ECLI:NL:RBDHA:2026:21390

ECLI:NL:RBDHA:2026:21390

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 31-07-2026
Zaaknummer NL25.55534
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Asielaanvraag – Somalië – gestelde detentie en uitzetting vanuit Saoedi-Arabië ongeloofwaardig – ronselpoging Al-Shabaab ongeloofwaardig – risico bij terugkeer wegens Tumaal – terugkeer vanuit het Westen – risico op ernstige schade – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.55534

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. K.S. Kort),

en

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006 en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 december 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij nagenoeg zijn hele leven in Saoedi-Arabië heeft gewoond. Hij stelt dat hij in 2023 naar Somalië is gedeporteerd en dat hij daar is benaderd door zijn oom om zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Hij is daarom met behulp van zijn oma gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer voor de onveilige situatie in Somalië. Ook vreest hij voor problemen omdat hij tot een minderheidsstam, de Tumaal, behoort en omdat hij in het Westen heeft verbleven.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft het relaas over de deportatie en ronselpogingen ongeloofwaardig geacht. Hij heeft geen documenten overgelegd om zijn relaas te onderbouwen en heeft daarvoor geen goede reden gegeven. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder heeft verweerder overwogen dat, hoewel blijkt dat de Tumaal een minderheidsstam is, er geen sprake is van vervolging van de Tumaal in Somalië enkel en alleen vanwege het behoren tot deze bevolkingsgroep. Ook maakt eiser niet duidelijk waarom hij meer risico loopt bij terugkeer naar Somalië omdat hij terugkeert vanuit het Westen.

3. Eiser stelt in beroep dat onvoldoende is gemotiveerd op welke wijze zijn referentiekader is meegenomen in de beoordeling van zijn asielrelaas. Hij wijst daarbij op enkele gedetailleerde en moeilijke vragen die hem gesteld zijn. Eiser geeft een opsomming van verklaringen die hij tijdens de gehoren heeft afgelegd. Hij meent consistent en gedetailleerd te hebben verklaard over verschillende onderdelen van zijn asielrelaas. Verweerder is hier ten onrechte aan voorbij gegaan en focust slechts op vermeende tegenstrijdigheden en details die weinig afdoen aan het consistente relaas. In de correcties en aanvullingen heeft eiser al meerdere van deze vermeende tegenstrijdigheden gecorrigeerd. Eiser stelt dat als hij moet terugkeren naar Somalië, hij in een land komt dat hij amper kent en waar hij geen familie heeft waar hij terecht kan. Hij is herkenbaar als terugkeerder vanuit het buitenland. Ook leden van zijn stam, de Tumaal, kunnen hem geen onderdak en bescherming bieden, nu deze klein is en verspreid over het hele land. Bovendien is het voor hem moeilijker om werk te vinden als gevolg van de discriminatie van zijn stam. Verweerder heeft ten onrechte geen aandacht besteed aan het samenstel van factoren dat maakt dat eiser bij terugkeer een groot risico loopt het slachtoffer te worden van ernstige discriminatie en geweld, waaronder ook ontvoering. Ook gaat verweerder eraan voorbij dat de EUAA Country Guidance meldt dat de Tumaal een beroepsmatige minderheid zijn met een lage status, die mogelijk in aanmerking komt voor vluchtelingenstatus. Eiser loopt, gelet op alle individuele elementen, een reëel risico zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Referentiekader

4. Eiser is weliswaar ongeschoold en was minderjarig toen hij naar Nederland is gekomen, maar tijdens de gehoren was eiser reeds meerderjarig. In het voornemen is niet expliciet genoemd dat rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Uit de overwegingen in het bestreden besluit blijkt echter voldoende dat dit wel is gedaan. Zo is er rekening mee gehouden dat eiser stelt moeite te hebben met het benoemen van exacte data. Verweerder heeft niet tegengeworpen dat eiser niet exact kon aangeven wanneer hij ergens is geweest op een exact tijdstip en datum. Verweerder mocht wel van eiser verwachten dat hij voldoende deugdelijk kon verklaren over de kern van zijn asielrelaas. Dat verweerder rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser blijkt bijvoorbeeld ook uit het laten vallen van de tegenwerping over het verschil tussen het voorarrest en de detentie. Verweerder erkent daarbij dat niet van eiser kan worden verwacht dat hij concreet en foutloos kan verklaren over dergelijke benamingen en procedures omtrent zijn uitzetting uit Saoedi-Arabië. Ook is tijdens het gehoor stilgestaan bij wat is opgenomen in het medisch advies. In het bestreden besluit is ook voldoende gemotiveerd uiteengezet dat er controlevragen zijn gesteld om misvattingen en onduidelijkheden te verhelderen.

Artikel 31, zesde lid, aanhef onder b, van de Vw

5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef onder b, van de Vw. Eiser heeft immers onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat eiser tijdens het aanvullend gehoor zelf heeft verklaard dat hij een document heeft ontvangen waarin staat dat hij uit Saoedi-Arabië is gezet en dat hij het land vijf jaar niet meer in mag komen. Eiser heeft dit niet aangetoond of het document overgelegd. Het is aan eiser om zijn asielrelaas te onderbouwen met bewijsstukken. Nu de deportatie uit Saoedi-Arabië mede de kern van eisers asielrelaas vormt, mag van hem verwacht worden dat hij (een foto van) dit document of enig ander bewijsstuk kan overleggen. Eiser heeft verklaard dat hij foto’s van dit document kan overleggen als hij een telefoon heeft, maar deze lag ten tijde van de gehoren in de opvang. Verweerder stelt terecht dat van eiser meer inspanning verwacht mag worden om zijn relaas middels dit document te onderbouwen, gezien dit stuk kennelijk wel bestaat. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser terecht tegengeworpen dat hij (een foto van) het gestelde document had moeten overleggen. Eiser heeft dit nagelaten en daarvoor geen bevredigende verklaring gegeven.

Artikel 31, zesde lid, aanhef onder c, van de Vw

6. De rechtbank stelt voorop dat correcties en aanvullingen niet bedoeld zijn om verklaringen compleet te veranderen, maar om misvattingen en verkeerd vertaalde passages op te helderen. De verklaringen tijdens het gehoor zijn hierbij leidend. Daarnaast is tijdens de gehoren gebruik gemaakt van een registertolk. Hoewel de tolk fouten kan maken, mag verweerder ervan uitgaan dat de vertaling van de tolk correct is. De tolk heeft tijdens het nader gehoor ook aangegeven dat zij eiser letterlijk vertaalt zoals hij verklaarde tijdens het gehoor en dat eiser niet altijd even goed Somali spreekt. Ook zijn tijdens het gehoor, zoals eerder overwogen, controlevragen gesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de gehoren onzorgvuldig hebben plaatsgevonden.

7. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe lang hij heeft gewerkt als autowasser in Saoedi-Arabië. Tijdens het aanmeldgehoor heeft hij verklaard dat hij dit werk deed sinds zijn 13e of 14e levensjaar tot aan het moment dat hij is opgepakt. Hij was op dat moment 17 jaar oud. Dit betekent dat eiser 3 of 4 jaar heeft gewerkt als autowasser. Tijdens het nader gehoor verklaart hij echter dat hij dit werk maar twee maanden heeft gedaan. Het weerwoord van eiser dat de vraagstelling tijdens het aanmeldgehoor onvoldoende duidelijk is geweest en dat hij met zijn antwoord aangaf hoe lang hij al werkt in het algemeen, treft geen doel. De vraag: ‘hoeveel jaar heb je auto’s gewassen?’ is immers voldoende duidelijk, ook gelet op het referentiekader van eiser.

