Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-291447-25 en 09-307110-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 9 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 26 januari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. T. Nauta en de raadsman van de verdachte is mr. R.J. Balkenende te Den Haag, waarnemend voor mr. D.J.D. Groenendijk. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 09-291447-25 (zaak 1 - ontploffing tabakszaak) hij op of omstreeks 1 november 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meerdere stuk(ken) zwaar vuurwerk voor/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid van de tabakszaak aan de [adres 2] , in contact te brengen met open vuur, waardoor dit vuurwerk aldaar tot ontploffing kwam, terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten de voorgevel van de
tabakszaak aan de [adres 2] en/of naburige woningen en/of pandenen/of goederen die zich in die tabakszaak en/of die woningen en/of pandenbevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchtenwas, te weten de in die naburige woningen aanwezige personen en/of personen diezich in de nabijheid van de [adres 2] bevonden (onder anderevoorbijgangers);
in de zaak met parketnummer 09-307110-25 (zaak 2 - openlijke geweldpleging)
hij op of omstreeks 24 juli 2025 te ’s-Gravenhage op de openbare weg, te weten in de
omgeving van De Rade en/of de Wezelrade, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft
gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde
geweld bestond uit het slaan en/of schoppen en/of stompen tegen het gezicht en/of het hoofd
en/of het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar, in
elk geval enig lichamelijk letsel ten gevolge had.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak 1 en het in zaak 2 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
In zaak 1 heeft de raadsman zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat (kort gezegd) niet bewezen kan worden dat door het teweegbrengen van de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, zodat de verdachte van dat deel van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.
In zaak 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat het door de verdachte gepleegde geweld ‘zwaar dan wel enig lichamelijk letsel’ als gevolg had en daarom dient de verdachte van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hieronder per zaak de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Gebruikte bewijsmiddelen in zaak 1 - ontploffing tabakszaak
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van het onderzoek KOLBLEI25/DH1R025093, van de politie Eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 165).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 januari 2026, voor zover inhoudende:
Ik werd 31 oktober 2025 in de avond benaderd op Snapchat om een opdracht uit te voeren voor € 350,--. Door iemand uit mijn Snaplijst. Ik heb het vuurwerk geplakt op de ruit en aangestoken. Het was een Cobra 6. Die heb ik gekregen van de persoon via Snapchat. Iemand is die naar mij komen brengen. Ik liep mijn huis uit, iemand bracht mij de cobra en toen ging ik naar die locatie. Het was de bedoeling daar iets kapot te maken. Ik heb het gefilmd voor bewijs dat het gedaan was en dat filmpje gestuurd naar degene die mij had benaderd.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , opgemaakt op 1 november 2025, voor zover inhoudende (p. 12-13):
Ik ben eigenaar van mijn winkel Tabakszaak [bedrijf] , gevestigd op de [adres 2] te ’s-Gravenhage. Op zaterdag 1 november 2025 werd ik door de politie gebeld en die gaven aan dat er een explosief af was gegaan bij mijn winkel. Ik ben direct naar mijn winkel gegaan en zag, toen ik bij mijn winkel aankwam, dat de voorruit van de voordeur gebarsten was. Ik zag dat een groot deel van het glas eruit lag en op de grond lag voor de deur.
3. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlage ‘Vakbijlage Gevaarzetting Super Cobra 6 en vergelijkbare artikelen’, opgemaakt op 1 november 2025, voor zover inhoudende (p. 45-57):
Ik, verbalisant, deed onderzoek naar een explosie op 1 november 2025. Ik zag dat de explosie was afgegaan bij een tabakszaak aan de [adres 2] te ’s-Gravenhage. Ik zag dat de tabakszaak gelegen is in een woonwijk. Ik zag dat er boven de tabakszaak woningen waren gevestigd.
Hieronder een citaat uit de Vakbijlage Gevaarzetting Super Cobra 6 van het Nederlands Forensisch Instituut.
