RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3711
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 3 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek gesloten op 27 januari 2026.
Overwegingen
Belangenafweging
Ambtshalve toetsing
Inleiding
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 december 2025 (in de zaak NL25.59400) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 10 december 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 10 december 2025 tot 27 januari 2026.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Algerije niet langer aanwezig is in zijn geval. Sinds de start van het traject ter verkrijging van een laissez-passer (lp) op 31 december 2024 is inmiddels meer dan een jaar verstreken zonder dat een lp is afgegeven. Verweerder heeft al 21 schriftelijke rappels gestuurd aan de autoriteiten van Algerije en heeft ten onrechte geen aanleiding gezien om op individueel niveau aandacht te vragen voor de zaak van eiser bij de diplomatieke vertegenwoordiging.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat er in eisers specifieke geval geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Dat het lp-traject al geruime tijd loopt en dit nog niet heeft geleid tot de afgifte van een lp, is daarvoor onvoldoende. De Algerijnse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. Van belang is verder dat eiser zelf tot op heden geen inspanningen heeft verricht om afgifte van een lp en daarmee zijn terugkeer te bespoedigen, terwijl dat wel van hem verlangd mag worden. Hij heeft geen documenten over zijn identiteit of nationaliteit verstrekt en heeft in de vertrekgesprekken die tot dusver zijn gevoerd te kennen gegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Algerije. Door eisers gebrek aan medewerking duurt het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten langer. Tot slot wordt betrokken dat eiser sinds 3 december 2025, dus nog maar relatief kort, in bewaring zit op de onderhavige grondslag. Gelet op het voorgaande moet verweerder nog tijd worden gegund om het lp-traject van eiser af te wachten. Verweerder is daarbij ook afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. De beroepsgrond over het zicht op uitzetting slaagt niet.
4. Eiser voert aan dat gelet op zijn familieleven zijn belang bij invrijheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het voortduren van de maatregel.
5. Het gestelde familieleven van eiser is meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en ook in de uitspraak van 17 december 2025. In het door eiser aangevoerde zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die maken dat aan de belangen van eiser, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, thans wel een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder bij het in bewaring houden van eiser. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op een lichter middel, geeft het door hem aangevoerde ook daarvoor geen aanleiding. De rechtbank wijst hierbij op het onttrekkingsrisico dat in eisers geval bestaat, waarop eerder in de uitspraak van 17 december 2025 ook is gewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 10 december 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.