ECLI:NL:RBDHA:2026:2181

ECLI:NL:RBDHA:2026:2181

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer NL25.55764 en NL25.55765
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag. Eisers psychische klachten zijn niet onderbouwd. Eisers aangifte van mensenhandel staat niet in de weg aan overdracht.

Uitspraak

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

V-nummer: [#] ,

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en [naam] als tolk deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van de besluiten

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 27 oktober 2025 aanvaard.

Kan er ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?

4. Eiser heeft betwist dat er ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, voor zover dat ziet op de bescherming van slachtoffers van mensenhandel door de Franse autoriteiten. Op zitting is bevestigd dat het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ziet op de algemene procedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk, maar op de situatie van slachtoffers van mensenhandel. Eiser stelt dat hij een dergelijk slachtoffer is.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde landeninformatie niet blijkt dat er in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in het asielsysteem voor slachtoffers van mensenhandel. Uit de overgelegde informatie blijkt enkel dat slachtoffers van mensenhandel binnen het Franse asielsysteem niet altijd worden herkend. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt echter niet dat de Franse autoriteiten onverschillig staan tegenover de situatie van slachtoffers van mensenhandel en dat de Franse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen als eiser daar na terugkeer om verzoekt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Had verweerder de aanvraag zelf moeten behandelen wegens eisers medische problematiek?

5. Eiser heeft gesteld dat hij ernstige psychische klachten heeft en dat een overdracht een reëel risico op ernstige verslechtering met zich mee zou brengen. Eisers klachten passen bij (vermoedelijk) een posttraumatische stressstoornis en zijn een gevolg van de mensenhandel waaraan hij is blootgesteld. Bij overdracht zou sprake zijn van een suïciderisico.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Hiervoor is van belang dat een verslechtering van eisers psychische klachten als gevolg van de overdracht niet is onderbouwd. De rechtbank merkt verder op dat het gestelde suïciderisico ook niet volgt uit de overgelegde medische stukken. Verweerder heeft daarom geen reden hoeven zien de asielaanvraag zelf te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Staat eisers aangifte van mensenhandel in Nederland in de weg aan het bestreden besluit?

6. Eiser heeft na het bestreden besluit, op 31 december 2025, aangifte van mensenhandel gedaan. Eiser stelt dat hij hangende het politieonderzoek niet kan worden overgedragen, en dat verweerder hierover een standpunt had moeten innemen. Eiser heeft verder gesteld dat er inmiddels contact is geweest met verweerder over het verlenen voor een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: B8-vergunning).

De rechtbank is van oordeel dat eisers aangifte van mensenhandel in Nederland niet in de weg staat van het bestreden besluit. Een (procedure rondom een) B8-vergunning doet immers in beginsel niet af aan de verantwoordelijkheid voor het behandelen van een asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiser heeft bovendien geen informatie overgelegd over de door hem gestelde procedure rondom een B8-vergunning en geen zwaarwegende onderzoeksbelangen bij zijn fysieke aanwezigheid in Nederland gesteld of onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen van het beroep

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Frankrijk verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiser. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Het verzoek om een voorlopige voorzieningen

8. Omdat er op het beroep is beslist, en dit ongegrond is verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.

9. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan, voor zover dit ziet op het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?