Wanneer een Super Cobra 6 (2G) ontploft, levert dit gevaar op voor personen en goederen die zich nabij de ontploffende Cobra 6 bevinden. Wanneer een Super Cobra 6 (2G) direct tegen een voorwerp aan ontploft, zal dit voorwerp vrijwel altijd beschadigen. De ernst van de gevolgen van de explosie voor personen is onder meer afhankelijk van de locatie van personen ten opzichte van de explosie.
Bij bijvoorbeeld lichaamscontact met één exemplaar van een Super Cobra 6 (2G) ten tijde van de explosie, ontstaat ernstig lichamelijk letsel tot zeer ernstig lichamelijk letsel door de drukgolf en de hitte. Bij (vrijwel) direct contact met bijvoorbeeld het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon ontstaat zelfs gevaar voor dodelijk letsel. Op afstanden verder weg is het van specifieke omstandigheden afhankelijk of en tot welk letsel de hitte en drukgolf leiden. Zo kan de hitte die vrijkomt bij de explosie, licht ontvlambare omgevingsmaterialen (bijvoorbeeld synthetische kleding) ontsteken en zo tot brand van omgevingsmaterialen en brandwonden leiden. De drukgolf kan tot op enkele meters afstand van de explosie tot permanente gehoorschade zoals trommelvliesbreuk leiden. Tot op tientallen meters afstand kan deze drukgolf ook nog tot andere vormen van (tijdelijke) gehoorschade leiden. Ook kan letsel optreden door de impact van scherven en brokstukken. Op relatief korte afstanden kunnen hete fragmenten karton, kunststof en (indien aanwezig) klei van de Super Cobra 6 (2G) zelf verwondingen aan de huid veroorzaken. Indien de Super Cobra 6 (2G) een object in de omgeving beschadigt, kunnen scherven en brokstukken van dit object met hoge snelheden weggeslingerd worden. Indien deze scherven en brokstukken van een hard materiaal zoals glas, metaal of steen zijn, kunnen ze lichamelijk letsel veroorzaken.
Ik las in proces-verbaal DH1R025093-8 dat er meerdere personen op de camerabeelden te zien waren ten tijde van de explosie. Verschillende personen reden namelijk langs de plaats delict met de fiets, de auto en er zaten twee personen op een nabijgelegen terras ten tijde van de explosie.
Bewijsoverwegingen zaak 1
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
Gelet op de verklaring van de verdachte en de inhoud van de bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de ontploffing aan de tabakszaak heeft teweeggebracht. De rechtbank dient ook te beslissen over welk gevaar door de ontploffing is veroorzaakt en naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook bewezenverklaard kan worden dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten was. Uit de bewijsmiddelen (de vakbijlage) blijkt dat het ontploffen van dergelijk vuurwerk niet alleen tot schade aan goederen, maar in directe nabijheid ook tot dodelijk letsel bij personen kan leiden. Bij een wat grotere afstand is er nog steeds een gevaar voor personen van brandwonden, gehoorschade, of letsel door rondvliegende scherven of ander materiaal.
Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat er boven en rondom de tabakszaak zich woningen bevonden en dat er meerdere personen in de buurt waren van de plek waar de ontploffing plaatsvond, op dat bewuste moment. Er waren voorbijgangers in de straat, zowel op de fiets als in de auto, en er zaten nog mensen op een nabijgelegen terras.
Gelet op het bovenstaande was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de ontploffing levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel te duchten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in zaak 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.
Gebruikte bewijsmiddelen in zaak 2 - openlijke geweldpleging
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025253437, van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 540).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 januari 2026, voor zover inhoudende:
Over de geweldpleging op 24 juli 2025 in Den Haag, bij de Rade/Wezelrade verklaar ik dat het klopt dat ik hem heb geslagen. Op zijn lichaam, en ik denk ook op zijn hoofd. Ik liep naar hem toe en de jongens gingen hem slaan.
