RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33914
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en
(gemachtigde: mr. C. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. SAMENVATTINGVerweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser in Trinidad en Tobago als homoseksuele man bescherming kan krijgen van de autoriteiten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 17 juli 2017 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 15 februari 2018 door verweerder afgewezen als ongegrond. Het beroep hiertegen is door deze rechtbank en zittingsplaats op 22 november 2018 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 9 maart 2023 zijn tweede asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag heeft verweerder met het bestreden besluit van 21 juli 2025 wederom afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is burger van Trinidad en Tobago en is geboren op [geboortedatum] 1985. Na de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag, moest eiser Nederland verlaten en is hij in 2019 teruggekeerd naar Trinidad en Tobago. Hier kreeg eiser een relatie met [naam 2] . Deze relatie moesten eiser en [naam 2] geheim houden. De vader van [naam 2] is streng Islamitisch en zou tegen de relatie zijn. Uiteindelijk is de vader van [naam 2] toch achter de relatie gekomen. Hij heeft [naam 2] bedreigd en zei daarbij dat hij eiser zou vermoorden. De vader van [naam 2] heeft invloed en connecties binnen de religieuze en politieke sferen in het zuiden van Trinidad. Eiser heeft geen aangifte gedaan van de bedreiging omdat hij wist dat de autoriteiten hem niet beschermen vanwege zijn homoseksualiteit. Daarnaast is eiser gediagnosticeerd met HIV, en vreest hij niet altijd toegang te hebben tot de juiste HIV-medicatie. Ook is sinds 25 maart 2025 homoseksualiteit weer strafbaar gesteld. Eiser vreest voor zijn leven en heeft daarom Trinidad en Tobago wederom verlaten en in Nederland asiel aangevraagd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder wijst er hierbij op dat de vader van [naam 2] eiser nooit direct heeft bedreigd. Ook is er geen aanwijzing dat de vader van [naam 2] daadwerkelijk op zoek is (gegaan) naar eiser en hem wil vermoorden. Bovendien was de relatie ten tijde van het bestreden besluit al drie jaar verbroken. Verweerder vindt ook dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vader van [naam 2] sterke connecties met de politie heeft. Daarnaast stelt verweerder dat de strafbaarstelling van homoseksuele contacten in Trinidad en Tobago niet wordt gehandhaafd, sinds de uitspraak van 25 maart 2025. De wet vormt daarom geen risico op vervolging bij terugkeer naar Trinidad en Tobago. Volgens verweerder heeft eiser verder onvoldoende onderbouwd wat er met hem zou zijn gebeurd als hij meer openbare uiting had gegeven aan zijn relatie met [naam 2] . Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit niet mogelijk was. Bovendien heeft de rechtbank in de vorige asielprocedure van eiser geoordeeld dat verweerder heeft kunnen oordelen dat eiser veilig kan terugkeren naar Trinidad en Tobago en dat eiser zich aldaar niet terughoudend hoeft op te stellen. Hierbij is reeds het gehele relaas, zoals de homoseksualiteit en leefstijl van eiser, betrokken. Tot slot stelt verweerder dat eiser niet dusdanig wordt gediscrimineerd in Trinidad en Tobago dat hij zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Verweerder stelt dat, omdat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging, de vraag of de autoriteiten effectieve rechtsbescherming kunnen bieden niet relevant is en niet beoordeeld hoeft te worden. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser daarom af als ongegrond.
Beoordeling beroepsgronden
Heeft verweerder de problemen van eiser als gevolg van zijn homoseksualiteit onvoldoende zwaarwegend kunnen vinden?
5. Eiser voert aan dat verweerder de problemen van eiser als gevolg van zijn homoseksualiteit ten onrechte als onvoldoende zwaarwegend heeft aangemerkt. Homoseksuele handelingen zijn in Trinidad en Tobago bij wet verboden. Hoewel het verbod nog niet is gehandhaafd, heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de strafbaarstelling voor de maatschappelijke positie van de LHBTIQA+ gemeenschap. Hierbij verwijst eiser naar een rapport van de Organisatie van Amerikaanse Staten van 9 mei 2025 en een rapport van Advocates for Human Rights van 12 september 2023. Hieruit volgt dat LHBTIQA+ in Trinidad en Tabago niet dezelfde rechten hebben als niet LHBTIQA+ en dat zelfs indien de strafbaarstelling niet wordt gehandhaafd, het wel een cultuur van discriminatie, stigma en vooroordelen in stand houdt. Verweerder is niet ingegaan op wat over discriminatie jegens LHBTIQA+ in Trinidad en Tobago is aangevoerd. In Trinidad en Tobago is geen sprake van een doeltreffende bescherming voor personen van de LHBTIQA+ gemeenschap. Verweerder heeft zich dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser aangifte had kunnen doen van de bedreiging van de vader van [naam 2] . Hierbij verwijst eiser naar rapporten van het Inter American Institute of Human Rights uit 2021 en het US department of State uit 2022. Uit deze rapporten volgt dat er geen gevolg wordt gegeven aan aangiftes die worden gedaan door personen uit de LHBTIQA+ gemeenschap en zij vanwege hun seksualiteit slachtoffer worden.
