Gezag, omgang
Beschikking op het op 20 april 2023 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
Bij beschikking van 21 november 2024 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van het gezag, de omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatieregeling en de proceskosten pro forma aangehouden, zijn de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschaps-bemiddeling en is de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren. Voorts is bepaald dat de vader aan de moeder, met ingang van 12 juni 2024 een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 584,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Vervolgens is de behandeling van de zaak op de zitting van 11 september 2025 voortgezet en nogmaals pro forma aangehouden, in afwachting van het verloop van de opbouw van de omgangsregeling onder begeleiding van de gecertificeerde instelling.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
- het F9-formulier van 26 januari 2026 van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 23 februari 2026 van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 1 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk, met een brief van 19 mei 2026, uitgelaten over het verzoek.
Op 9 juni 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Gewijzigd verzoek en verweer
De vader verzoekt, na wijziging, te bepalen dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Stand van zaken
Het verzoek van de vader ziet, na wijziging, alleen nog op [de minderjarige 2] , zoals hierboven vermeld. Dit heeft te maken met de huidige situatie en problematiek van [de minderjarige 1] . Zij is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp en heeft aangegeven dat zij op dit moment geen contact met de vader wil.
[de minderjarige 2] is ook onder toezicht gesteld en bij beschikking van deze rechtbank van 31 maart 2026 is deze ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] verlengd tot 8 oktober 2026.
De jeugdbeschermer heeft ter zitting aangegeven dat er in de afgelopen periode stappen in positieve richting zijn gezet. Voor [de minderjarige 2] is speltherapie ingezet en er worden positieve veranderingen gezien in de ontwikkeling van [de minderjarige 2] . [de minderjarige 2] is weerbaarder geworden, kan haar emoties beter benoemen en durft aan te geven als zij ergens tegenaan loopt. Wel komen vanuit de speltherapie en de NSO signalen naar voren dat er onder de oppervlakte nog problematiek bij [de minderjarige 2] zit en dat ze het best moeilijk heeft met alle veranderingen. Ze laat nog emoties van boosheid en verdriet zien, waardoor het de vraag is of de speltherapie al kan worden afgesloten of dat er toch meer nodig is voor [de minderjarige 2] .
De vader is vier maanden in het buitenland geweest voor werk, maar in de tussentijd zijn er videobelmomenten tussen [de minderjarige 2] en de vader geweest en toen de vader kort met verlof in Nederland was, is er contact tussen de vader en [de minderjarige 2] geweest. Sinds de vader weer terug in Nederland is, is de gefaseerde opbouwregeling zoals door de RvdK is geadviseerd, opgepakt en de omgang tussen de vader en [de minderjarige 2] verloopt goed. [de minderjarige 2] is nu iedere zondag van 11.00 tot 18.30-19.00 uur met de vader bij de oma vaderszijde, en blijft daarnaast soms bij de oma vaderszijde slapen. Daarnaast is [de minderjarige 2] ook op doordeweekse momenten bij de oma vaderszijde. Dit wordt in onderling overleg tussen moeder en oma vaderszijde afgesproken.
De ouders zijn samen met elkaar en met de jeugdbescherming in gesprek met als doel een ouderschapsplan op te stellen.
Ter zitting heeft de vader aanvullend aangegeven dat de relatie met zijn nieuwe partner begin mei is verbroken. Hij verblijft nu tijdelijk in [plaats] , maar zal binnenkort weer bij zijn moeder gaan wonen. Het is daarbij dan ook de bedoeling dat, zolang hij geen eigen woning heeft, [de minderjarige 2] tijdens de omgangsmomenten nog steeds in de woning van zijn moeder verblijft.
Gezag
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een minderjarige, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarige te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek tot gezamenlijk gezag, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien: (a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De vader verzoekt om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige 2] te belasten. Ter onderbouwing hiervan voert de vader het volgende aan. De vader is een betrokken vader en wil graag meebeslissen over belangrijke zaken over [de minderjarige 2] . Hij zal daarbij gezagsbeslissingen niet tegenwerken. Daarnaast heeft de vader regelmatig contact met [de minderjarige 2] en hij weet wat er speelt in haar leven. Hij gaat naar ouderavonden en afspraken op school, maar krijgt zelf nog geen rechtstreekse informatie van school. Ook krijgt de vader zelf geen informatie van de speltherapeut. De vader wil wel graag deze informatie zelf ontvangen. Voorts is het contact tussen de vader en de moeder inmiddels verbeterd en de ouders zijn, al dan niet met behulp van de gecertificeerde instelling, in staat om met elkaar te communiceren in het belang van [de minderjarige 2] .
