Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/8316
en
Procesverloop
Eiseres heeft bij brief van 5 augustus 2024 verweerder aansprakelijk gesteld.
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft verweerder de gestelde aansprakelijkheid afgewezen.
Eiseres heeft tegen de afwijzing van de aansprakelijkheid beroep ingesteld.
De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 28 maart 2025 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk onbevoegd verklaard.
Op 10 april 2025 heeft eiseres een wrakingsverzoek ingediend, welk verzoek bij beslissing van 28 april 2025 niet-ontvankelijk is verklaard.
Eiseres is bij brief van 14 april 2025 in verzet gekomen tegen de uitspraak van
28 maart 2025.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 juli 2025 het verzet gegrond verklaard.
Verweerder heeft met dagtekening 2 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft op verzoek van eiseres de onderhavige zaak en de zaken van eiseres met zaaknummers SGR 24/1783, SGR 24/7744 en SGR 24/9812 gevoegd. De onderhavige zaak is met instemming van partijen opgenomen in een aparte uitspraak.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026.
Namens eiseres is [naam 1] verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [naam 2], [naam 3] en [naam 4].
Eiseres heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting nog een stuk ingediend. De rechtbank heeft in dit stuk geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.
Overwegingen
Feiten
1. Bij brief van 5 augustus 2024 heeft eiseres verweerder aansprakelijk gesteld voor de schade van haar en haar enig aandeelhouder en bestuurder (de DGA) ten gevolge van onrechtmatig handelen van verweerder.
2. Bij brief van 27 augustus 2024 heeft verweerder meegedeeld dat er geen grond is voor betaling van schadevergoeding, omdat geen sprake is van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en hij daarom de aansprakelijkstelling afwijst.
3. Eiseres heeft op 15 oktober 2024 beroep ingesteld.
Geschil 4. In geschil is of eiseres recht heeft op vergoeding van de door haar gestelde materiële en immateriële schade.
5. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte de hoogte van de pensioenuitkering die zij jaarlijks aan haar DGA uitkeert naar beneden heeft bijgesteld. De hoogte van de pensioenuitkering is volgens eiseres een aangelegenheid tussen haar en de DGA. Verweerder heeft daar niets over te zeggen. Met de door verweerder in dit verband aan de DGA opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2015 en de aan haar opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) voor de jaren 2016 en 2017 en 2020, 2021 en 2022 heeft verweerder onrechtmatig gehandeld. Eiseres heeft hierdoor schade geleden. Deze schade moet vergoed worden door verweerder.
6. Verweerder stelt dat de afwijzing van de aansprakelijkheid geen besluit is waartegen beroep openstaat. Verder stelt verweerder niet onrechtmatig te hebben gehandeld.
Beoordeling van het geschil
7. Ter zitting hebben partijen desgevraagd ermee ingestemd dat het beroepschrift van 15 oktober 2024 betreffende de aansprakelijkheid van verweerder moet worden aangemerkt als een verzoekschrift in de zin van artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Eiseres is ontvankelijk in haar verzoek nu zij verweerder eerst heeft verzocht om een schadevergoeding en daarna een termijn van minimaal acht weken in acht heeft genomen voordat zij haar verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend.
8. Het door eiseres gestelde onrechtmatige handelen van verweerder is erin gelegen dat verweerder op grond van zijn onterechte opvatting met betrekking tot de (fiscale) aanpassing van de pensioenuitkering onjuiste aanslagen Vpb heeft opgelegd. Van de aanslagen Vpb 2016 en 2017 staat inmiddels onherroepelijk vast dat zij niet onjuist zijn, terwijl de rechtbank in de met deze zaak gevoegde zaken oordeelt dat de aanslagen Vpb 2020, 2021 en 2022 eveneens terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Daarmee valt niet in te zien dat verweerder ten aanzien van een of meer van deze aanslagen enig onrechtmatig handelen kan worden verweten.
9. Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe, dat de door eiseres gestelde schade niet voor vergoeding op de voet van artikel 8:88 van de Awb in aanmerking komt. De door haar gestelde schade bestaat uit de advieskosten, reis- en parkeerkosten en gederfde inkomsten die zij heeft gemaakt voor de bezwaar- en beroepsprocedures ter bestrijding van die aanslagen Vpb. Deze kosten komen uitsluitend met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. Vergoeding op grond van die bepaling kan ten aanzien van de aanslagen Vpb 2016 en 2017 niet meer aan de orde komen nu de procedures over die aanslagen zijn afgerond en de rechtbank heeft bij haar uitspraak over de aanslagen Vpb 2020, 2021 en 2022 geoordeeld dat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding bestaat.
10. Voor zover eiseres namens de DGA een verzoek om schadevergoeding heeft willen doen inzake de aan de DGA opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2015 wordt dit eveneens afgewezen. Afgezien van het feit dat artikel 8:88 van de Awb niet geldt in inkomstenbelastingzaken en de gestelde schade ook overigens alleen op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komt, heeft verweerder reeds met toepassing van laatstgenoemd artikel een kostenvergoeding toegekend van € 783 aan de DGA in de (afgeronde) procedure over die aanslag.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het verzoek om toekenning van een schadevergoeding te worden afgewezen.
Proceskosten
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om toekenning van een schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. D.M. Drok en mr. K.G. Scholten, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).