ECLI:NL:RBDHA:2026:21932

ECLI:NL:RBDHA:2026:21932

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-07-2026
Datum publicatie 06-08-2026
Zaaknummer SGR 25/7940, SGR 25/7941, SGR 25/7942, SGR 25/7943, SGR 25/7944, SGR 25/7945 en SGR 25/8695
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

IB/PVV. Berekenen van arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting over door het UWV betaalde socialezekerheidsuitkeringen. ECLI:NL:HR:2024:1657 Weigering van het UWV om aan het verzoek om een werkgeversbetaling mee te werken kan aan eiseres niet worden tegengeworpen. Beroep gegrond voor de periode na het verzoek om de werkgeversbetaling

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 25/7940, SGR 25/7941, SGR 25/7942, SGR 25/7943, SGR 25/7944, SGR 25/7945 en SGR 25/8695

(gemachtigde: R. Versluijs),

en

Procesverloop

SGR 25/7940 (IB/PVV 2018)

Verweerder heeft met dagtekening 15 juni 2019 aan eiseres een aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.711. De verschuldigde IB/PVV bedraagt € 11.653, waarbij een arbeidskorting van € 75 is toegepast.

SGR 25/7941 (IB/PVV 2019)

Verweerder heeft met dagtekening 16 mei 2020 aan eiseres een aanslag IB/PVV 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.289. De verschuldigde IB/PVV bedraagt € 12.227, waarbij een arbeidskorting van € 75 is toegepast.

SGR 25/7942 (IB/PVV 2020)

Verweerder heeft met dagtekening 27 mei 2021 aan eiseres een aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.567. De verschuldigde IB/PVV bedraagt € 12.675, waarbij een arbeidskorting van € 29 is toegepast.

SGR 25/7943 (IB/PVV 2021)

Verweerder heeft met dagtekening 10 mei 2022 aan eiseres een aanslag IB/PVV 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.996. De verschuldigde IB/PVV bedraagt € 12.406, waarbij een arbeidskorting van € 253 en een inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) van € 43 zijn toegepast.

SGR 25/7944 (IB/PVV 2022)

Verweerder heeft met dagtekening 9 juni 2023 aan eiseres een aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.002. De verschuldigde IB/PVV bedraagt € 13.203, waarbij een arbeidskorting van € 252 en een IACK van € 37 zijn toegepast.

Eiseres heeft op 21 mei 2023 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan haar opgelegde aanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2021 ingediend. Ook heeft eiseres op 22 september 2023 een verzoek om ambtshalve vermindering (gewijzigde aangifte) van de aan haar opgelegde aanslag IB/PVV 2022 ingediend.

Verweerder heeft met dagtekening 15 januari 2024 en 10 februari 2024 afwijzend op deze verzoeken beslist. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij uitspraken op bezwaar van 26 september 2025 heeft verweerder de bezwaren afgewezen.

SGR 25/7945 (IB/PVV 2023)

Verweerder heeft met dagtekening 4 oktober 2024 aan eiseres een aanslag IB/PVV 2023 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.826. De verschuldigde IB/PVV bedraagt € 15.207, waarbij een arbeidskorting van € 469 en een IACK van € 17 zijn toegepast.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 september 2025 de aanslag IB/PVV 2023 gehandhaafd.

SGR 25/8695 (IB/PVV 2024)

Verweerder heeft met dagtekening 4 november 2025 aan eiseres een aanslag IB/PVV 2024 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.749. De verschuldigde IB/PVV bedraagt € 15.445, waarbij een arbeidskorting van € 364 is toegepast.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 december 2025 de aanslag IB/PVV 2024 gehandhaafd.

Alle zaken (IB/PVV 2018 t/m 2024) Eiseres heeft tegen alle voornoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 maart 2026 via een videoverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde, die ook haar echtgenoot is, deelgenomen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Esschendal-Onyenze, [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Slotsom

Feiten

1. Eiseres is gehuwd en heeft met haar echtgenoot twee kinderen, geboren in 2019 en 2022. Eiseres is in het jaar 2015 gediagnostiseerd met multiple sclerose. Zij heeft zich vervolgens ziek moeten melden en kon haar werk als advocaat niet meer uitoefenen. Eiseres ontving in de periode van 25 maart 2017 tot en met 31 december 2018 van het UWV een uitkering in het kader van de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering). Per 1 januari 2019 is eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard, en kreeg zij een uitkering toegekend in het kader van de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Daarbij heeft eiseres in de periode 1 januari 2019 tot en met 13 februari 2020 een uitkering in het kader van de Ziektewet en vrijwillige verzekering Ziektewet ontvangen.