De moeder voert verweer en stelt dat het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag moet worden afgewezen. In de afgelopen periode zijn er zeker veranderingen ten goede geweest, maar de eindsituatie waar de RvdK en de jeugdbeschermer naartoe willen werken is nog niet bereikt. De opbouw van de omgang vindt plaats in vier fases – op dit moment zit de opbouw van de omgang (ook volgens de gecertificeerde instelling) in fase twee – en na fase vier wordt pas bekeken hoe de definitieve omgangsregeling zal zijn en ook dan zal pas een beslissing over het gezag kunnen worden genomen. Het is op dit moment daarom nog te vroeg om een eindbeslissing te geven. Daarnaast is de vader nog steeds niet open naar de moeder toe en deelt hij belangrijke informatie niet met haar. Zo was de moeder was er tot vandaag niet van op de hoogte dat de relatie van de vader al begin mei is verbroken en dat de vader nu tijdelijk in [plaats] woont en van plan is om binnenkort weer bij zijn moeder te gaan wonen. Daarnaast is [de minderjarige 2] in de afgelopen periode wel gegroeid, maar bij de speltherapie komt naar voren dat er toch nog problematiek bij haar zit. Ook komt er nog een grote verandering voor [de minderjarige 2] in de gezinssituatie aan. Binnenkort wordt namelijk het broertje van [de minderjarige 2] geboren (uit de relatie van de moeder met haar huidige partner) en het is nog afwachten hoe [de minderjarige 2] daarop reageert. De moeder verzoekt daarom om de beslissing op het gezag nader aan te houden. Pas als de eindsituatie, waar volgens de RvdK naar toe moet worden gewerkt, een feit is, zal duidelijk zijn of een blijvende verandering in de communicatie heeft plaatsgevonden.
De jeugdbeschermer heeft ter zitting aangegeven dat de ouders in de afgelopen periode aan de slag zijn gegaan en goed en hard hebben gewerkt voor [de minderjarige 2] . De verhouding tussen de ouders is verbeterd en het lukt de ouders nu met behulp van de gecertificeerde instelling om met elkaar aan tafel te zitten en met elkaar te communiceren. De ondertoezichtstelling is met zes maanden verlengd, maar de vraag is wel of het volledig haalbaar is om binnen deze zes maanden de eindsituatie te bereiken. Er zijn de laatste tijd veel veranderingen geweest en er gaan ook nog veel veranderingen komen. Zowel de speltherapeut als de NSO hebben zorgen over de impact die de recente veranderingen op [de minderjarige 2] hebben. De vader is vier maanden voor zijn werk in het buitenland geweest en nog niet zo heel lang weer terug in Nederland. Zijn woonsituatie wisselt. De hechting van [de minderjarige 2] aan de ex-partner van vader is doorbroken. De omgang zit pas in fase twee. Daarnaast heeft de vader pas nu aangegeven dat zijn nieuwe relatie begin mei al is verbroken en dat hij weer bij zijn moeder gaat wonen. Dit levert voor de moeder weer een breuk in het vertrouwen in vader op, dat eigenlijk net herstellende was.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over het kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
De rechtbank is gebleken dat de ouders in de afgelopen periode hard hebben gewerkt en stappen hebben gemaakt voor [de minderjarige 2] . Daarnaast lijken de ouders in staat om, al dan niet met behulp van de gecertificeerde instelling, met elkaar te communiceren over kleine praktische punten ten aanzien van [de minderjarige 2] . De rechtbank ziet dit als een positieve ontwikkeling. Tegelijkertijd lukt het de ouders nog niet om met elkaar te communiceren over grotere zaken die een grote impact hebben op [de minderjarige 2] , zoals het beëindigen van de nieuwe relatie en de verhuizing van de vader. Daarnaast is de eindsituatie waar de RvdK en de jeugdbeschermer naartoe willen werken nog niet bereikt en ook hebben de ouders nog geen ouderschapsplan opgesteld. Evenmin is er al een Ouderschapsbemiddelingstraject opgestart. Het is op dit moment nog niet duidelijk wanneer de eindsituatie wel zal worden bereikt.
Het voorgaande tegen elkaar afgewogen, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment nog een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige 2] klem of verloren zal raken tussen de ouders en dat het nog te vroeg is om de ouders te belasten met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 2] . Op dit moment lijkt het zonder al te veel problemen te lopen, maar dat is te danken aan de jeugdbeschermer die in het kader van de OTS met beide ouders contact heeft. Voor [de minderjarige 2] is hulpverlening nodig waarvoor de ouders met gezag toestemming moeten geven. De rechtbank acht op dit moment het risico te groot dat als de OTS eindigt, ouders niet in staat zijn om in het belang van [de minderjarige 2] samen gezagsbeslissingen over bijvoorbeeld de benodigde hulpverlening te nemen. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag daarom afwijzen.
Omgangsregeling
De vader heeft aangegeven dat in de tijd dat de vader in het buitenland verbleef, er contact via videobellen plaatsvond, meestal twee keer in de week. Deze videobelmomenten verliepen goed. Toen de vader een week in Nederland was voor verlof verliep de omgang met de vader, inclusief slapen, ook goed. De vader is nu weer in Nederland en de omgangsregeling is onder begeleiding van de gecertificeerde instelling uitgebreid en zit nu volgens de vader in opbouwfase drie. De vader verwacht dat binnenkort zal kunnen toegewerkt naar de laatste fase en verzoekt daarom om een definitieve zorgregeling vast te stellen conform fase vier.
De moeder heeft aangegeven dat er inmiddels inderdaad omgang is tussen [de minderjarige 2] en de vader. Bij deze omgang zijn de gecertificeerde instelling en de oma vaderszijde betrokken. Er is meer rust in de hele situatie ontstaan en de omgang tussen de vader en [de minderjarige 2] loopt in beginsel goed. De moeder is van mening dat de omgangsregeling verder moet worden opgebouwd conform het advies van de RvdK en onder de regie van de gecertificeerde instelling.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat in de afgelopen periode, met betrokkenheid van de jeugdbeschermer, is gestart met de opbouw van omgang tussen [de minderjarige 2] en de vader. Dit is gefaseerd gebeurd conform het advies van de RvdK en zit nu in fase 2. De moeder biedt ruimte en emotionele toestemming voor de omgang en werkt goed mee. De vader werkt ook goed mee. De omgang verloopt goed, maar er zijn nog wel een aantal stappen te maken. De ouders zijn het erover eens dat het wenselijk is dat de gecertificeerde instelling nog betrokken blijft bij de opbouw van de omgangsmomenten tussen [de minderjarige 2] en de vader en dat met behulp van de jeugdbeschermer wordt toegewerkt naar fase vier, zoals door de RvdK is geadviseerd.
De rechtbank zal gelet op het voornoemde bepalen dat de vader omgang heeft met [de minderjarige 2] onder regie van de gecertificeerde instelling. De betrokkenheid van hulpverlening is nog noodzakelijk. De ondertoezichtstelling is inmiddels verlengd voor de periode van een half jaar, en de jeugdbeschermer verwacht dat toch nog om een verlenging zal worden gevraagd. Voorts zullen de ouders nog samen met elkaar en met de jeugdbescherming in gesprek gaan met als doel een ouderschapsplan op te stellen. Gelet op alle veranderingen, zeker ook aan de kant van vader, kan de rechtbank op dit moment niet beoordelen welke omgangsregeling op termijn het meest in het belang van [de minderjarige 2] is. Dat zal waarschijnlijk een regeling zijn die in lijn is met de omgangsregeling die de RvdK in het rapport van 26 juni 2025 onder fase vier wordt genoemd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de gecertificeerde instelling naar een dergelijke regeling toe zal werken en de ouders die regeling opnemen in het ouderschapsplan.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,
omgang heeft met de vader onder regie van de gecertificeerde instelling, waarbij de regie over de plaats, duur en frequentie bij de gecertificeerde instelling ligt;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.