RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5061
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 5 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 30 december 2025.
4. Eiser stelt dat geen sprake is van een concreet zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Hem kan niet worden tegengeworpen dat hij geen medewerking verleent aan de presentatie bij de Libische autoriteiten wegens de vrees voor zijn leven. Een presentatie of het voeren van vertrekgesprekken heeft dan ook geen enkele meerwaarde en kan niet als betekenisvolle uitzettingshandeling worden aangemerkt. Een presentatie in persoon is wel noodzakelijk voor een uitzetting naar Libië, dus nu is al duidelijk dat het niet mogelijk zal zijn om eiser uit te zetten. Verweerder handelt dan ook onvoldoende voortvarend. Ook heeft verweerder geen deugdelijke belangenafweging gemaakt. Het is niet proportioneel om de bewaring te laten voortduren. Er is ten onrechte geen lichter middel toegepast. Eiser zit in een zeer strikt bewaringsregime waardoor zijn medische klachten verergeren. Tot slot verzoekt eiser om het beroep te behandelen ter zitting.
5. Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. De rechtbank ziet daarom geen reden voor een mondelinge behandeling van het vervolgberoep.
6. In zijn algemeenheid bestaat er zicht op uitzetting naar Libië. In het geval van eiser is er geen reden om hiervan af te wijken. Op eiser rust de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en aan het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser in de te beoordelen periode daaraan voldoende heeft voldaan. Uit het verslag van het vertrekgesprek op 14 januari 2026 volgt dat eiser geen nadere acties heeft ondernomen om aan documenten te komen of anderszins activiteiten heeft ondernomen in het kader van zijn vertrekplicht. Gelet op de voortgangsrapportage heeft verweerder aan zijn verplichting om maandelijks uitzettingshandelingen te verrichten voldaan. Van eiser mag worden verwacht dat hij meewerkt aan handelingen die nodig zijn voor zijn terugkeer, waaronder een persoonlijke presentatie in het kader van het verkrijgen van zijn lp. Indien eiser ervoor kiest om niet mee te werken aan zijn terugkeer, komt dat voor zijn eigen rekening en risico. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat een vertrekgesprek geen meerwaarde heeft. In een vertrekgesprek kan de voortgang van de uitzettingsprocedure met eiser worden besproken en zijn eigen aandeel daarin om een en ander te bespoedigen, bijvoorbeeld het verkrijgen van documenten die zijn identiteit en nationaliteit bevestigen. Bovendien wordt een vertrekgesprek door de Afdeling aangemerkt als een uitzettingshandeling.
7. Het is de rechtbank niet gebleken dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, en het daaruit volgende risico op onttrekking aan het toezicht, niet meer van toepassing zijn op eiser. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig bezwarend maken. Gelet op het onttrekkingsrisico heeft verweerder ook terecht geen lichter middel toegepast.
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing verder ook niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.