2. Eiseres is sinds 27 maart 2017 voor een klein aantal uren in dienst getreden als officemanager bij [bedrijfsnaam] B.V (huidige werkgever).

3. Eiseres heeft in de jaren 2018 tot en met 2024 de volgende inkomsten genoten:

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

4. Eiseres heeft op 20 november 2018 door middel van een wijzigingsformulier het UWV verzocht om haar huidige werkgever met ingang van 1 januari 2019 de IVA-uitkering in haar plaats in ontvangst te laten nemen en aan haar uit te laten betalen (verzoek om werkgeversbetaling). Dit verzoek is door het UWV bij brief van 26 februari 2019 afgewezen. In de brief staat, voor zover relevant, het volgende:

“UWV kan dit verzoek in uw situatie helaas niet honoreren. Systeemtechnisch is het nu niet mogelijk om een werkgeversbetaling te doen bij een uitkering, die UWV uitkeert voor een eigenrisicodrager WGA. UWV zal het systeem niet aanpassen, omdat de kosten daarvoor te groot zijn. We hebben niet eerdere eenzelfde verzoek ontvangen en UWV is niet verplicht een verzoek om een werkgeversbetaling te honoreren.”

Onderaan de brief staat geen rechtsmiddelenverwijzing vermeld.

5. Eiseres heeft het UWV bij brief van 21 mei 2023 aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatig handelen, vanwege de afwijzing van het verzoek om werkgeversbetaling. Eiseres heeft het UWV hierbij verzocht om vergoeding van de gelegen schade, bestaande uit misgelopen arbeidskorting en IACK. Het UWV heeft eiseres bij bericht van 12 oktober 2023 laten weten geen aansprakelijkheid voor voornoemde schade te erkennen.

6. Eiseres heeft op 12 februari 2024 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het UWV. Bij bericht van 15 mei 2024 is dit verzoek eveneens afgewezen.

7. Het UWV heeft bij brief van 29 juli 2024 de aansprakelijkstelling nogmaals inhoudelijk beoordeeld. In deze brief schrijft het UWV, voor zover relevant, het volgende:

“Het UWV deelt uw mening […] niet dat er ex artikel 67 lid 4 een plicht voor het UWV bestaat om onder alle omstandigheden de uitkering via een werkgeversbetaling betaalbaar te stellen, zeker niet gelet op hetgeen in het hiernavolgende over systemen en uitvoeringskosten nog aan de orde komt.

Zoals herhaalde malen door het UWV naar voren is gebracht was de omzetting van de betaalrichting, zoals door u verzocht, systeemtechnisch niet mogelijk. Na een grondig onderzoek (onder meer door een procesontwerper en een functioneel beheerder) en veelvuldig intern overleg is gebleken dat het, nu uw ex werkgever een eigen risicodrager is voor de WIA (en de uitkering door het UWV wordt betaald en op de werkgever wordt verhaald), niet uitvoerbaar is om 2 verschillende werkgevers en 1 uitkeringsgerechtigde in het systeem te koppelen. Door een veelheid aan financiële stromen en verschillen op premiegebied was dit niet mogelijk. Ook de mogelijkheid om tot een soort van “workaround” te komen is onderzocht, maar bleek eveneens niet haalbaar binnen de huidige systemen.

In een eerder stadium is u tevens medegedeeld dat het te kostbaar was/is de systemen aan te passen voor een enkel geval en dit, naar het oordeel van het UWV, ook niet van het UWV verlangd kan worden. Ditzelfde geldt voor de door u aangedragen optie om elke maand een speciale mutatie te laten uitvoeren. […]

Tot slot

Vaststaat dat het de Belastingdienst is die via de aangifte inkomstenbelasting bepaalt of de juiste loonheffing (inclusief verdiscontering van de arbeidskorting) heeft plaatsgevonden. U heeft ervoor gekozen een claim op basis van onrechtmatige daad bij het UWV neer te leggen, terwijl de fiscale wetgeving, lagere fiscale regelgeving en beleid van de Belastingdienst tot gevolg hebben dat uw uitkering geen inkomen is dat meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting.”

8. In haar verzoeken om ambtshalve vermindering en haar bezwaren verzoekt eiseres verweerder om de door het UWV betaalde socialezekerheidsuitkeringen in aanmerking te nemen alsof deze via de huidige werkgever van eiseres zouden zijn betaald. Verweerder heeft hierop afwijzend beslist.

