ECLI:NL:RBDHA:2026:2166

ECLI:NL:RBDHA:2026:2166

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer NL24.23398
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing aanvraag vtv gezinsleven, (-) heeft een asielvergunning in Denemarken; BA 8 EVRM in nadeel gezin, belangen kinderen voldoende meegewogen maar zwaarwegend en doorslaggevend openbare orde belang; ook meegenomen in BA eerder rechtmatig verblijf van gezin in Denemarken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.23398

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde mr. C.W.M. van Breda.

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘familie- of gezinsleven bij [persoon A] ’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 24 november 2021 een aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn echtgenote [persoon A] (en hun drie kinderen). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. In het bestreden besluit staat dat eiser is geboren op [geboortedatum] 1988 en de Syrische nationaliteit heeft. Eiser is getrouwd met [persoon A] en samen hebben zij drie kinderen. Van 2014 tot 2018 verbleef het gezin in Denemarken en vanaf 8 januari 2015 verkreeg eiser aldaar een asielvergunning die laatstelijk is verlengd tot 2 augustus 2025. [persoon A] en haar twee oudste kinderen waren vòòr de intrekking van eisers verblijfsvergunning al vertrokken naar Nederland en aan hen is hier te lande een asielvergunning verleend. De door [persoon A] in Nederland ingediende nareisaanvraag voor eiser is bij besluit van 30 oktober 2019 afgewezen. Deze afwijzing staat in rechte vast. Op 26 februari 2020 is eiser Nederland ingereisd en op 28 februari 2020 heeft hij alhier een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is ook afgewezen en staat in rechte vast. Op 24 november 2021 heeft eiser de nu voorliggende aanvraag ingediend.

4. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (het mvv-vereiste) en niet van dit vereiste wordt vrijgesteld op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Weliswaar wordt aangenomen dat er beschermenswaardig familieleven is tussen eiser en [persoon A] (en de kinderen) maar de belangen van de Nederlandse overheid om eiser toch geen verblijf in Nederland toe te staan wegen zwaarder. Ook bestaat er geen aanleiding om eiser op grond van de zogenoemde hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiser betoogt dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Eiser stelt daartoe dat uit het bestreden besluit niet blijkt op welke wijze het Nederlands algemeen belang is gediend bij weigering van de verblijfsvergunning, nu [persoon A] werkt en eiser ook aan het werk kan in Nederland. Daarnaast voert eiser aan dat het hogere belang van de kinderen en de eenheid van het gezin voorop dienen te staan en dat verweerder hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden. Ter onderbouwing hiervan wijst eiser op een artikel van Sander Schuitemaker, Marie-Christine Alting von Geusau en Amy Ouwens ‘Het hogere belang van het kind onvoldoende uitgewerkt in Nederlands migratierecht’ in

A&MR 2022-3.

Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 31 januari 2006 in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, volgt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van een vreemdeling bij de uitoefening van het privé-, familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser in Nederland nooit een verblijfsvergunning heeft gehad en dat het hier dus gaat om eerste toelating. Uit vaste rechtspraak van het EHRM, waaronder de uitspraak van 3 oktober 2014 in de zaak Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810 en de uitspraak van 4 december 2012 in de zaak Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709 volgt dat afwijzing van een verblijfsvergunning in dergelijke gevallen slechts in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (exceptional circumstances) in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de belangenafweging alle op dat moment bekende en door eiser aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden betrokken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich op het punt van het familieleven uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder in de besluitvorming duidelijk vermeld welk algemeen belang is gediend bij de weigering om eiser verblijf in Nederland toe te staan, namelijk de bescherming van de openbare orde. Dit heeft verweerder ook voldoende toegelicht door de wijzen op eisers veroordeling in Denemarken voor een misdrijf. Deze veroordeling heeft verweerder niet ten onrechte zwaar in eisers nadeel meegewogen. Ten aanzien van de stelling van eiser dat [persoon A] hier werkt en eiser ook kan werken in Nederland, heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat het economisch belang verder strekt dan het hebben van werk. Dit belang omvat immers ook de bescherming van de arbeidsmarkt en uit algemene middelen gefinancierde faciliteiten. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gezin er zelf voor heeft gekozen om familieleven in twee verschillende landen te gaan uitoefenen terwijl zij allen rechtmatig verblijf hadden in Denemarken. Verder heeft verweerder in de belangenafweging kenbaar betrokken de omstandigheid dat er objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Syrië voort te zetten en heeft zich in dit kader niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hieraan minder waarde toekomt omdat eiser rechtmatig verblijf heeft in Denemarken en niet is gebleken dat het gezin zich daar niet kan hervestigen, zeker gezien het feit dat zij daar eerder ook al rechtmatig hebben verbleven. Verweerder heeft hierover ter zitting nog toegelicht dat nog altijd niet is gebleken dat eisers asielvergunning in Denemarken is ingetrokken. Voor zover eiser betoogt dat de belangenafweging wat de kinderen betreft ondeugdelijk is, omdat daaruit niet blijkt dat de belangen van de kinderen de eerste overweging vormen, wordt hij hierin niet gevolgd. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen door deze belangen kenbaar bij de belangenafweging te betrekken. Daarbij is rekening gehouden met hun leeftijd, de duur van hun verblijf in Nederland, hun Nederlandse nationaliteit en hun sociale leven. Ook heeft verweerder betrokken de verklaring van de leerkrachten van de school waarop de kinderen zitten. Verweerder heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit deze verklaring en evenmin uit andere stukken blijkt dat er sprake is van een achterstand in de normale ontwikkeling van (een van) de kinderen of dat de aanwezigheid van eiser in Nederland noodzakelijk is. Dat eisers kinderen een sociaal leven hebben in Nederland en hier willen blijven, betekent voorts niet dat verweerder hen een verblijfsvergunning moet geven. Verweerder heeft hierbij niet ten onrechte in aanmerking genomen, dat het gezin eerder, zoals hiervoor reeds is overwogen, in Denemarken heeft verbleven, dat [persoon A] en de kinderen bekend zijn met de taal en cultuur aldaar en dat de kinderen met hulp van hun ouders geacht moeten worden zich te kunnen aan te passen, zeker nu de kinderen nog jong zijn. Ook is niet gebleken of aangetoond dat de veilige ontwikkeling van de kinderen ernstig in gevaar komt als aan eiser geen verblijfsvergunning in Nederland wordt toegekend. Eisers stelling dat dit in de toekomst wel kan gaan gebeuren, is een onzekere toekomstige gebeurtenis en kan daarom aan het voorgaande kan afdoen. Er bestaat evenmin grond voor het oordeel dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de effecten op de kinderen van het niet toestaan van verblijf aan eiser. Dat de overwegingen in het bestreden besluit die specifiek op de belangen van de kinderen zien, niet van doorslaggevend belang zijn geacht, betekent voorts niet dat die overwegingen om die reden in strijd zijn met internationale verdragen of dat het belang van het kind niet als eerste overweging is genomen. De rechtbank verwijst in die kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524, overweging 2.4.1, waaruit volgt dat in het kader van de belangenafweging het belang van het kind weliswaar een eerste overweging is, maar dat er ruimte is voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. De enkele algemene verwijzing van eiser naar voormeld artikel van Schuitemaker, Alting von Geusau en Ouwens, kan aan het voorgaande niet afdoen. Eisers beroep op de conclusie van Advocaat-Generaal Ćapeta van 4 September 2025 in de zaak van Safi, C‑147/24, kan aan het voorgaande evenmin afdoen, omdat het in die zaak, anders dan in de nu voorliggende procedure, gaat om een aanvraag van een verblijfsdocument op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Bovendien heeft verweerder, zoals hiervoor reeds is overwogen -en zoals ook in lijn is met voormelde conclusie van Advocaat-Generaal Ćapeta- de belangen van de kinderen gemotiveerd betrokken in deze procedure en heeft hij zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van verweerder bij afwijzing van eisers aanvraag zwaarder wegen dan het belang van het gezin. Verder loopt er op dit moment in Nederland nog een procedure van eiser om een afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen op grond van artikel 20 van het VWEU waarin voormelde conclusie Advocaat-Generaal Ćapeta kan worden meegenomen.

Gelet op het voorgaande zijn er geen ‘uitzonderlijke omstandigheden’ die maken dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat hij, bij de afweging van enerzijds het algemeen belang dat is gediend bij de bescherming van de openbare orde en anderzijds het persoonlijk belang van eiser bij de uitoefening van zijn familieleven hier te lande, aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toekent. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?