ECLI:NL:RBDHA:2026:2178

ECLI:NL:RBDHA:2026:2178

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer NL25.52534
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt, waardoor het bestreden besluit wordt vernietigd. Maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten omdat verweerder wel heeft kunnen tegenwerpen dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Colombia.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.52534

V-nummer: [#] ,

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

(gemachtigde: mr. M. Latul).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt, waardoor het bestreden besluit wordt vernietigd. Maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten omdat verweerder wel heeft kunnen tegenwerpen dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Colombia. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Syrische en Colombiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1980. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Syrië ontvlucht in 2012 nadat hij mee had gedaan met demonstraties en daarvoor 10 dagen gedetineerd is geweest. Eiser is daarna naar Libanon vertrokken. Eiser heeft toen een Colombiaanse vrouw ontmoet via internet. Zij besloten te trouwen zodat eiser naar Colombia kon vertrekken.

Na enkele baantjes in Colombia werkte eiser als manager voor een grote winkelketen, [naam winkelketen] in een in 2020 geopende vestiging in een dorp in de buurt van Cartagena. Drie maanden na de opening werd eiser opgezocht door de groepering Clan del Golfo, welke eiser dwong hen geld te betalen. In het begin betaalde eiser in overleg met de eigenaar van de winkel. Toen de omzet daalde besloten ze niet meer te betalen. Daarna is de winkel in dat dorp gesloten en ging eiser terug naar Cartagena. De groepering liet eiser daar ook niet met rust en eiser heeft geprobeerd hen te mijden. In 2021 is er door die groep een overval gepleegd. Eiser heeft daarvan aangifte gedaan. Eiser voelde zich bedreigd en stopte met zijn werk. De groepering liet eiser niet met rust. In 2023 zijn alle winkels van [naam winkelketen] gesloten vanwege witwassen. Eiser nam ontslag en kon daarna niet makkelijk meer werk vinden. Eiser werd ook vaak telefonisch bedreigd door leden van Clan del Golfo, maar ook door handelaren die nog geld moesten krijgen van [naam winkelketen] . Eiser heeft hiervan aangifte gedaan. Eiser besloot toen te vluchten en vreest bij terugkeer naar Colombia vermoord te worden door leden van Clan del Golfo. Eisers vrouw is na eisers vertrek nog driemaal bezocht door mensen die eiser zochten. Eiser vermoedt dat dit leden van Clan del Golfo waren. Eisers vrouw heeft hiervan aangifte gedaan. Eiser vreest ook terug te keren naar Syrië wegens zijn eerdere detentie en het regime.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief is deels geloofwaardig geacht. De problemen met de handelaren worden namelijk wel geloofwaardig geacht, maar de problemen met Clan del Golfo niet. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het derde asielmotief heeft verweerder in het midden gelaten omdat ook als van de juistheid van deze problemen wordt uitgegaan, deze niet zwaarwegend genoeg zijn om uit te gaan van een gegronde vrees voor vervolging.

Verweerder heeft zich ten aanzien van het tweede asielmotief op het volgende standpunt gesteld. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser wegens het verdwijnen van de eigenaar handelaren op zijn dak kreeg die hun geld terug wilden. Eisers gestelde problemen met Clan del Golfo worden niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen zijn niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk wisselend en tegenstrijdig verklaard over zijn communicatie met Clan del Golfo. Verweerder heeft het ook ongerijmd gevonden dat eiser de groepering niet heeft benoemd in de overgelegde aangiftes van 2021 en 2023. Eiser heeft verder wisselend verklaard over het motief achter de bedreigingen en de reden van zijn asielaanvraag. Ten slotte heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn verhuizingen.

Verweerder heeft de geloofwaardigheid van de problemen met de voormalige autoriteiten van Syrië in het midden gelaten omdat deze op voorhand geen aanleiding geven tot het verlenen van een asielvergunning. Eiser heeft zijn vrees voor de algemene situatie in Syrië als Soenniet niet aannemelijk gemaakt. Daartoe is onder meer van belang dat er sprake is van een nieuw regime. Van eiser mag verwacht worden dat hij in Syrië kan gaan wonen met zijn katholieke vrouw. Als eiser niet in de regio wil wonen waar hij eerder woonde wegens familie of milities kan eiser ergens anders settelen.

Volgens verweerder is niet gebleken van vluchtelingschap. Daarnaast is niet gebleken van een reëel risico op ernstige schade om de volgende redenen. Hoewel het geloofwaardig is bevonden dat handelaren die zaken deden met [naam winkelketen] de overgebleven werknemers benaderden om hun geld terug te krijgen omdat de eigenaar onbereikbaar was, wordt er niet ingezien waarom eiser hierdoor risico zou lopen op ernstige schade. Eiser heeft deze handelaren nooit benoemd in de aangiftes, terwijl dat wel verwacht mocht worden. Verweerder neemt aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten te verkrijgen. Verder is niet aannemelijk dat eiser als Arabier herkend zal worden in Colombia of andere problemen zal ondervinden hierdoor. Eisers stelling dat hij alleen bij andere Arabieren wil werken omdat zij meer betalen kan nergens toe leiden omdat economische factoren geen gronden vormen voor internationale bescherming.

Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken gegeven.

Heeft verweerder eisers vrees voor terugkeer naar Syrië voldoende beoordeeld?

