Rechtbank den haag
Team Familie - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707084 / KG ZA 26-647
Vonnis in kort geding van 7 juli 2026
in de zaak van
[de vader] in [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat mr. S. Kranendonk in ’s-Gravendeel,
tegen:
[de moeder] in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. J.C. Herweijer in Zoetermeer.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’ en samen als ‘de ouders’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met producties;
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;
de op 23 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Op de zitting waren aanwezig:
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Op de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
[de minderjarige] heeft op 23 juni 2026 in een kindgesprek met de voorzieningenrechter gesproken.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, wordt in deze procedure van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige] .
De ouders hebben samen een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 2 maart 2016 hebben ondertekend. Zij zijn – voor zover hier relevant – in artikel 3.1 de volgende zorgregeling overeengekomen: van zondag tot woensdag verblijft [de minderjarige] bij de vader, van woensdag tot zondag verblijft [de minderjarige] bij de moeder. Ouders verdelen de zorg 50/50.
Nadien hebben de ouders de zorgregeling in onderling overleg aangepast, in die zin dat [de minderjarige] in de ene week van zaterdagmiddag 17.00 uur tot woensdagochtend naar school bij de vader is en in de andere week van zondagochtend 8.00 uur tot woensdagochtend naar school.
In november 2025 hebben [de minderjarige] en de ouders een intake gehad bij Family Supporters. [de minderjarige] volgt daar speltherapie en er wordt gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge verstandhouding en communicatie tussen de ouders. Op 26 maart 2026 en 4 juni 2026 hebben evaluatiegesprekken plaatsgevonden met de ouders.
Op 5 juni 2026 heeft de moeder per e-mail aan de vader aangegeven dat zij de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] per direct opschort.
3. Het geschil
in conventie
De vader vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de moeder met onmiddellijke ingang te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, zoals deze tussen de ouders is afgesproken in het ouderschapsplan van 2 maart 2016 en nadien enigszins gewijzigd is en waarbij [de minderjarige] bij de vader is in de ene week van zaterdag 17.00 uur tot woensdagochtend naar school en in de andere week van zondag 8.00 uur tot woensdag naar school;
te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-;
de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten met en zonder betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanig bedrag aan vergoeding van kosten als de rechtbank redelijk en juist acht.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft de zorgregeling begin juni eenzijdig opgeschort, omdat zij verwondingen bij de billen van [de minderjarige] heeft geconstateerd en zij de vader verdenkt van het plegen van ontuchtige handelingen. De vader ontkent dit. Hij betwist dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd of zich schuldig heeft gemaakt aan enige andere vorm van grensoverschrijdend gedrag jegens [de minderjarige] . Volgens de vader beschuldigt de moeder hem zonder enig bewijs. Anders dan de moeder aangeeft, heeft de huisarts niets bij [de minderjarige] geconstateerd. De huisarts heeft alleen foto’s gezien, waarvan bovendien niet vaststaat dat daarop [de minderjarige] is te zien. De vader is van mening dat de zorgregeling met onmiddellijke ingang moet worden hervat. Dit is namelijk de derde keer dat de moeder probeert de rol van de vader in het leven van [de minderjarige] in te perken. Het nog langer uitblijven van contact is niet in het belang van [de minderjarige] . Hoewel hiervoor volgens de vader geen noodzaak bestaat, is hij wel bereid om mee te werken aan begeleide omgang.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zorgregeling zoals tussen de ouders overeengekomen op te schorten, in die zin dat [de minderjarige] voorlopig geen contact met de vader zal hebben en de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure, althans de proceskosten te compenseren.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De moeder maakt zich al langere tijd ernstige zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [de minderjarige] bij de vader. De moeder heeft recent fors letsel bij de billen van [de minderjarige] geconstateerd wat kan duiden op seksueel misbruik. Dit letsel is, volgens de moeder, ontstaan in de periode dat [de minderjarige] bij de vader verbleef. De moeder heeft meerdere foto’s van dit letsel gemaakt en aan de huisarts laten zien. De huisarts heeft aangegeven dat wat zij op de foto’s ziet zorgelijk is en dat dit kan passen bij seksueel misbruik. Op 6 juli 2026 zal de zedenpolitie de aangifte van de moeder jegens de vader ter zake de verdenking van ontuchtige handelingen met [de minderjarige] opnemen. Als daartoe aanleiding wordt gezien zal kort daarna een studioverhoor met [de minderjarige] plaatsvinden. Om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen heeft de moeder besloten om de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] op te schorten en het belang van [de minderjarige] rechtvaardigt een langere opschorting van de zorgregeling, aldus de moeder.
De vader voert mondeling verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de voorzieningenrechter de vorderingen gezamenlijk behandelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beide ouders een spoedeisend belang hebben bij hun vordering(en).
Als uitgangspunt geldt dat de door de ouders overeengekomen zorgregeling moet worden nagekomen, tenzij zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat die zorgregeling niet (meer) in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht.