Verder voert eiser aan dat hij zich in het verleden maar beperkt openlijk heeft kunnen uiten als homoseksuele man. Hierdoor heeft eiser minder problemen ondervonden. Verweerder dient daarom te beoordelen wat er zou gebeuren indien eiser zich wel openlijk zou uiten als homoseksuele man. De ondergrens zou moeten liggen bij de wijze waarop heteroseksuele personen uiting kunnen geven aan hun heteroseksualiteit.
Tot slot doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In andere zaken van vreemdelingen met een homoseksuele geaardheid uit Trinidad en Tobago zijn de asielaanvragen wel ingewilligd.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de problemen als gevolg van de homoseksualiteit van eiser onvoldoende zwaarwegend zijn. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat verweerder een asielaanvraag waarin een vreemdeling een beroep doet op problemen vanwege zijn - gestelde - seksuele geaardheid beoordeelt met bijzondere aandacht voor de positie van homoseksuelen in het land van herkomst. Bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is een daad van vervolging. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De vreemdeling moet - zo mogelijk met documenten - aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging. Daarentegen moet een gevangenisstraf voor homoseksuele handelingen die daadwerkelijk wordt toegepast in het land van herkomst dat deze strafbepaling heeft vastgesteld, worden geacht een onevenredige of discriminerende bestraffing en dus een daad van vervolging te vormen. De door verweerder te maken beoordeling, waarbij hij gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderzoek doet naar de algemene situatie voor homoseksuele vreemdelingen in het land van herkomst en de door de vreemdeling tijdens de gehoren afgelegde verklaringen betrekt, komt op het volgende neer.
Indien in het land van herkomst van een vreemdeling regelgeving bestaat op grond waarvan homoseksualiteit strafbaar is, dan wel die het verrichten van homoseksuele handelingen strafbaar stelt, moet verweerder onderzoeken hoe deze regelgeving in de praktijk wordt toegepast of uitwerkt. Het onderzoek omvat mede de vraag of het enkel zijn van homoseksueel of het verrichten van homoseksuele handelingen een gegronde vrees voor vervolging oplevert. Dit onderzoek moet niet alleen de vraag betreffen of toepassing van deze bepalingen daadwerkelijk leidt tot het opleggen van gevangenis- of andere straffen, maar ook welke gevolgen strafbaarstelling heeft voor de maatschappelijke positie van homoseksuelen. Hierbij moet verweerder ook de mogelijkheid voor homoseksuelen betrekken om bescherming bij de overheid te vragen tegen negatieve bejegening door derden. Niet ondenkbaar is immers dat het enkele feit dat het zijn van homoseksueel of het verrichten van homoseksuele handelingen strafbaar is gesteld ertoe leidt dat de overheid niet in staat of bereid is homoseksuelen bescherming te bieden, dat wil zeggen dat het vragen om bescherming gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. De stelling van verweerder dat de vraag naar effectieve rechtsbescherming pas relevant is nadat een gegronde vrees voor vervolging is vastgesteld, is dan ook een onjuiste rechtsopvatting. Uit het voorgaande blijkt dat het ontbreken van die bescherming juist een belangrijk onderdeel is van de beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst.
Uit openbare bronnen blijkt dat het Hof van Beroep van Trinidad en Tobago in maart 2025 de eerdere decriminalisering van homoseksualiteit heeft teruggedraaid. Consensuele seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht zijn opnieuw strafbaar gesteld onder de Sexual Offences Act, met een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar tot gevolg. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de strafbaarstelling van homoseksuele contacten niet daadwerkelijk wordt gehandhaafd. Ondanks dat de strafbaarstelling niet wordt gehandhaafd, wijst deze zorgwekkende ontwikkeling op een land waarin homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd door de samenleving en de autoriteiten. Tot 25 juni 2024 stond Trinidad en Tobago op de lijst van veilige landen van herkomst, met uitzondering van LHBTIQA+. LHBTIQA+ werden uitgezonderd, omdat uit landeninformatie blijkt dat er geen effectieve rechtsbescherming wordt geboden van de zijde van de autoriteiten tegen discriminatie van LHBTIQA+. De laatste landeninformatie van Trinidad en Tobago waarin deze aanwijzing is voortgezet dateert van 23 februari 2022. Het land is geschrapt van de lijst vanwege de lage instroom. Niet is gebleken dat de mogelijkheid om als LHBTIQA+ bescherming in te roepen is veranderd. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het Hof de decriminalisering heeft teruggedraaid, nadat de regering van Trinidad en Tobago in cassatie is gegaan tegen deze decriminalisering. Dat geeft ook geen blijk van een wezenlijke verandering in de attitude van de autoriteiten ten opzichte van LHBTIQA+. Het weigeren van de zijde van de politie om eiser te beschermen is daarom goed voorstelbaar en past bij het beeld dat wordt geschetst in de landeninformatie. Het voorgaande onderbouwt de stelling van eiser dat hij geen toegang heeft tot effectieve rechtsbescherming in het geval hij dit nodig zou hebben, zoals bij de bedreiging van de vader van [naam 2] . Verweerder hecht met name belang aan het feit dat aan de strafbaarstelling door de overheid geen uitvoering wordt gegeven. Dit is onvoldoende, nu verweerder heeft nagelaten te motiveren dat eiser toegang heeft tot effectieve rechtsbescherming.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser bescherming kan krijgen van de autoriteiten in Trinidad en Tobago. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 juli 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.