Geschil

9. In geschil is of de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 tot en met 2024 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de door eiseres ontvangen socialezekerheidsuitkeringen terecht niet zijn betrokken in de grondslag voor de berekening van de arbeidskorting en IACK.

10. Eiseres stelt dat in de aanslagen IB/PVV een te laag bedrag aan arbeidskorting en IACK in aanmerking is genomen. Zij voert hiertoe aan dat het UWV de haar toekomende socialezekerheidsuitkeringen niet direct aan haar had moeten betalen, maar indirect, via haar werkgever. Ook stelt eiseres dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van belastingplichtigen die hun socialezekerheidsuitkeringen rechtstreeks van hun werkgever ontvangen. Bij die belastingplichtigen wordt de socialezekerheidsuitkering namelijk wel in aanmerking genomen voor de berekening van de arbeidskorting en IACK. Dit verschil in behandeling is volgens eiseres in strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM. Eiseres verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024. Eiseres verzoekt de rechtbank om rechtsherstel met terugwerkende kracht. Voorts stelt eiseres dat zij door het handelen van het UWV ongelijk is behandeld ten opzichte van andere belastingplichtigen bij wie wel gevolg is gegeven aan een verzoek om werkgeversbetaling. Ten slotte stelt eiseres dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en doet zij een beroep op de menselijke maat, het evenredigheidsbeginsel en de toepassing van de redelijkheid en billijkheid.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht geen arbeidskorting en IACK is berekend over de ontvangen socialezekerheidsuitkeringen.

Beoordeling

12. De arbeidskorting geldt op grond van artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. De IACK geldt op grond van artikel 8.14a, eerste lid, van de Wet IB 2001 voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet dat meer bedraagt dan een drempelbedrag, een kind heeft dat bij aanvang van het kalenderjaar nog geen twaalf jaar is en gedurende ten minste zes maanden tot hetzelfde huishouden behoort als de belastingplichtige, en alleenstaand is of minder verdient dan zijn fiscale partner. Onder arbeidsinkomen wordt op grond van artikel 8.1, eerste lid, letter e, van de Wet IB 2001 verstaan, voor zover van belang, het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als loon.

13. De door het UWV betaalde socialezekerheidsuitkeringen kunnen niet worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige arbeid. Zij vallen daarom niet onder de definitie van arbeidsinkomen en er wordt geen arbeidskorting en IACK over berekend.

14. Op grond van artikel 67, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan een verzekerde een ander machtigen om een uitkering in ontvangst te nemen, waarna deze gemachtigde die uitkering aan de verzekerde moet doorbetalen. Op deze wijze kan een werknemer een socialezekerheidsuitkering aan zijn werkgever laten betalen, waarna de werknemer de uitkering ontvangt van zijn werkgever. Lid 4 van voornoemd artikel luidt als volgt (onderstreping door de rechtbank):

“4. Wanneer de persoon, die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking van die machtiging.”

15. In de memorie van toelichting bij de Wet WIA is de volgende toelichting op deze bepaling gegeven (onderstreping door de rechtbank):

“De uitkeringsgerechtigde kan ook een ander machtigen de uitkering in ontvangst te nemen. Hij kan die machtiging elk moment weer intrekken. In het vijfde lid is bepaald dat aan de machtiging, respectievelijk de intrekking van de machtiging zo spoedig mogelijk moet worden voldaan . In principe bij het eerstvolgende betalingstijdvak, maar als dat gelet op het tijdstip waarop de machtiging is gedaan, respectievelijk ingetrokken, niet mogelijk is, met ingang van het daaropvolgende betalingstijdvak.”

16. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat als de socialezekerheidsuitkeringen aan eiseres via haar werkgever zou zijn betaald (werkgeversbetaling), deze in de grondslag voor de berekening van de arbeidskorting en IACK zouden worden betrokken. Immers, als deze uitkering zou zijn betaald via een werkgever bij wie de uitkeringsgerechtigde ook loon uit tegenwoordige arbeid geniet, bepalen artikel 9.1 en 9.4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011) dat samenvoeging plaatsvindt van die uitkering met dat loon tot één loon uit tegenwoordige arbeid. Vervolgens wordt over het samengevoegde bedrag arbeidskorting en IACK berekend. Artikel 9.1 van de URLB 2011 luidt als volgt:

“Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat […] wordt geacht de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten te verstrekken die door zijn tussenkomst worden uitbetaald.”

