ECLI:NL:RBDHA:2026:21809

ECLI:NL:RBDHA:2026:21809

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 05-08-2026
Zaaknummer NL26.41502
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring. 59a. 6:22. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41502

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

(gemachtigde: mr. I van Es).

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 23 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser is op 30 juli 2026 overgedragen aan Duitsland.

De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening en omdat er een onderduikrisico bestaat. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

d) in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige

gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;

k) een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;

o) niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf.

p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

De minister heeft op de zitting gronden d) en s) laten vallen.

Voortraject

4. Eiser heeft op de zitting de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling bestreden. Eiser wijst erop dat de inhoud van het proces-verbaal van binnetreden niet strookt met de inhoud van het proces-verbaal van staandehouding. Uit het proces-verbaal van binnentreden volgt dat de deur van het verblijf van eiser openging door de kloppende beweging van de ambtenaar op een deur die niet in het slot zat, terwijl uit het proces-verbaal van staandehouding volgt dat de deur geopend werd met een door het COa verstrekt loper. Omdat van de juistheid van een proces-verbaal uitgegaan moet kunnen worden en dat in deze zaak niet het geval is, is sprake van een gebrek.

De rechtbank is met eiser van mening dat sprake is van een gebrek. Het belang dat uitgaat van een correct opgesteld proces-verbaal is evident en bovengenoemde processen-verbaal voldoen in dat licht niet aan de daaraan te stellen eisen. Anders dan de minister betoogt maakt het gegeven dat uit beide processen-verbaal wel duidelijk volgt dat de machtiging tot binnetreden is gebruikt, niet dat geen sprake is van een gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit wel dat de belangenafweging die volgt op het vaststellen van een het gebrek in het voortraject, in het voordeel van de minister uitvalt. Eiser is niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

Grondslag

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. De rechtbank volgt eiser daarbij niet in zijn standpunt dat de Dublinverordening op hem van toepassing is en de grondslag voor inbewaringstelling daarom ontbreek.

Daartoe overweegt de rechtbank dat uit Eurodac volgt dat eiser op 27 juli 2023 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 24 december 2025 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening. Op 2 januari 2026 zijn de autoriteiten van Duitsland hiermee akkoord gegaan.

Hoewel de verantwoordelijke lidstaat voor de asielaanvraag van eiser daarmee is komen vast te staan onder het regime van de Dublinverordening, betekent dit niet dat deze verordening ook na de inwerkingtreding van de Asiel- en migratiebeheerverordening nog op eiser van toepassing is. Uit artikel 83 en artikel 84, tweede lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening, volgt namelijk dat slechts voor de vaststelling van welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming de in de Dublinverordening vastgelegde criteria worden gebruikt. Voor het overige en dus ook voor de feitelijke overdracht, moeten verwijzingen naar de Dublinverordening worden gelezen als verwijzingen naar de Asiel- en migratiebeheerverordening. Nu de verantwoordelijke lidstaat in het geval van eiser al vaststaat, is de Asiel- en migratiebeheerverordening op hem van toepassing.

Gronden

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb aanwezig. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 Vb neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken.

Lichter middel

7. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende betrokken heeft bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Verder oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen betrekken dat eiser de eerder geplande overdracht heeft gefrustreerd en daaruit heeft kunnen afleiden dat niet aannemelijk is dat eiser nu wel vrijwillig zal meewerken aan zijn vertrek naar Duitsland. De rechtbank ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid en zicht op overdracht

8. De minister heeft eiser op 30 juli 2026 overgedragen aan Duitsland. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding vormen om te oordelen dat dit onvoldoende voortvarend is. Met de effectuering van de overdracht is ook gegeven dat er gedurende de inbewaringstelling sprake was van zich op overdracht.

Conclusie

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Gelet op het geconstateerde in 4.1. bestaat er aanleiding om aan eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). Eiser krijgt geen punt voor het indienen van een beroepschrift.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. Hanssen - Telman

Griffier

  • mr. D.G. van den Berg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand