[naam], V-nummer: [nummer],
[naam] , V-nummer: [nummer],
[naam] , V-nummer: [nummer],
[naam] , V-nummer: [nummer],
[naam] , V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: opposanten,
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde
tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 maart 2026
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer]
[naam] , V-nummer: [nummer],
[naam] , V-nummer: [nummer],
[naam] , V-nummer: [nummer]
[naam] , V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de uitspraak van de rechtbank van 16 maart 2026, waarin de rechtbank het opvolgende beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard. Het verzet richt zich uitsluitend tegen de vaststelling van de proceskostenveroordeling.
2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond voor zover dit betrekking heeft op de proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet uitsluitend of in de uitspraak van 16 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel was, dat het opvolgende beroep kennelijk gegrond was en dat de proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 233,50. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het opvolgende beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de eerder vastgestelde beslistermijn was verstreken. Geopposeerde moet de door opposanten gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank heeft daarbij de wegingsfactor voor het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding bepaald op 0,25 (zeer licht).
5. Opposanten stellen zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de wegingsfactor voor de proceskosten 0,25 (zeer licht) is. De rechtbank gaat ervan uit dat een tweede of opvolgend beroep niet-tijdig beslissen minder werkzaamheden en tijd met zich brengt dan een eerste beroep niet-tijdig beslissen maar waarop de rechtbank dat baseert, wordt niet overwogen. Opposanten kunnen niet volstaan met het indienen van een beroepschrift maar moest tevens nagaan welke termijnen verstreken waren en nader bepalen welke beslistermijn thans geboden zou zijn. Opposanten verwijzen naar uitspraken waarin de rechtbank heeft bepaald dat er geen rechtsgrond is voor een weging die uitkomt op minder dan de helft van de waarde van 1 punt. Opposanten zijn van oordeel dat de rechtbank hun verzoek om proceskosten ten onrechte bij verstek heeft afgedaan en dat de rechtbank geopposeerde alsnog moet veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten ter hoogte van € 467,-.
6. De aangevoerde gronden over de gehanteerde wegingsfactor slagen. In de
uitspraak van 16 maart 2026 is ten onrechte geoordeeld dat het opvolgende beroep van opposanten vereenvoudigd kon worden afgedaan, omdat de uitkomst van het beroep – voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling – niet buiten redelijke twijfel vaststond.
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 15 juni 2026 uitspraak heeft gedaan over de toepassing van de wegingsfactor 0,25 in niet-tijdig-beslissen procedures. De Afdeling oordeelt dat de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 toepast als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of het bestuursorgaan als gevolg daarvan een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om in opvolgende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor toe te passen.
Gelet op deze ontwikkeling in de jurisprudentie is het verzet gegrond. Nu het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling, vervalt de uitspraak van 16 maart 2026 op dat punt en blijft de uitspraak van 16 maart 2026 voor het overige in stand. De rechtbank hervat het onderzoek, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal hierbij tevens uitspraak doen op het beroep.Beoordeling van de rechtbank van het beroep inzake de proceskostenveroordeling
7. Opposanten zullen hierna worden aangeduid als eisers en geopposeerde als de minister.
8. Omdat het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling en gegrond verklaard zal worden, blijft de uitspraak van 16 maart 2026 voor het overige in stand en moet de rechtbank alleen opnieuw beslissen op het onderdeel proceskosten.
9. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast met toepassing van de wegingsfactor 0,5. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het oordeel van de Afdeling dat ook bij een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen een wegingsfactor 0,5 moet worden gehanteerd.
10. De minister moet in het beroep de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Conclusie en gevolgen
11. Het verzet is gegrond voor zover het betrekking heeft op de proceskostenveroordeling. Dat betekent dat de uitspraak van 16 maart 2026, voor zover betrekking hebbend op dat onderdeel, vervalt. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep niet tijdig beslissen vast op € 467,-.
De minister moet ook de door de opposanten gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten bedrage van € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Dat betekent dat de totale proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.