En artikel 9.4, eerste lid, van de URLB 2011 luidt als volgt:

“Een inhoudingsplichtige wordt in de gevallen, bedoeld in de artikelen 9.1 en 9.3, alsmede indien hij loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt, geacht het totale bedrag aan loon te verstrekken uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking.”

2019 tot en met 2024

17. Eiseres heeft het UWV verzocht om met ingang van 1 januari 2019 over te gaan tot een werkgeversbetaling, zodat eiseres haar IVA-uitkering in het vervolg via haar huidige werkgever zou ontvangen. Eiseres stelt dat haar huidige werkgever ermee akkoord was om deze betalingen te ontvangen en door te betalen. Dit verzoek is afgewezen door het UWV vanwege systeemtechnische beperkingen en hoge uitvoeringskosten (zie hiervoor onder 4 en 7).

18. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat – als geen sprake was geweest van de door het UWV genoemde praktische belemmeringen (zie hiervoor onder 4 en 7) – het UWV gevolg zou hebben gegeven aan het verzoek om de werkgeversbetaling. Eiseres had de IVA-uitkering dan vanaf 1 januari 2019 via de huidige werkgever ontvangen, waardoor deze uitkering vanaf dat moment in de grondslag voor de berekening van de arbeidskorting en IACK zou zijn betrokken. Uit de tekst van artikel 67, vierde lid, van de Wet WIA en de memorie van toelichting leidt de rechtbank af dat het UWV gevolg had moeten geven aan het verzoek van eiseres om de werkgeversbetaling. Uit de wettekst en memorie van toelichting volgt niet dat het UWV van het verzoek om een ander te machtigen af kan wijken, of dat alleen onder bepaalde omstandigheden werkgevers gemachtigd kunnen worden om socialezekerheidsuitkeringen in ontvangst te nemen. Daarbij stelt het UWV dat dit een fiscale kwestie betreft, terwijl verweerder stelt dat het UWV, om redenen die het zelf heeft afgewogen, heeft besloten om de werkgeversbetaling in het geval van eiseres niet toe te passen. Al het voorgaande in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat de weigering van het UWV om aan het verzoek om een werkgeversbetaling mee te werken eiseres niet kan worden tegengeworpen. Nu eiseres dit verzoek op 20 november 2018 heeft gedaan, is het voorgaande van toepassing vanaf 1 januari 2019, dus voor de jaren 2019 tot en met 2024.

19. Gelet op het voorgaande, had arbeidskorting en IACK over de door het UWV betaalde IVA-uitkeringen moeten worden berekend. Verweerder heeft de aanslagen IB/PVV 2019 tot en met 2024 op te hoge bedragen vastgesteld. De rechtbank zal de beroepen voor deze jaren daarom gegrond verklaren en verweerder opdragen deze aanslagen te verminderen.

2018

20. Eiseres heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024. Ten aanzien van het jaar 2018 overweegt de rechtbank hierover het volgende. De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat de ongelijke behandeling voor de arbeidskorting van een WGA-uitkering naar gelang deze door het UWV of via de werkgever wordt betaald een ongeoorloofde schending is van het verbod van discriminatie in artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het EP bij het EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. De Hoge Raad heeft destijds echter ook geoordeeld dat het vooralsnog aan de wetgever is om in dit rechtstekort te voorzien, omdat de wijze waarop gelijke behandeling kan worden bereikt (keuze tussen verschillende alternatieven) de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Het voorgaande geldt ook voor deze zaak. Dat betekent dat de rechtbank eiseres geen rechtsherstel biedt voor de geconstateerde schending van het discriminatieverbod. Daarbij komt dat de aanslag IB/PVV 2018 reeds onherroepelijk vaststond voordat het voornoemde arrest werd gewezen. Ook om die reden kan dit arrest niet tot een gegrond beroep voor dit jaar leiden. Mede gelet op het voorgaande kan het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel, de menselijke maat en de redelijkheid en billijkheid haar evenmin baten.

21. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van het jaar 2018 is vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eiseres in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Dergelijke uitlatingen of gedragingen zijn door eiseres niet aannemelijk gemaakt.

22. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de beroepen SGR 25/7941, SGR 25/7942, SGR 25/7943, SGR 25/7944, SGR 25/7945 en SGR 25/8695 (IB/PVV 2019 tot en met 2024) gegrond verklaren, en het beroep SGR 25/7940 (IB/PVV 2018) ongegrond verklaren.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Verweerder dient wel het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Pavković, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/2247 Viditax (FutD) 2026102206
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand