RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaak-/rolnummer: C/09/707632 / KG ZA 26-689
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
NA BRASA KIJKDUIN B.V. te Den Haag,
eiseres,
hierna te noemen: Na Brasa,
advocaat: mr. R.M. van der Zwan,
tegen
DE KIJKDUINSE RETAIL ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V te Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: KROM,
advocaat: mr. D.LA. van Voskuilen.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit:
- de dagvaarding van 24 juni 2026 met producties 1 tot en met 8;
- de aanvullende producties 9 tot en met 11, waaronder het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarbij Na Brasa in staat van faillissement is verklaard.
Op 20 juli 2026 vond de mondelinge behandeling van de zaak plaats Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Mr. Van der Zwan heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zijn toegevoegd aan het procesdossier.
Na afloop van de mondelinge behandeling is op verzoek van de voorzieningenrechter namens Na Brasa een schriftelijke verklaring van de curator aan de rechtbank verstrekt. Deze verklaring komt erop neer dat de curator het geding niet wenst over te nemen, maar geen bezwaar heeft tegen de voorzetting ervan. Namens KROM is nog een akte ingediend met daarin een reactie op de aanvullende producties. Deze stukken maken eveneens deel uit van het procesdossier.
In verband met de spoedeisendheid van de beslissing is bepaald dat heden een kop/staart vonnis zal worden gewezen. De motivering van de beslissing volgt zo snel mogelijk, maar vanwege de vakantieperiode niet precies binnen twee weken na heden.
De motivering van de afwijzing van de vorderingen zal in de kern neerkomen op het volgende. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat partijen zijn overeengekomen dat KROM een uitbreiding van het rookkanaal zou realiseren in het door Na Brasa gehuurde pand, zoals ook de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen. Nadien is Na Brasa echter in staat van faillissement verklaard. Dat doet de vraag rijzen of er nog voldoende belang is bij de vordering tot nakoming van de verplichting tot de zojuist genoemde uitbreiding en of toewijzing daarvan met niet gemakkelijk omkeerbare gevolgen op zijn plaats is. Dat zou het geval kunnen zijn als aannemelijk is dat een doorstart wordt beoogd. Aan die aannemelijkheid schort het thans echter. De curator heeft ook niet bericht dat een doorstart mogelijk lijkt en beoogd wordt.
2. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van Na Brasa af;
veroordeelt Na Brasa in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als Na Brasa niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
3425