8. Eiser heeft verklaard dat hij vervolgens een periode gedetineerd is geweest in Saoedi-Arabië, waarna hij is uitgezet naar Somalië. Dat eiser geen onderscheid kan maken tussen de termen voorarrest en detentie, heeft verweerder hem niet langer tegengeworpen, maar dat neemt niet weg dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over de duur van de detentie. Ongeacht zijn referentiekader, mag van eiser worden verwacht dat hij eenduidig verklaart over de duur van de ondergane detentie (één of twee maanden) vanwege de impact van een dergelijke ervaring. Zoals in het bestreden besluit is omschreven, heeft eiser dit gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor zonder daarover opheldering te geven. Het valt niet in te zien dat eiser een fout maakt in zijn verklaringen over een dergelijk ingrijpend voorval, dat de kern vormt van zijn asielrelaas. De verklaring van eiser duidt dan ook niet op een fout of misslag. Dit maakt bovendien dat de verder door eiser geschetste tijdlijn niet klopt. Eiser heeft in eerste instantie twee keer verklaard dat hij twee maanden in detentie is gehouden. Hij zou rond 1 mei 2023 zijn uitgezet naar Somalië, daar een maand zijn verbleven en in juni zijn vertrokken. Indien eiser twee maanden gedetineerd is geweest, zou hij zijn opgepakt rond 1 maart 2023. Tijdens het nader gehoor heeft hij echter verklaard dat hij op 1 april 2023 is opgepakt. Verweerder heeft de tegenstrijdige verklaringen over de duur van de detentie dan ook terecht aan eiser tegengeworpen.

9. Het andere asielmotief, de gestelde ronselpoging door Al-Shabaab, heeft eiser ook niet met documenten onderbouwd. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiser dit ook niet met zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat verweerder eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij onvoldoende concrete informatie heeft verschaft over het lidmaatschap van zijn oom van Al-Shabaab. Eiser heeft dit slechts van horen zeggen. Van eiser mag worden verwacht dat hij concretere en gedetailleerde informatie kon geven, zoals bijvoorbeeld welke functie zijn oom precies had, wie zijn leidinggevende was en wat voor taken hij uitvoerde. Hij heeft met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat zijn oom een hoge positie heeft bij Al-Shabaab. Bovendien is van belang dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de reden waarom zijn oom hem wil ronselen voor Al-Shabaab. Tijdens het nader gehoor gaf eiser aan dat zijn oom hem wil ronselen omdat hij de Arabische taal beheerst en de Koran ook in het Arabisch is. Hij zou dan ook als tolk ingezet kunnen worden. Vervolgens heeft hij tijdens het aanvullend gehoor verklaard dat zijn oom hem wil ronselen omdat eisers ouders destijds zonder toestemming zijn gehuwd en naar Saoedi-Arabië zijn gevlucht. Verweerder werpt eiser terecht tegen dat deze twee redenen zeer afwijkend zijn. De rechtbank volgt de stelling van eiser dat deze redenen naast elkaar kunnen bestaan: het is inderdaad mogelijk dat Al-Shabaab meer redenen heeft om eiser te willen rekruteren. Het is echter aan eiser om daar dan ook meteen over te verklaren, en niet op verschillende momenten een andere reden te vertellen.

10. De verklaringen over eisers verblijf in Somalië doen verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij één bezoek heeft gebracht aan het strand Lido, de dag nadat hij in Somalië aan kwam. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser na een verblijf van ongeveer drie weken in Somalië op een dag terug kwam van het strand en zijn oom aantrof bij het huis van zijn oma. Ook zou eiser tijdens zijn maand in Somalië nooit buiten zijn geweest. Volgens zijn oma was dit te gevaarlijk. Het strandbezoek zou dan een zeer bijzonder moment moeten zijn geweest voor eiser. Dan mag juist van eiser worden verwacht dat hij kan verklaren op welk moment hij het strand heeft bezocht, een dag na aankomst of pas na drie weken. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het zien van leden van Al-Shabaab. Hij heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard nog nooit mensen van Al-Shabaab te hebben gezien, terwijl zijn oom volgens eiser lid is van Al-Shabaab. Hij heeft zijn oom en een andere man gezien toen hij terug kwam van het strand. Hij wist van foto’s hoe deze oom eruit zag en door zijn oma wist hij dat de oom lid zou zijn van Al-Shabaab.

11. Verweerder heeft terecht overwogen dat de verklaringen over de moord van eisers oma onvoldoende overtuigend zijn. Eiser stelt dat zijn oma een week na zijn vertrek uit Somalië is vermoord door zijn oom. Hij heeft haar overlijden niet met documenten aangetoond. Verder heeft hij dit nieuws vernomen van mensen die in Turkije woonden, die zijn oma kennen. Dan is het een niet onderbouwd vermoeden dat zijn oma is overleden. Ook wekt het bevreemding dat de oom van eiser zijn eigen moeder zou vermoorden, alleen omdat eiser is vertrokken uit Somalië na slechts een maand verblijf aldaar. Het gestelde geschil tussen eisers oma en oom heeft hij geenszins aannemelijk gemaakt.

12. Hoewel eiser op sommige punten van zijn asielrelaas enigszins consistente en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, heeft hij ook op essentiële punten van zijn relaas inconsistent en tegenstrijdig verklaard, zoals hiervoor overwogen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende dragend heeft gemotiveerd dat en waarom hij het asielrelaas van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vindt en daarmee ongeloofwaardig acht.

De vrees bij terugkeer

13. Vervolgens heeft verweerder beoordeeld of eiser te maken zou krijgen met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of met een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM, als hij nu zou moeten terugkeren naar Somalië. Volgens verweerder is dat niet het geval. Daarom komt eiser op dit moment niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

14. In het kader van de vrees bij de terugkeer heeft eiser ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2026. Deze zaak ging over een vreemdeling die geen netwerk heeft in [plaats] . Zoals eerder overwogen is terecht ongeloofwaardig geacht dat de oom van eiser lid is van Al-Shabaab en dat zijn oma is overleden, wat maakt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij geen netwerk heeft in Somalië. De casus van eiser is dan ook niet vergelijkbaar met de genoemde Afdelingsuitspraak.

15. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat hoewel de Tumaal een minderheidsstam is, er geen sprake is van vervolging van de Tumaal enkel en alleen wegens het behoren tot deze bevolkingsgroep. De Tumaal is geen risicoprofiel zoals beschreven in paragraaf C9/30.3.2. van de Vc. Wel wordt erkend dat de Tumaal te maken kunnen krijgen met discriminatie en uitsluiting. Eiser heeft ook verklaard problemen te hebben gehad in Somalië, waaronder pesterijen, omdat hij tot de Tumaal behoort. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie dusdanig ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheid heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk is geweest om op maatschappelijk en sociaal gebied in Somalië te kunnen functioneren.

16. Eiser wordt verder niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder ten onrechte voorbij gaat aan het EUAA-rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van 2 oktober 2025. Het EUAA Country Guidance rapport beschrijft de feitelijke veiligheidssituatie in Somalië. Het is vervolgens aan verweerder om te beslissen hoe deze feiten worden gekwalificeerd. Dat in het rapport is opgenomen dat de Tumaal mogelijk in aanmerking komen voor een vluchtelingenstatus, maakt niet dat verweerder dan daartoe gehouden is.

17. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij meer risico loopt op gevaar bij terugkeer naar Somalië vanwege zijn verblijf in het Westen. Dat hij misschien herkend wordt vanwege zijn taal of kleding, betekent nog niet dat hij hiermee heeft aangetoond dat hij gevaar zal lopen bij terugkeer. Eiser heeft immers voor het grootste deel van zijn leven gewoond in Saoedi-Arabië, een niet-Westers land. Het is aan eiser om aan te tonen dat hij zodanig is verwesterd dat hij bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan en systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst wordt blootgesteld. Weliswaar blijkt uit het algemeen ambtsbericht dat terugkeerders uit de Westerse wereld meer moeite hebben met het integreren in de Somalische samenleving, maar verder blijkt hier niet uit dat het onmogelijk is en dat terugkeerders vrijwel altijd gevaar lopen.

18. Niet in geschil is dat in [plaats] sprake is van relatief lager niveau van willekeurig geweld. In deze lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld. Dit houdt in dat de vreemdeling individuele, risicoverhogende omstandigheden moet aanvoeren om te onderbouwen dat er ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Daarin is eiser niet geslaagd. Daarbij is van belang dat de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab terecht niet geloofwaardig zijn geacht. Dat hij behoort tot een minderheidsgroep en terugkeert uit het Westen is ook onvoldoende, zoals hiervoor overwogen. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat niet aannemelijk is gemaakt dat het eiser ontbreekt aan een sociaal netwerk in [plaats] . Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser zich niet zelfstandig kan handhaven. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.

Conclusie

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.F.Th. de Roos

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand