Wijziging partneralimentatie
Beschikking op het op 6 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K.C.J.M. Hageraats-Bouwens te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E. Kreber te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 8 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van zowel de man als de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Wijziging partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie, omdat de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij later door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft in de beschikking van 22 oktober 2015 op basis van de daarin genoemde tussen partijen gevoerde correspondentie geoordeeld dat partijen het volgende zijn overeengekomen over de partneralimentatie:
Partijen zijn een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud overeengekomen van € 3.128,- per maand met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk’.
(…)
De overeenstemming die partijen hebben bereikt op basis van de geciteerde brieven en e-mailberichten bevat echter geen uitsluiting van de wettelijke indexering. Op het voorstel van mr. Kostense is op dit punt niet afwijzend gereageerd. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank de wettelijke indexering niet uitgesloten. Partijen hebben geen geschil over het in mindering brengen van de bedragen die de vrouw op grond van pensioenverevening zal ontvangen. Hun verzoeken sluiten op dit punt niet aan, echter conform het bovenstaande begrijpt de rechtbank de verzoeken aldus dat zij verzoeken dit gedeelte op te nemen. (…).’
Gelet daarop heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, destijds bepaald dat de man € 3.128,- per maand zal vertrekken tot levensonderhoud van de vrouw, jaarlijks te indexeren volgens de wettelijke regeling, en dat de bedragen die de vrouw in het kader van pensioenverevening zal ontvangen daarop in mindering strekken.
De man stelt dat de huidige partneralimentatie niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Hij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. De partneralimentatie is ieder jaar geïndexeerd en bedraagt op dit moment € 4.407,86 bruto per maand. De pensioeninkomsten van de man zijn echter niet evenredig meegestegen, waardoor de man onvoldoende draagkracht heeft om de geïndexeerde partneralimentatie te voldoen. Daarnaast bedroeg het inkomen van de man in 2024 € 84.018,- bruto per jaar en in 2025
€ 85.746,48 bruto per jaar, terwijl zijn inkomen in 2015 € 86.690,- bruto per jaar bedroeg. Zijn huidige inkomen is dan ook lager dan het inkomen waarmee in de echtscheidingsbeschikking van 2015 rekening is gehouden. Verder stelt de man dat de vrouw nooit inzage heeft gegeven in haar inkomensgegevens. Hierdoor zijn de bedragen die de vrouw op grond van pensioenverevening ontvangt niet in mindering gebracht op de partneralimentatie. Gelet op het voorgaande is er volgens de man sprake van een draagkrachttekort, hetgeen een wijziging van omstandigheden oplevert.
De vrouw betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de partneralimentatie kan worden gewijzigd. Zij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. De man heeft geen volledig inzicht gegeven in zijn inkomensgegevens. Zo ontbreken pensioenbedragen op de bankrekeningen van de man, jaaroverzichten en officiële belastinggegevens van zowel de Nederlandse als de Spaanse Belastingdienst. Daarnaast berekent de vrouw het totale inkomen van de man in 2024 op minimaal € 105.274,- bruto per jaar. De vrouw merkt hierbij op dat de Spaanse belastingwetgeving ook nog eens veel gunstiger is voor wat betreft de inkomstenbelasting. Gelet op het voorgaande stelt de vrouw zich dan ook op het standpunt dat de draagkracht van de man een stuk hoger ligt dan door hem wordt gesteld. De vrouw bestrijdt dat haar inkomen is gewijzigd.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft niet, althans onvoldoende, aangetoond dat er – los van de financiële gevolgen van de uitvoering van de pensioenverevening van het pensioen van de man – sprake is van een afname van zijn huidig (pensioen)inkomen, ten opzichte van zijn (pensioen)inkomen in 2015. De man stelt dat hij in 2015 een inkomen van € 86.690,- bruto per jaar had. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist en de man heeft zijn stelling verder niet met stukken onderbouwd.
Verder ligt in de door de rechtbank bevestigde afspraak tussen partijen besloten dat zolang de pensioeninkomsten van de man na de echtscheiding niet worden verevend, en hij dus over zijn volledige pensioeninkomsten beschikt, hij een partneralimentatie van € 3.128,- per maand zal betalen. Na de echtscheiding heeft de vrouw haar recht op pensioenverevening bij de desbetreffende pensioenfondsen van de man kenbaar gemaakt en zijn deze fondsen haar aandeel in het ouderdomspensioen van de man rechtstreeks aan de vrouw gaan uitbetalen. Als gevolg daarvan komt het pensioen dat op basis van verevening rechtstreeks door het pensioenfonds aan de vrouw wordt uitbetaald niet meer voor in de jaaropgaven van de man van het desbetreffende pensioenfondsen. Daardoor heeft de man een lager pensioeninkomen en betaalt hij – conform de beschikking van 22 oktober 2015 – de vrouw een lagere partneralimentatie, althans is hij daartoe gerechtigd, omdat de door de vrouw ontvangen pensioenbedragen daarop in mindering strekken. De rechtbank constateert dan ook dat het lagere inkomen van de man na de echtscheiding als gevolg van de pensioenverevening verdisconteerd is in de afspraken van partijen over de partneralimentatie, die zijn vastgelegd in de beschikking van 22 oktober 2015.
Dat de man als gevolg van de pensioenverevening een lager pensioeninkomen ontvangt, is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen gewijzigde omstandigheid. Van een andere omstandigheid, die geleid heeft tot een lager pensioeninkomen, is de rechtbank ook niet gebleken. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet vast is komen te staan wat het inkomen van de man in 2015 was, voorafgaand aan en na het plaatsvinden van de pensioenverevening, zodat de rechtbank geen vergelijking van inkomens kan maken. Daarnaast heeft de man juist zelf aangegeven dat zijn inkomen in 2025 hoger was dan zijn inkomen in 2024. De vrouw heeft gemotiveerd bestreden dat haar inkomen is gewijzigd en de man heeft zijn stelling terzake niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek en komt daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de draagkracht van de man.
Uitsluiting wettelijke indexering
De man verzoekt om uitsluiting van de wettelijke indexering voor de resterende jaren van de alimentatieduur, te weten de jaren 2026 en 2027, op grond van artikel 1:402a lid 5 BW. De vrouw voert hiertegen verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Salarissen en uitkeringen stijgen met enige regelmaat. Het doel van de toepassing van de wettelijke indexering is aan de ene kant om de alimentatiegerechtigde te laten meeprofiteren van een toekomstige verhoging van het inkomen van de alimentatieplichtige, en aan de andere kant om de koopkracht van de alimentatiegerechtigde op peil te houden.
De rechtbank stelt vast dat de man zeker uit zeven verschillende pensioenfondsen inkomen ontvangt. De man heeft voor het lopende jaar (2026) niet, althans onvoldoende, aangetoond in hoeverre elk van die pensioenenbedragen is geïndexeerd. Voor volgend jaar (2027) is deze informatie vanzelfsprekend nog niet bekend. Gelet daarop laat de rechtbank het belang van de vrouw bij een waardevaste partneralimentatie zwaarder wegen en wijst zij het verzoek van de man af.
Betalingsachterstand van de man
De vrouw verzoekt de betalingsachterstand, die de man heeft veroorzaakt door te weinig partneralimentatie te betalen, vast te stellen en de man te verplichten dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, te betalen.
De man voert hiertegen verweer en stelt zich op het standpunt dat er helemaal geen betalingsachterstand is.
De rechtbank constateert dat partijen verschillen van mening over het bestaan, dan wel de hoogte, van de betalingsachterstand van de man. De rechtbank kan op basis van de stukken die in deze procedure voorhanden zijn niet vaststellen wat de omvang van de betalingsachterstand van de man is. De vrouw beschikt over een executoriale titel, zodat zij hetgeen is bepaald in de beschikking van 22 oktober 2015 ten uitvoer kan leggen. De rechtbank is van oordeel dat het geschil van partijen over de omvang van de betalingsachterstand van de man in de executiefase dient plaats te vinden. Daar is in de onderhavige procedure geen ruimte voor. De vrouw zal zich in dat kader (opnieuw) moeten richten tot het LBIO. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van de partneralimentatie;
*
wijst af het verzoek van de man ten aanzien tot het uitsluiten van de wettelijke indexering;
*
wijst af de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de alimentatieachterstand;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.