam 4] , die binnen FresQ leiding gaf aan de GMO-afdeling, en [naam 3] , de algemeen directeur van FresQ, door [gedaagde] op de hoogte zijn gesteld van bepaalde elementen van de nieuwe structuur, zonder dat zij kennelijk noodzaak hebben gezien om in te grijpen. Allereerst volgt uit het verslag van de bespreking van 16 februari 2010 tussen onder meer [naam 4] , [naam 3] en [naam 7] dat zij er van op de hoogte waren dat binnen FresQ Red Star werd gewerkt met een vaste uitbetaalprijs, en dat deze afspraak de strekking heeft dat de winst en het verlies op het verkochte product ten opzichte van de uitbetaalprijs voor rekening van [gedaagde] komt. Uit het gespreksverslag kan echter niet worden afgeleid dat [naam 4] en [naam 3] er van op de hoogte waren op welke wijze de vaste uitbetaalprijzen in de praktijk werden vastgesteld. Nu het bestaan van vaste prijzen op zichzelf genomen niet in strijd met de erkenningscriteria behoeft te zijn, volgt uit het gespreksverslag dan ook niet dat [naam 4] en [naam 3] wetenschap hadden van het ongeoorloofde karakter van de afspraken. Daarnaast lijkt de e-mail van 5 november 2011 van Rob Bal (CFO [gedaagde] ) aan onder meer [naam 2] en [naam 1] met als onderwerp “GEHEIM: Fresunto” te suggereren dat [naam 4] wist dat [gedaagde] een belang van 50% had in Fresunto, en dat dit niet breder binnen FresQ bekend mocht worden.
“Zojuist telefonisch contact gehad met de notaris en met [naam 4] van FresQ over de validiteit van [gedaagde] B.V. als aandeelhouder van Fresunto B.V.:
1. Fresunto B.V. wordt straks een nieuw en onafhankelijk lid van FresQ en Exsento. Het stemrecht (invloed) zit bij de enig bestuurder [naam 18]
2. Op dit moment staat in het handelsregister Fresunto B.V. i.o. met twee functionarissen [bedrijf 4] en [gedaagde] B.V. Binnen enkele dagen wordt de i.o. status omgezet in een definitieve B.V. status waardoor de functionarissen verdwijnen en vervangen worden door 1 bestuurder [naam 18] . De aandeelhouders worden in het Handelsregister NIET zichtbaar.
3. Geïnteresseerden kunnen echter wel de oprichtingsakte bij de KvK opvragen waar de aandeelhouders zichtbaar in zijn. Ook [naam 4] vindt dit echter vergezocht. [naam 4] gaat het erom dat als er straks een aanvraag komt voor FresQ lidmaatschap van Fresunto dan gaat FresQ kijken in het handelsregister en daar staat alleen Fresunto BV met enig bestuurder [naam 18] . Voor FresQ géén aanleiding om verder te zoeken.... [naam 4] kan leven met deze procedure.
4. Lidmaatschap FresQ/Exsento pas nadat BV formeel is opgericht. Volgens de notaris zal dit binnen enkele dagen een feit zijn. Volgens haar zijn er geen lange wachttijden op dit moment.
5. Deze mail gaat NIET naar FresQ”
De rechtbank kan de inhoud van deze e-mail niet goed plaatsen. Maar wat hiervan ook moge zijn, zelfs al zou [naam 4] hebben geweten dat in ieder geval één van de leden verbonden was aan [gedaagde] , dan volgt uit dezelfde e-mail dat dit niet breder binnen FresQ bekend mocht worden. [gedaagde] heeft geen enkele verklaring gegeven waarom, indien zij daadwerkelijk meende dat aan alle regels werd voldaan, het belang van [gedaagde] in Fresunto voor bepaalde personen binnen FresQ (en de buitenwereld) verborgen moest blijven. Dat [gedaagde] met [naam 4] over de nieuwe structuur heeft gesproken, maakt in deze omstandigheden nog niet dat zij er gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat zij zich aan de regels hield.
Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat uit de bevindingen van de Europese Commissie tijdens de eerdere audit volgt dat de wijze van vaststellen van de verkoopprijzen van de verkoopdochters van FresQ niet verenigbaar is met de erkenningscriteria, en dat het nu gaat om de inkoopprijzen, en dat deze uitleg voor [gedaagde] niet voorzienbaar is, faalt dit betoog. [gedaagde] heeft door het in strijd met het Plan van Aanpak behouden van de regie over FresQ Red Star bewust bewerkstelligd dat FresQ nog steeds niet aan de erkenningscriteria voldeed. Het is daarmee niet relevant op welke gronden de intrekking precies is gebaseerd. Voldoende is dat de intrekkingsgronden voortvloeien uit het welbewust behouden van de regie door [gedaagde] . Daar is hier sprake van. Uit de uitspraak van het CBb van 25 april 2017 volgt immers dat [gedaagde] een bepalende rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de uitbetaalprijzen van de nieuwe leden en dat niet voldaan is aan het vereiste dat geen van de leden misbruik kan maken van zijn macht of invloed kan uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van een producentenorganisatie. De intrekkingsgronden zijn daarmee een voldoende voorzienbaar gevolg van het niet volledig doorvoeren van het Plan van Aanpak.
Uit het bovenstaande volgt dat [gedaagde] (bewust) heeft gehandeld in strijd met de GMO-Regelgeving.
(ii) Komt [gedaagde] een beroep toe op de contractuele uitsluitingsgrond?
[gedaagde] voert aan dat in de overeenkomsten een uitsluitingsgrond staat, zodat de Curatoren geen beroep toekomt op de vrijwaring uit die overeenkomsten. Volgens de Curatoren is die uitsluitingsgrond niet van toepassing, althans kan [gedaagde] deze niet inroepen.
In artikel 10.3 van de Raamovereenkomst en artikel 36.1 van de Projectovereenkomsten staat: “Eventuele inhouding, terugvordering niet-verstrekking en/of sancties – behoudens ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ – komen voor rekening en risico van [ [gedaagde] ]. [ [gedaagde] ] vrijwaart FresQ voor aanspraken van de GMO-Instantie ter zake van teruggevorderde (…) GMO-Subsidie”. Naar de rechtbank begrijpt staat [gedaagde] de uitleg voor (paragraaf 212 van haar conclusie) dat ‘grove nalatigheid’ bij FresQ in de weg staat aan een beroep op de vrijwaring van artikel 36.1 en 10.3 (hierna: de uitsluitingsgrond). Uit paragraaf 6.12.6 van de dagvaarding van de Curatoren leidt de rechtbank af dat de Curatoren het met die uitleg in beginsel eens zijn. De rechtbank zal van die uitleg dus uitgaan. Volgens het CBb in zijn uitspraak (zie rov. 2.36) is sprake van grove nalatigheid bij FresQ.
[gedaagde] stelt vervolgens dat, als gevolg van de uitsluitingsgrond uit de genoemde artikelen 10.3 en 36.1, ook een beroep op de vrijwaring van artikel 3.4 van de Projectovereenkomsten niet opgaat. In artikel 3.4 van de Projectovereenkomsten is de genoemde uitzondering met betrekking tot opzet dan wel grove nalatigheid (anders dan bij 10.3 en 36.1) echter niet opgenomen. Bij een letterlijke uitleg van de tekst gelden er dus geen uitzonderingen op de vrijwaring van artikel 3.4. Hier komt het dus aan op de vraag of de vrijwaring van 3.4 desondanks anders moet worden uitgelegd. In de Projectovereenkomsten is niet bepaald dat als sprake is van een terugvordering van subsidie (de situatie als bedoeld in artikel 36.1), artikel 3.4 buiten beschouwing moet blijven. De inhoud van de artikelen brengt die conclusie op basis van de tekst ook niet noodzakelijkerwijs met zich mee. De artikelen regelen immers verschillende situaties. De artikelen 36.1 en 10.3 zien – kort gezegd – op het geval dat een subsidie wordt teruggevorderd. Het artikel 3.4 bevat bepalingen voor het geval – kort gezegd – een lid in strijd handelt met GMO-Regelgeving. Die situaties staan los van elkaar. Zo is de situatie denkbaar dat er subsidie wordt teruggevorderd zonder dat het betreffende lid in strijd met GMO-Regelgeving handelt. Voor een aantal andere leden van FresQ zal die situatie gelden en zij zullen zich vermoedelijk met succes op de uitsluitingsgrond van artikel 36.1 kunnen beroepen. Maar er kan ook sprake zijn van samenloop tussen de situaties als bedoeld in artikel 3.4 en artikel 36.1, zoals bij [gedaagde] het geval is. In die gevallen is de tekstuele uitleg van artikel 3.4, dat het lid dat de GMO-Regelgeving overtreedt, FresQ vrijwaart voor alle schade, niet onlogisch. Uit artikel 3.1 van de Projectovereenkomsten volgt immers een algemene verplichting van [gedaagde] om niet in strijd te handelen met GMO-Regelgeving. De reden daarvoor wordt expliciet in artikel 3.4 vermeld: handelen in strijd met die regelgeving kan nadelige financiële gevolgen voor FresQ hebben. De zware sanctie van aansprakelijkheid voor alle schade van FresQ past binnen de ‘alles-of-niets’ systematiek van de GMO-Regelgeving. Het handelen in strijd met de erkenningscriteria leidt in de praktijk immers tot intrekking van de erkenning met terugvordering van alle subsidies. Dat de schending van de criteria vérgaande gevolgen kon hebben, was op het moment van het sluiten van deze overeenkomsten ook al bekend bij FresQ en haar leden – dat volgde immers uit de audits van september en november 2007, de brief van de Europese Commissie van 16 januari 2008 en het contact tussen het Productschap en FresQ in december 2008. In de brief van de Europese Commissie was opgenomen:
“De TV [telersvereniging] FresQ komt met de wijze waarop zij de mogelijkheden van Verordening (EG) nr. 1432/2003 benut, gevaarlijk dicht bij de grenzen van het toelaatbare – en overschrijdt deze zelfs voor wat het afzetten van de productie betreft. Met betrekking tot de naleving van de erkenningsvoorschriften vraagt het auditteam van AGRI.J.2 zich ernstig af of het afzetcriterium door op zijn minst 3 leden van de TV FresQ in acht wordt genomen. Bevestiging van deze niet-naleving kan aanleiding geven tot intrekking van de erkenning van de TV of tot uitsluiting van financiering van een deel van de activiteiten van de TV.”
Gelet hierop ziet de rechtbank, zonder nadere onderbouwing door [gedaagde] , die ontbreekt, geen aanleiding om aan te nemen dat de uitsluitingsgrond van ‘grove nalatigheid’ van FresQ uit artikel 10.3 en 36.1 ook van toepassing is in het geval van een beroep op de vrijwaring uit artikel 3.4.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Zelfs als de uitsluitingsgrond van ‘grove nalatigheid’ van FresQ van toepassing zou zijn op de vrijwaringen uit de overeenkomsten, dan geldt dat [gedaagde] deze niet kan inroepen. [gedaagde] heeft zelf de inbreuk door FresQ op de erkenningscriteria veroorzaakt door de handelswijze als hierboven in rov. 4.12 tot en met 4.31 omschreven. Partijen zijn het er over eens dat de uitzondering niet kan worden ingeroepen ten gunste van leden die zich zelf schuldig hebben gemaakt aan frauduleuze handelingen (paragraaf 216 van de conclusie van antwoord). Ook de redelijkheid en billijkheid verlangen dat [gedaagde] op die uitsluitingsgrond geen beroep kunnen doen (vergelijk artikel 6:23 BW).
Tussenconclusie
De Curatoren komt een vordering toe tot nakoming door [gedaagde] van de in artikel 3.4 opgenomen verplichting tot vrijwaring van FresQ voor alle schade als gevolg van het handelen in strijd met de GMO-Regelgeving. [gedaagde] kan zich niet beroepen op een contractuele uitsluitingsgrond.
Aangezien de vrijwaring op grond van artikel 3.4 een grotere reikwijdte heeft dan de andere vrijwaringen, namelijk vergoeding van alle schade die FresQ lijdt als gevolg van het handelen in strijd met de GMO-Regelgeving, bespreekt de rechtbank in het navolgende die elementen: het causaal verband tussen bedoeld handelen en de schade (iii) en de omvang van de schade (iv).
(iii) Causaal verband
Volgens [gedaagde] ontbreekt het causaal verband tussen haar handelen in strijd met de GMO-Regelgeving en de gevorderde schade. Daartoe stelt [gedaagde] dat FresQ, zelfs als de gedragingen van [gedaagde] worden weggedacht, nog steeds inbreuk zou hebben gemaakt op de erkenningscriteria. [gedaagde] wijst er in dit verband op dat uit het intrekkingsbesluit van het Productschap volgt dat een andere verkoopdochter van FresQ, FresQ Rainbow Growers, eveneens niet conform het Plan van Aanpak heeft gehandeld. Het CBb heeft in de uitspraak van 25 april 2017 deze intrekkingsgrond onbesproken gelaten, maar dit doet er niet aan af dat de gedragingen van FresQ Rainbow Growers de intrekking van de erkenning zelfstandig hadden kunnen dragen, aldus [gedaagde] . De schade zou dus ook zonder het handelen van [gedaagde] zijn ingetreden, zodat er geen causaal verband bestaat tussen de handelingen van [gedaagde] en de schade van FresQ. De rechtbank gaat hier niet in mee.
Het kan in het midden blijven of de situatie bij FresQ Rainbow Growers zelfstandig de intrekking van de erkenning van FresQ had kunnen dragen. Nu de schade in ieder geval het gevolg is van de omstandigheid dat FresQ Red Star door toedoen van [gedaagde] niet aan de erkenningscriteria voldeed, is het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de schade van de boedel gegeven. Voor zover [gedaagde] met hun stellingen betogen dat van de Curatoren verlangd kan worden dat ook (de leden van het segment van) FresQ Rainbow Growers aansprakelijk worden gesteld, verwerpt de rechtbank dit betoog. Nu het gaat om nakoming van een vrijwaring zijn de artikelen 6:95 BW en verder niet van toepassing en is dus ook geen plaats voor een beroep op vermeende eigen schuld op grond van artikel 6:101 BW. De Curatoren zijn dus niet gehouden om een proportioneel gedeelte van de schade op FresQ Rainbow Growers te verhalen, maar kunnen er voor kiezen om alleen nakoming van de vrijwaring door [gedaagde] te vorderen.
Het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de schade ter grootte van de teruggevorderde subsidie staat gelet op het bovenstaande vast. De Curatoren vorderen echter betaling van het gehele boedeltekort in het faillissement. De Curatoren hebben de overige schulden uit de boedel en de kosten van het faillissement echter niet gespecificeerd, en niet toegelicht waarom het onbetaald blijven van deze posten het gevolg is van het handelen van [gedaagde] . Het causaal verband komt dus alleen vast te staan ten aanzien van de schade in de vorm van de teruggevorderde subsidies. De rechtbank gaat in het navolgende in op de omvang van deze schade (iv).
(iv) Omvang schade
Het bedrag waarvoor [gedaagde] de boedel dient te vrijwaren is de schade in de vorm van de vordering die aan RVO moet worden voldaan uit de boedel van FresQ. Het bedrag dat RVO (thans nog) van de boedel vordert is € 45.113.602,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 35.855.331,59 vanaf 25 september 2013 en te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 9.258.271,35 vanaf 12 oktober 2015.
[gedaagde] heeft de hoogte van de schade weersproken. Daartoe stelt zij dat in elk geval een gedeelte van de teruggevorderde subsidie tot waardevermeerdering van FresQ heeft geleid. Een gedeelte van de subsidies werd immers besteed aan faciliteiten, zijnde roerende en onroerende zaken op locaties van een lid of leden, die na afloop van een operationeel programma vervreemd konden worden door FresQ. [gedaagde] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt om welke faciliteiten het dan gaat, wat de restwaarde daarvan was, en hoe een en ander zicht verhoudt tot het faillissement van FresQ. De rechtbank kan dus ook niet vaststellen dat FresQ enig voordeel heeft genoten, en zal daarom aan deze stelling van [gedaagde] voorbijgaan.
[gedaagde] heeft zich nog beroepen op eigen schuld (artikel 6:101 BW) en op matiging van de schade (6:109 BW). Die verweren gaan niet op, nu de vordering van de Curatoren een vordering tot nakoming van een vrijwaring betreft en geen vordering op grond van wanprestatie.
De omstandigheid dat RVO ongeveer gelijktijdig met de Curatoren een procedure aanhangig heeft gemaakt waarbij [gedaagde] aansprakelijk is gesteld voor de schade ter grootte van het bedrag van teruggevorderde subsidies leidt evenmin tot een ander oordeel. De rechtbank heeft in deze procedure te oordelen over de vraag of de boedel op dit moment een vorderingsrecht heeft. Daarvan is sprake. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat RVO en de Curatoren zijn overeengekomen dat eventuele opbrengsten voor RVO uit de met de onderhavige procedure gevoegde procedure, door RVO worden afgedragen aan de boedel ter verdeling onder de gezamenlijke crediteuren volgens de wettelijke rangorde. Er bestaat dus geen risico dat [gedaagde] dubbel moet betalen.
Conclusie
De vordering van de Curatoren tot nakoming van de vrijwaring op grond van artikel 3.4 van de Projectovereenkomsten zal worden toegewezen, zodat [gedaagde] de schade die het gevolg is van haar handelen in strijd met de GMO-Regelgeving, zijnde het bedrag aan teruggevorderde subsidie dat vooralsnog niet door FresQ aan RVO is terugbetaald, te vermeerderen met wettelijke rente, aan de Curatoren dient te voldoen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
[gedaagde] heeft ten slotte verweer gevoerd tegen de door de Curatoren gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Daarover stelt [gedaagde] het volgende. De Curatoren kunnen een toewijzend vonnis op grond van de overeenkomst van 29 september 2025 pas uitwinnen als het in kracht van gewijsde is gegaan, zodat de Curatoren geen belang bij de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad hebben. De rechtbank overweegt dat het tegenovergestelde ook waar is. De Curatoren kunnen dit vonnis op grond van de overeenkomst tussen RVO, de Curatoren en [gedaagde] pas tenuitvoerleggen nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, zodat de belangen van [gedaagde] zich niet tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verzetten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een veroordeling in een vonnis om een bedrag aan een schuldeiser te betalen, op vordering van die schuldeiser, uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Proceskosten
De rechtbank zal de subsidiaire vordering van de Curatoren jegens [gedaagde] toewijzen. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de Curatoren.
Aan de zijde van de Curatoren worden de kosten begroot op € 12.296,35, te vermeerderen met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging. Deze kosten bestaan uit een bedrag van € 2.723 aan griffierecht, € 122,35 aan kosten dagvaarding, € 9.262 (tarief VIII x 2 punten) aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten.
5. De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt [gedaagde] om aan de Curatoren, in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van de Coöperatie Telerscoöperatie FresQ U.A., te betalen een bedrag van € 45.113.602,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 35.855.331,59 vanaf 25 september 2013 en te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 9.258.271,35 vanaf 12 oktober 2015;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van de Curatoren, tot op heden begroot op € 12.296,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagde] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, mr. J.J. Kuipers en mr. M.E. Voorrips en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.