2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 30 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 447-458):
V: Jij bent aangehouden voor openlijke geweldpleging. Dit is gebeurd op 24 juli 2025 in Den Haag.
A: We kwamen een paar jongens tegen, die waren een jongen aan het slaan. Ik heb hem ook een paar klappen uitgedeeld.
V: Hoe ging dat?
A: Met mijn vuist.
V: Hoe vaak deed je dat?
A: Meerdere keren, meer dan drie.
V: Ik zie dat jij achter het slachtoffer loopt. Ik zie dat jij het slachtoffer meerdere keren, ik heb geteld, 16 keer, slaat en ook schopt. Wat kun je hierover verklaren?
A: Dat heb ik gedaan.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 25 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 84-89):
Ik doe aangifte van de zware mishandeling die is gepleegd op 24 juli 2025, in de omgeving van de Rade in ’s-Gravenhage. Ter hoogte van het park kwamen wij een groep van 5 jongens tegen. Ik kreeg vervolgens vuistslagen in mijn gelaat, nek, achterhoofd en borst van [naam 1] . Vervolgens begon eenieder behalve [naam 2] hieraan mee te doen. Ik kreeg schoppen en slagen op mijn gehele lichaam, maar het meeste op mijn hoofd.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 juli 2025 met fotobijlagen, voor zover inhoudende (p. 94-98):
Op 25 juli werden wij, verbalisanten, gestuurd naar een adres. Wij zijn meteen naar het adres gereden. Hier bleek de jongen te zijn genaamd [slachtoffer] . Wij hoorden de jongen verklaren dat hij door andere jongeren meerdere keren was geslagen en geschopt, onder andere tegen het hoofd. Wij zagen dat er aan de rechterzijde van het hoofd van het slachtoffer een flinke verdikking aanwezig was. Wij hoorden het slachtoffer verklaren dat dit het gevolg was van de klappen en schoppen welke hij tegen zijn hoofd had gehad. Ook hoorden wij hem verklaren dat hij behoorlijke pijn aan zijn hoofd had. Wij zagen tevens dat de linker enkel van het slachtoffer flink opgezwollen was. Wij zagen dat hij mank liep.
Bewijsoverwegingen zaak 2
Openlijke geweldpleging in vereniging
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en voorts dat hij hierbij een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dat gepleegde geweld tegen het slachtoffer.
Letsel door het door de verdachte gepleegde geweld
Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat het slachtoffer als gevolg van het tegen hem gepleegde geweld enig letsel heeft opgelopen. De rechtbank moet – gelet op het ingenomen standpunt van de raadsman – voorts de vraag beantwoorden of het letsel van het slachtoffer het gevolg is geweest van het specifiek door de verdachte gepleegde geweld. Alleen dan kan het tenlastegelegde lichamelijk letsel als gevolg van het door de verdachte gepleegde geweld bewezen worden verklaard.
De verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen geslagen en geschopt, tegen diens lichaam, op de rug en tegen het hoofd. Bij het slachtoffer was onder meer een verdikking aan het hoofd zichtbaar, en hij had behoorlijke hoofdpijn als gevolg van de klappen en schoppen die hij op zijn hoofd gekregen had. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is, dat het letsel van het slachtoffer het gevolg is van het door de verdachte gepleegde geweld.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
in zaak 1 (ontploffing tabakszaak) hij op 1 november 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een stuk zwaar vuurwerk tegen de voordeur van de tabakszaak aan de [adres 2] , in contact te brengen met open vuur, waardoor dit vuurwerk aldaar tot ontploffing kwam, terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten de voorgevel van de
tabakszaak aan de [adres 2] en naburige woningen en pandenen goederen die zich in die tabakszaak en die woningen en pandenbevonden en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchtenwas, te weten de in die naburige woningen aanwezige personen en personen diezich in de nabijheid van de [adres 2] bevonden (onder anderevoorbijgangers);
in zaak 2 (openlijke geweldpleging)
hij op 24 juli 2025 te ’s-Gravenhage op de openbare weg, te weten in de
omgeving van De Rade en de Wezelrade, openlijk in vereniging geweld heeft
gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde
geweld bestond uit het slaan en schoppen en stompen tegen het gezicht en het hoofd
en het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig
lichamelijk letsel ten gevolge had.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straffen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte met toepassing van het jeugdstrafrecht wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 125 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De officier van justitie heeft gevorderd daarvan een gedeelte van 100 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming met daarbij een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] .
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf gevorderd, bestaande uit een werkstraf van 100 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een geheel voorwaardelijke werkstraf passend zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 januari 2026 en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in korte tijd tweemaal schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft een behoorlijk aantal harde klappen aan het minderjarige slachtoffer [slachtoffer] uitgedeeld en toen het slachtoffer al op de grond lag, heeft hij hem ook nog geschopt. Daarbij heeft hij het slachtoffer geraakt waar hij kon, ook op het hoofd. Dat het niet nog slechter voor het slachtoffer is afgelopen, is bepaald niet dankzij de verdachte. Het slachtoffer was alleen, en de groep die hem belaagde was met meer dan vijf jongens. Het slachtoffer werd die dag, ook voordat de verdachte betrokken raakte, al belaagd en geslagen en heeft nog steeds last van wat hem die dag is aangedaan. De verdachte heeft zich door de groep om hem heen gewillig laten ophitsen in plaats van verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen handelen. Dat mag de verdachte zich aanrekenen. Een dergelijk feit is niet alleen ernstig voor het slachtoffer dat vaak nog enige tijd kampt met de (fysieke of psychische) gevolgen, het brengt ook gevoelens van onveiligheid en onrust teweeg in de omgeving dan wel maatschappij.
Bij het plaatsen van de Cobra 6 bij de tabakszaak [bedrijf] heeft de verdachte eenzelfde onnadenkendheid laten zien. Na een bericht via Snapchat – waarbij de verdachte binnen een minuut de opdracht aanneemt voor het plaatsen van een explosief voor € 350,-- - is hij een paar uur later al op de plek waar hij de opdracht uitvoert. Hij heeft het vuurwerk op de ruit van de deur geplaatst en terwijl er nog mensen in de buurt waren, heeft hij het laten ontploffen. Dat er op dat moment geen voorbijgangers dichterbij waren of de hoek om kwamen lopen en niemand geraakt is door glasscherven, is meer geluk dan wijsheid geweest. Ook heeft de verdachte niet stilgestaan bij het effect van explosies op het gevoel van onveiligheid in de straat en in de buurt, en in het bijzonder bij de eigenaar van de tabakszaak persoonlijk. Naast de gevoelens van angst, onzekerheid en intimidatie die door zo’n ontploffing ontstaan, heeft de eigenaar de winkel tijdelijk moeten sluiten, met alle financiële gevolgen van dien. De verdachte heeft alleen zelf snel wat geld willen verdienen. Ook dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat weegt in de strafmaat verder niet mee omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 januari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt kort samengevat het volgende. De verdachte heeft aanvankelijk een gesloten houding aangenomen. Hij heeft niet veel willen vertellen over de verdenking en er was sprake van veel schoolverzuim. Nadat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten en vervolgens onder voorwaarden is geschorst, gaat het een stuk beter. Er is weinig tot geen schoolverzuim, de verdachte gaat rechtstreeks van school naar huis, houdt zich aan de als voorwaarde gestelde avondklok en ook aan zijn andere voorwaarden. Hij is actief bezig met het regelen van een baantje en sport en het gezin van de verdachte toont zich betrokken. De verdachte heeft zich begeleidbaar opgesteld met betrekking tot coaching en begeleiding. Zijn weerbaarheid en eventuele beïnvloedbaarheid zijn aandachtspunten, zodat hij bij voortzetting daarvan belang heeft. Onder meer een avondklok en meewerken aan coaching en eventuele behandeling worden daarom ook door de Raad voor de Kinderbescherming als bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Voor het plaatsen van explosieven is geen apart oriëntatiepunt opgenomen, maar bij de in hetzelfde artikel strafbaar gestelde brandstichting met gevaar voor personen, is als uitgangspunt een onvoorwaardelijke jeugddetentie vermeld. Bij openlijke geweldpleging is als uitgangspunt vermeld een taakstraf van 40 uur, met verhoging bij strafverzwarende omstandigheden.
De rechtbank zal mede gezien de positieve ontwikkeling van de verdachte in de periode na zijn schorsing, een jeugddetentie opleggen van 125 dagen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis (26 dagen). De resterende 99 dagen zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen. De bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd, met daarbij een contactverbod ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer] .
De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen voor 50 uren. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte met een grote groep jongens tegen één slachtoffer geweld heeft gebruikt, waar de verdachte aanzienlijk letsel aan heeft overgehouden.
7. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij in zaak 1 (ontploffing tabakszaak)
[benadeelde] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. van der Eijk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij vordert als schadevergoeding een bedrag van € 53.226,21, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 1.000,-- voor immateriële schade en een bedrag van € 52.226,21 aan materiële schade.
De immateriële schade bestaat uit psychisch letsel van het slachtoffer.
De materiële schade bestaat uit financiële posten, zoals de misgelopen omzet, winst en ook gederfd huurgenot doordat de tabakszaak (het winkelpand) als gevolg van de ontploffing op last van de burgemeester is gesloten voor een periode van drie maanden. Mocht de rechtbank deze schade niet kunnen schatten of vaststellen, dan vordert de benadeelde partij de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 12.000,-- en hem voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.
Indien geen vergoeding vanwege omzet- en winstderving kan worden toegekend, vordert de benadeelde partij een bedrag van € 5.550,-- toe te wijzen, vanwege verlies van het huurgenot van het winkelpand voor drie maanden aangezien de huur € 1.850,-- per maand bedraagt.
Het standpunt van de officier van justitie (zaak 1)
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor het deel dat betrekking heeft op de immateriële schade. Dat deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. Wat de vergoeding van materiële schade betreft, kan de vordering worden toegewezen tot het subsidiair gevorderde bedrag van € 12.000,--. Voor het meerdere kan de materiële schade niet worden vastgesteld, wat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid voor het overige deel van de vordering.
Het standpunt van de verdediging (zaak 1)
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade niet voldoende is onderbouwd, zodat deze moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het rechtstreekse verband tussen het door de verdachte gepleegde feit en de materiële schade ontbreekt. De schade is het gevolg van de sluiting van het winkelpand door de burgemeester. Die sluiting is het gevolg van de betrokkenheid van de benadeelde partij bij meer en andere incidenten, en niet van het door de verdachte gepleegde feit. Dit geldt zowel voor de schadepost gederfde omzet en winst in de periode dat de zaak gesloten was, als voor de schadepost in de vorm van het misgelopen huurgenot. Daarnaast is de berekening van de gederfde winst onvoldoende duidelijk. Winstcijfers over de periode voor de sluiting zijn onbekend.
Wat de immateriële schade betreft, kan het geestelijk letsel van de benadeelde partij niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Het oordeel van de rechtbank (zaak 1)
Het bewezenverklaarde levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens het slachtoffer. De schade die het slachtoffer als gevolg daarvan lijdt, moet de verdachte in beginsel aan hem vergoeden.
Immateriële schade
Als een slachtoffer als gevolg van een strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt, is sprake van een ‘aantasting in de persoon’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De benadeelde partij moet stellen en zo nodig onderbouwen dat van geestelijk letsel – naar objectieve maatstaven – sprake is.
In het geval van het slachtoffer kan de rechtbank niet vaststellen dat van dergelijk letsel sprake is. Het slachtoffer heeft niet voldoende onderbouwd dat van het gestelde psychisch letsel naar objectieve maatstaven sprake is. De aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zijn in dit geval ook niet zodanig, dat het gestelde letsel zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen.
Dat gevoelens van onrecht, onrust, angst en/of machteloosheid bij het slachtoffer zijn ontstaan, is op zichzelf begrijpelijk. De drempel voor het aannemen van immateriële schade die voor vergoeding door de verdachte in aanmerking komt, ligt echter hoger. Bij gebreke van nadere onderbouwing zal de rechtbank het deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft in beginsel recht op vergoeding van schade, voor zover die schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde door de verdachte gepleegde strafbare feit.
Ter terechtzitting is namens de benadeelde partij toegelicht welke financiële gevolgen de sluiting van de tabakszaak heeft. De rechtbank kan in dit geval niet vaststellen dat de gederfde omzet en winst in de periode dat de tabakszaak door de burgemeester gesloten is, rechtstreeks het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de verdachte. Uit de motivering van het besluit van de burgemeester van 14 november 2025, blijkt dat de winkel aanvankelijk als rechtstreeks gevolg van de ontploffing voor een periode van twee weken is gesloten. De sluiting voor de duur van drie maanden, is echter, zo blijkt uit die procedure, (mede) het gevolg van een reeks (uit nadere politie-informatie gebleken) incidenten waarbij eerwraak een rol speelt en het slachtoffer betrokken is. Omdat die problematiek niet opgelost is, acht de burgemeester een risico op herhaling van ernstige geweldsincidenten aanwezig. Dat heeft geleid tot het besluit de tabakszaak voor een periode van drie maanden te sluiten.
Evenmin kan de rechtbank het bedrag aan gederfde inkomsten in een gedeelte van de periode van sluiting eenvoudig vaststellen. Er is alleen een enkele btw-aangifte over het voorgaande kwartaal overgelegd en een brancherapport met gemiddelde winstmarges. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij deze schade niet voldoende heeft onderbouwd.
Met betrekking tot het gemiste huurgenot is de rechtbank van oordeel dat deze schade wel voldoende is onderbouwd. Het slachtoffer heeft tijdens de sluiting immers geen gebruik kunnen maken van de door hem gehuurde winkel terwijl hij wel de huur moest betalen. De eerste sluiting van de zaak voor een periode van twee weken, is het rechtstreeks gevolg geweest van de ontploffing. Het gemiste huurgenot dat voor vergoeding in aanmerking komt kan worden begroot op de huurprijs die voor die periode van twee weken is betaald. Die uitgaven missen hun doel en dat is te wijten aan de verdachte. De rechtbank stelt deze schade dan ook vast op 14/31ste van de maandelijkse huurprijs van € 1.850,-- voor de maand november, derhalve op een bedrag van € 835,50.
De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 835,50 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025, omdat de verdachte op die dag onrechtmatig heeft gehandeld en het slachtoffer de maandelijkse huurprijs bij vooruitbetaling verschuldigd is.
Voor het overige zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de (hoofdelijke) verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 835,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte (hoofdelijk) veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De vordering van de benadeelde partij in zaak 2 (openlijke geweldpleging)
Het slachtoffer [slachtoffer] , vertegenwoordigd ter zitting door mr. S. Epema, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 6.914,80, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 1.914,80 aan materiële schade en € 5.000,-- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade bestaat uit verschillende schadeposten, te weten het betaalde eigen risico voor gemaakte zorgkosten, van het slachtoffer afgenomen kleding/spullen, en een tramboete die het slachtoffer heeft gekregen toen hij in een tram is gestapt om weg te komen bij de plaats waar het geweld tegen hem was gepleegd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.889,50, bestaande uit € 389,85 vergoeding van materiële schade en € 2.500,-- vergoeding van immateriële schade.
Ook vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 2.889,85 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat niet te bepalen is dat de materiële schade is veroorzaakt nadat de verdachte bij het geweld tegen het slachtoffer betrokken is geraakt. Ook daarvoor was er al veel gebeurd. Subsidiair voert de verdediging aan dat met betrekking tot de gevorderde bedragen voor de merkkleding van het slachtoffer niet vaststaat dat zijn kleding daadwerkelijk de originele merkkleding met bijbehorende prijzen betreft.
De gevorderde immateriële schade heeft mede betrekking op de beroving en wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer. Daar is de verdachte niet bij betrokken geweest. Het bepalen van het aandeel van de verdachte in de schade van het slachtoffer zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.
Het verweer van de verdediging strekt dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij voor het volledige bedrag. Voor zover wel een bedrag aan vergoeding voor immateriële schade vastgesteld moet worden, zou dat bedrag volgens de verdediging € 2.500,-- moeten bedragen, of in ieder geval gematigd moeten worden.
Het oordeel van de rechtbank
De bewezenverklaarde openlijke geweldpleging levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens het slachtoffer. De schade die het slachtoffer als gevolg daarvan lijdt, moet de verdachte in beginsel aan hem vergoeden. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het door de verdachte gepleegde bewezenverklaarde strafbare feit.
De vordering tot vergoeding van materiële schade zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 389,85, te weten voor de posten eigen risico en de tramboete. Dat het slachtoffer zonder geldig vervoersbewijs in een tram is gestapt om weg te kunnen gaan van de plaats waar en de personen die hem hebben geslagen en geschopt, is toe te rekenen aan de verdachte en diens handelen. Voor het overige zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk verklaren. Alleen de schade die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde door de verdachte gepleegde strafbare feit, komt voor vergoeding door de verdachte in aanmerking. Omdat de kleding/spullen niet door de verdachte van het slachtoffer zijn afgenomen, althans hem dat niet ten laste is gelegd en dus ook niet bewezen is verklaard, kan de vordering voor dit deel dus niet worden toegewezen.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal de rechtbank gedeeltelijk toewijzen. De verdachte is betrokken geweest bij het openlijk geweld tegen het slachtoffer, met letsel tot gevolg. Uit het dossier volgt echter niet dat de verdachte betrokken is geweest bij geweld of een ander strafbaar feit tegen het slachtoffer, dat eerder op de dag was gepleegd.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse schaal, en zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.500,--, wat aan (de gedragingen van) de verdachte kan worden toegerekend. Voor het overige zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De vordering tot schadevergoeding zal aldus tot een bedrag van in totaal € 2.889,85 (hoofdelijk) worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2025.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de (hoofdelijke) verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 2.889,85, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte (hoofdelijk) veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
8. De toepasselijke wetsartikelen
9. De beslissing
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
De rechtbank:
bewezenverklaring
in de zaak met parketnummer 09-291447-25
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
in de zaak met parketnummer 09-307110-25
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen en maatregelen
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 125 (HONDERDVIJFENTWINTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (26 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van deze jeugddetentie van 99 (NEGENENNEGENTIG) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij de jeugdreclassering op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door/vanuit (een coach van) E25 of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
4. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-307110-25:
- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
5. gedurende de proeftijd zijn medewerking verleent aan behandeling door een zorginstelling of deskundige, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling/deskundige aan te geven, als de jeugdreclassering dit nodig acht;
6. zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met een maximale duur van vier maanden, tussen 19.30 uur en 7.00 uur aanwezig dient te zijn op het woon- of verblijfadres: [adres 3] . Gedurende die periode mag verdachte de woning tussen deze tijdstippen enkel onder begeleiding van een ouder en/of een door de jeugdreclassering aan te wijzen volwassene verlaten. De jeugdreclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west te Den Haag, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 50 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
in de zaak met parketnummer 09-291447-25
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 835,50 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 835,50, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 835,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
in de zaak met parketnummer 09-307110-25
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 2.889,85 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 2.889,85, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.889,85 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde op.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.P. Sarneel, kinderrechter, voorzitter,
mr. R. van Zeijst–Repelaer van Driel, kinderrechter,
en mr. E. van Die, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2026.