Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/165840-21
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 27 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. Ettalhaoui naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 juni 2021 te Lisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van (met)amfetamine en/of MDMA en/of andere synthetische harddrugs, zijnde (een) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 5 industriële reactieketels (deels aangepast voor de productie van synthetische harddrugs) en/of technische tekeningen van dergelijke ketels en/of aanpassing, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het tenlastegelegde omdat zij geen bewijs ziet voor wetenschap bij de verdachte over de modificaties aan de reactieketels en de criminele bestemming daarvan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit omdat het Openbaar Ministerie niet heeft bewezen dat de ketels bestemd waren voor de productie van drugs. Daarnaast kan niet vastgesteld worden dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de ketels.
Vrijspraak
De zaak tegen de verdachte draait om het aantreffen van vijf reactieketels op 24 juni 2021 in een bedrijfspand in Lisse. De verdachte bevond zich die dag in het bedrijfspand, naar eigen zeggen omdat hij wat gereedschap kwam ophalen.
Inspecteurs van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) hebben vastgesteld, dat op drie van de industriële reactieketels verticale buizen waren gelast. Door het plaatsen van verticale buizen kunnen volgens de LFO reactieketels geschikt worden gemaakt voor de vervaardiging van synthetische drugs. De wijze van aantreffen alsmede de overeenkomsten met eerder soortgelijk aangetroffen reactieketels (in andere onderzoeken) doet vermoeden dat de reactieketels in deze zaak werden gemodificeerd voor de grootschalige vervaardiging van synthetische drugs, aldus de inspecteurs.
Zowel het bedrijfspand als de auto’s die op het terrein stonden zijn doorzocht. Alle personen die tijdens het onderzoek in het bedrijfspand aanwezig waren, zijn als verdachte aangehouden en gehoord. Van iedere verdachte is de telefoon in beslag genomen en onderzocht. Uit geen van deze onderzoekshandelingen zijn zaken naar voren gekomen die wijzen in de richting van (het vervaardigen van) drugs. Uit de gegevens van de telefoons van de verdachte en medeverdachten bleek dat er geen onderling contact was geregistreerd.
Medeverdachte [medeverdachte] was degene die de verticale buizen op de ketels heeft gelast. Hij verklaart een bedrijf te hebben in stoom technische installaties. In dat kader verkoopt, installeert en onderhoudt hij dergelijke installaties, die hij tegenkomt in wasserijen, ziekenhuizen en de petrochemische industrie. Ten aanzien van de vijf ketels die in het bedrijfspand zijn aangetroffen, verklaarde [medeverdachte] dergelijke ketels vaak tegen te komen in zijn werk. Het aanbrengen van (verticale) buizen komt daarbij geregeld voor en kan verschillende legale doeleinden hebben.
Voor een bewezenverklaring van artikel 10a lid 1 sub b Opiumwet dient de rechtbank in deze zaak vast te stellen dat de aangetroffen reactieketels bestemd waren voor de productie van synthetische drugs. Hoewel de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten over de opdrachtgever van de te modificeren ketels, de wijze waarop dat moest gebeuren en de wijze waarop de ketels in het bedrijfspand terecht zijn gekomen zeker vragen oproepen, kan de enkele aanwezigheid van de deels gemodificeerde reactieketels op zichzelf nog niet de conclusie dragen dat die ketels bestemd waren voor het maken van drugs. Uit de onweersproken verklaring van [medeverdachte] blijkt namelijk dat zowel de ketels, als de daarop gelaste buizen, allerlei uiteenlopende legale bedrijfstoepassingen kunnen hebben.
Aangezien er uit het onderzoek geen andere zaken naar voren zijn gekomen die het vermoeden van de LFO bevestigen, kan de rechtbank niet met de vereiste zekerheid vaststellen dat de reactieketels bestemd waren voor de productie van (synthetische hard)drugs. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het hem ten laste gelegde feit.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Jadib, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2026.