5. De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025 volgt dat verweerder zijn standpunt dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn onvoldoende heeft gemotiveerd.

Eiser heeft in navolging van de uitspraak van 11 december 2025 aangegeven dat verweerder zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië niet voldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft dat betwist en aangegeven in hoger beroep te zijn gegaan tegen de uitspraak van die meervoudige kamer.

De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen over verweerders standpunt over willekeurig geweld in Syrië dan in de uitspraak van de meervoudige kamer. Verweerder heeft dus naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende gemotiveerd waarmee dus onvoldoende duidelijk is of eiser een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te komen. De beroepsgrond slaagt.

6. De rechtbank verklaart het beroep, gelet op het voorgaande, gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, gelet op het volgende.

Heeft verweerder de problemen van eiser met Clan del Golfo ongeloofwaardig kunnen vinden?

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers gestelde problemen wegens zijn werkzaamheden bij [naam winkelketen] , voor zover deze zien op zijn problemen met Clan del Golfo, ongeloofwaardig heeft kunnen achten. De rechtbank motiveert dat als volgt.

De rechtbank merkt op dat eiser in beroep niet meer expliciet heeft betwist dat hij wisselend en tegenstrijdig zou hebben verklaard over zijn communicatie met Clan del Golfo. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn tegenwerping.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het ongerijmd heeft kunnen vinden dat eiser Clan del Golfo niet in de aangifte heeft benoemd en dat het onduidelijk is gebleven waarom eiser hen niet heeft genoemd in de aangifte. Eiser heeft ook niet betwist dat hij Clan del Golfo niet heeft genoemd. Verweerder heeft daarom ook kunnen tegenwerpen dat dit afbreuk doet aan eisers geloofwaardigheid omdat eiser hiermee geen oprechte inspanning heeft gedaan om bescherming te krijgen van de Colombiaanse autoriteiten.

De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over het motief achter de bedreigingen en de reden voor zijn asielaanvraag. Eiser heeft namelijk bij de Kmar verklaard dat hij asiel heeft aangevraagd omdat hij wordt beschuldigd van witwassen, wat wisselend is met eisers gestelde problemen met Clan del Golfo en de handelaren. Verweerder heeft deze verklaringen bij de Kmar kunnen betrekken, omdat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij alle door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen moet betrekken. Dit behelst ook verklaringen van een vreemdeling die tegenover de Kmar zijn afgelegd. Daarbij komt dat eiser bij dat gehoor (telefonisch) is bijgestaan door een Spaanse tolk en het proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt, zodat van de juistheid en inhoud daarvan kan worden uitgegaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser heeft erkend dat hij wisselend heeft verklaard over zijn verhuizing. Eisers stelling dat hij niet goed is in data heeft verweerder niet redengevend hoeven achten om tot een ander oordeel te komen. De overgelegde aangiftes leiden ook niet tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van eisers relaas, reeds omdat deze niet zijn vertaald en niet te verifiëren zijn.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser bij terugkeer naar Colombia geen reëel risico op ernstige schade loopt?

8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank motiveert dat als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er in het departement Bolivar in Colombia, waar eiser vandaan komt, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft dat ook expliciet in het bestreden besluit en ter zitting bevestigd. Tussen partijen is wel in geschil of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat eiser persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van dergelijke bijzondere, individuele omstandigheden. Verweerder heeft daarover kunnen opnemen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Arabier herkend zal worden in Colombia en daardoor problemen zal ondervinden. Voor zover eiser stelt dat hij door Colombianen minder betaald zal worden dan wanneer hij voor andere Arabieren zou werken, heeft verweerder hieraan voorbij mogen gaan omdat economische factoren geen gronden vormen voor internationale bescherming. De rechtbank is ook niet gebleken van andere relevante, bijzondere en individuele omstandigheden die verweerder had moeten betrekken in de beoordeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook in de geloofwaardig geachte problemen met de handelaren geen grond hoeven zien voor het oordeel dat eiser bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat de Colombiaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen tegen eventuele problemen. Daarbij is ook van belang dat eiser de handelaren niet heeft genoemd in de aangifte van 2023, waardoor verweerder eiser heeft mogen tegenwerpen dat niet is gebleken van oprechte inspanning om zijn problemen bekend te maken bij en bescherming te krijgen van de Colombiaanse autoriteiten. Verweerder heeft de geloofwaardig geachte problemen daarom niet zwaarwegend genoeg hoeven achten om tot verlening van een verblijfsvergunning over te gaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de afwijzing van de asielaanvraag onvoldoende gemotiveerd voor zover het Syrië betreft. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel uit artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit voor Colombia betreft. Dit betekent dat deze besluiten feitelijk blijven gelden. De reden is dat verweerder wel draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser op basis van zijn asielrelaas over Colombia, geen recht heeft op een asielvergunning en waarom eiser terug kan keren naar Colombia.

Gelet op het eerdergenoemde motiveringsgebrek kan het terugkeerbesluit voor Syrië niet blijven bestaan. De rechtbank zal op dit punt zelf in de zaak voorzien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb door dit terugkeerbesluit in te trekken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 oktober 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, met uitzondering van het terugkeerbesluit voor Syrië;

-trekt het terugkeerbesluit in dat op Syrië ziet;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?