ECLI:NL:RBDHA:2026:21120

ECLI:NL:RBDHA:2026:21120

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-06-2026
Datum publicatie 28-07-2026
Zaaknummer NL26.33212
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2026:18677
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2026:4232

Samenvatting

Artikel 59 (AMP) / juiste grondslag ophouding / gebrek rechtsbijstand bij het ID gehoor, belangenafweging in het voordeel van vw / pkv ivm gebrek / deels gronden bestreden / geen lichter middel / ongegrond + pkv

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33212

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 12 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Essebai als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden.

2. De gemachtigde van eiser voert – kort samengevat - aan dat de ophouding op de onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, maar eiser had opgehouden moeten worden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Dit gebrek maakt dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is en de belangenafweging dient dan ook in het voordeel van eiser uit te vallen. Daarnaast heeft eiser bij het ophoudgehoor te kennen gegeven dat hij een advocaat wenst bij het gehoor, waarna verweerder een piketmelding heeft gedaan. Het ophoudgehoor heeft vervolgens plaatsgevonden zonder rechtsbijstand. Er is sprake van een ernstig gebrek, eiser is daadwerkelijk benadeeld. Eiser is immers kwetsbaar gezien zijn leeftijd en traumatische overtocht naar Europa. De gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring worden inhoudelijk betwist. Er is geen sprake van een risico op onderduiken. Verweerder had dan ook kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ophouding van eiser terecht heeft gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. De reden is dat eiser ten tijde van de ophouding niet in het bezit was van identificerende documenten waardoor de identiteit van eiser niet gelijk kon worden vastgesteld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser terecht is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.

5. Uit de M105 (Proces-verbaal van ophouding en onderzoek) blijkt dat eiser op 13 juni 2026 om 11:53 uur is opgehouden na staandehouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. Om 11:57 uur is eiser gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat tijdens het gehoor. Eiser heeft verklaard hiervan gebruik te willen maken. Hierna is melding bij het vreemdelingenpiket gedaan. Het gehoor in het kader van de ophouding is om 13:11 uur aangevangen zonder dat daar een advocaat bij aanwezig was. Uit de M105 blijkt niet dat eiser aan het begin van het gehoor nogmaals is gevraagd of hij bijgestaan wil worden door een advocaat. Nu eiser volgens de M105 heeft verklaard gebruik te willen maken van een advocaat tijdens het gehoor en het ophoudgehoor heeft plaatsgevonden zonder advocaat, is sprake van een gebrek.5.1. Dit gebrek maakt de maatregel pas onrechtmatig als de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, aangezien eisers gemachtigde na het verhoor in het kader van de ophouding aanwezig is geweest voor het gehele gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. Zoals ook blijkt uit de M110 (het proces-verbaal van gehoor). Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangen die met de bewaring zijn gediend, niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek, wel veroordelen in de proceskosten.

6. De rechtbank overweegt dat verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt (a). Immers heeft eiser verklaard dat hij illegaal met de boot vanuit Tunesië naar Europa is gekomen en niet beschikte over geldige reis- of grensoverschrijdingsdocumenten, zodat feitelijk juist is dat eiser eerder Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen. Dat hij daarna naar Duitsland is vertrokken en vanaf daar middels een Dublin-overdracht weer terug Nederland in is gereisd, doet niet aan dit gegeven af. Verweerder heeft voorts aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven (b). Gebleken is dat eiser op 25 september 2025 een beschikking heeft ontvangen waaruit volgt dat hij de Europese Unie danwel Nederland dient te verlaten. Eiser heeft hier geen gevolg aan gegeven nu hij naar Duitsland is vertrokken. Uit artikel 5.6, derde lid, van de Vb blijkt dat voor de onder andere de gronden a en b volstaan kan worden met de feitelijke juistheid hiervan. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat hierdoor het onderduikrisico bestaat. Nu met het voorgaande voldoende gronden bestaan om de maatregel te kunnen dragen, laat de rechtbank de beoordeling van de rechtmatigheid van de overige gronden achterwege.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Voor zover eiser meent dat hij vanwege zijn claustrofobie, onzekerheid en stress detentieongeschikt is, overweegt de rechtbank dat het op zijn weg ligt om dit aan te tonen.

8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J.P. Bosman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand