RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17016
V-nummer: [nummer] ,
Van Nigeriaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
Procesverloop
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is al gegeven door de Afdeling. Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning die vóór 19 juli 2022 ingeschreven waren in de BRP op 4 maart 2024 eindigt.
7. Met het bestreden besluit is eiser- onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling- bericht dat na 4 maart 2024 van rechtswege zijn recht op tijdelijke bescherming beëindigd mocht worden en dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
8. Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie -kort samengevat- geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is.
9. Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover in onderhavige procedure anders te oordelen.Het terugkeerbesluit
10. Het bestreden besluit (terugkeerbesluit) dateert van 15 april 2024.
10. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak volgt dat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd, zodat de minister bevoegd was op 15 april 2024 een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
10. De rechtbank ziet in (artikel 6 van) Richtlijn 2008/115/EG en het arrest van het hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat het terugkeerbesluit niet aan eiser kon worden opgelegd.
10. Artikel 6 van Richtlijn 2008/115/EG is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.
10. Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 15 april 2024 genomen. Ten tijde van het terugkeerbesluit was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. Van een toezegging waaruit eiser mocht afleiden dat de groep derdelanders op gelijke wijze zouden worden behandeld als Oekraïners is de rechtbank niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 31 oktober 2025. Dat eiser zonder tewerkstellingsvergunning heeft kunnen werken, kan hieraan niet af doen. Dat er geen grondslag zou zijn om eiser de toegang tot de arbeidsmarkt te beperken volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, evenmin.
15. De rechtbank overweegt verder dat de asielaanvraag van eiser buiten behandeling is gesteld en dat geen beroep is ingesteld tegen dit besluit. Het besluit staat dan ook in rechte vast. Indien eiser van mening is dat de aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld, had het op de weg van eiser gelegen op in beroep te gaan tegen dit besluit. De rechtbank merkt verder op dat derdelanders, zoals eiser, niet worden belet om alsnog een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Als een eerdere asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, moet de opvolgende asielaanvraag worden behandeld als een eerste asielaanvraag.
15. De rechtbank is verder van oordeel dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Het gaat hier immers om een terugkeerbesluit dat is opgelegd na het van rechtswege aflopen van tijdelijke bescherming. Als eiser vindt dat hij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. De rechtbank volgt eiser tot slot niet in het standpunt dat hij ten onrechte niet zou zijn gehoord. De rechtbank merkt in dit kader op dat eiser in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen.
17. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.