De moeder heeft de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] begin juni 2026 eenzijdig stopgezet. Zij heeft in dit verband betoogd dat onverkorte nakoming van de zorgregeling niet in het belang van [de minderjarige] is, omdat zowel zijn fysieke en emotionele veiligheid in het geding zijn als hij omgang met zijn vader heeft. De moeder heeft al langere tijd vermoedens van seksueel misbruik van [de minderjarige] door de vader. De vader betwist dit nadrukkelijk en stelt dat er geen enkele reden is waarom hij geen contact met [de minderjarige] zou kunnen hebben en dat de zorgregeling in het belang van [de minderjarige] met onmiddellijke ingang weer moet worden hervat.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De moeder is eind mei naar de huisarts gegaan, vanwege vermoedens van seksueel misbruik van [de minderjarige] door de vader. [de minderjarige] wilde niet naar de huisarts en om die reden heeft de moeder de huisarts foto’s laten zien van het letsel van [de minderjarige] . De huisarts heeft over deze foto’s het volgende opgeschreven in een huisartsjournaal van 1 juni 2026: “[…] op foto’s donkerrode/paarsige verkleuring rondom anus met op enkele foto’s ook zweem van gele huid langs dit donkerrode gebied. Uitleg dat ik wat ik op de foto’s zie zorgelijk vind en dat dit kan passen bij misbruik, eczeem oid zou niet met beeld van oud hematoom (geel gebied) gepaard gaan mi maar kan obv foto niet 100% zeggen wat dit betekent wel dat ik vind dat hier verder wat mee dient te gebeuren ter bescherming van L […]”. Na het zien van deze foto’s heeft de huisarts op 9 juni 2026 een melding gedaan bij Veilig Thuis en daarin over het vermeende seksueel misbruik van [de minderjarige] , onder meer, het volgende opgeschreven: “[…] moeder maakt zich al langer zorgen en is bang voor misbruik. Nu ze recent de afwijkingen zag rond de anus heeft ze mij foto's hiervan getoond met de vraag of dit kan passen bij misbruik of dat het iets anders kan zijn. Het beeld wat ik zag van de huidafwijkingen vond ik zorgwekkend en dat in combinatie met moeders zorgen/signalen maakte dat ik heb besloten te overleggen met Veilig Thuis (3/6), nav hiervan heb ik ook de vertrouwensarts gesproken (4/6) en die adviseerde mij ook te melden en vader te informeren hierover. En dit heeft geresulteerd in deze melding. […]” Op 6 juli 2026 zal de aangifte van de moeder jegens de vader worden opgenomen door de politie. Het verloop van het verdere onderzoek en de uitkomsten daarvan zijn op dit moment nog onduidelijk. Veilig Thuis en Family Supporters wachten het onderzoek van de politie af, alvorens de casus weer op te pakken.
In een kort geding-procedure, is geen plaats voor nadere bewijslevering en nader (feiten)onderzoek. Zoals ook op de zitting besproken kan de voorzieningenrechter op basis van de op dit moment beschikbare informatie niet vaststellen of de door de moeder geuite beschuldigingen jegens de vader terecht of onterecht zijn en of de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader in het geding is. Echter, de voorzieningenrechter dient bij de beoordeling van de vorderingen het belang van [de minderjarige] en zijn veiligheid voorop te stellen. Gelet op de geuite beschuldigingen van de moeder jegens de vader en de zorgen van de huisarts, kan de voorzieningenrechter er niet omheen dat er zorgen zijn over de veiligheid en het welzijn van [de minderjarige] . Die zorgen zijn dusdanig dat het van belang is dat daar verder onderzoek naar wordt gedaan. Dat onderzoek loopt op dit moment. De voorzieningenrechter acht het om die reden op dit moment, in afwachting van het nadere onderzoek, niet in het belang van [de minderjarige] dat de zorgregeling tussen hem en zijn vader wordt hervat. Het is voor (de veiligheid van) [de minderjarige] van belang dat naar aanleiding van de aangifte van de moeder die op 6 juli 2026 wordt gedaan eerst verder onderzoek wordt gedaan door de politie naar het beweerdelijke seksueel misbruik. De voorzieningenrechter benadrukt dat op dit moment dus niet vaststaat of er überhaupt sprake is van seksueel misbruik en, als dit wel het geval is, dat de vader zich daaraan schuldig heeft gemaakt. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit moeilijk is voor de vader, die de beschuldigingen nadrukkelijk ontkent en die [de minderjarige] graag zo snel mogelijk wil zien, maar de voorzieningenrechter ziet in de gegeven omstandigheden geen andere mogelijkheid om de veiligheid van [de minderjarige] zoveel mogelijk te waarborgen. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vader tot nakoming dn ook afwijzen. Oplegging van een dwangsom is daarom ook niet aan de orde en de voorzieningenrechter zal de vordering van de vader hierover afwijzen.
Omdat de zorgregeling op dit moment al niet meer wordt nagekomen en door de moeder is opgeschort, zal de voorzieningenrechter de vordering van de moeder om de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] op te schorten afwijzen bij gebrek aan belang. De voorzieningenrechter wijst deze vordering ook af, omdat de voorzieningenrechter het voorshands in het belang van [de minderjarige] acht dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] zo snel als mogelijk weer wordt hervat op het moment dat de situatie veilig voor [de minderjarige] wordt bevonden door de betrokken professionals, zoals de politie, Veilig Thuis en Family Supporters. Mogelijk dat dan eerst gestart kan worden met een vorm van begeleide omgang via Family Supporters.
Op de zitting is tot slot nog gebleken dat er op dit moment op dinsdag en vrijdag videobelcontact is tussen de vader en [de minderjarige] , onder begeleiding van de moeder. Hoewel deze videobelmomenten kort zijn, hebben beide ouders erkend dat de contactmomenten goed verlopen en dat er door de vader met [de minderjarige] niet wordt gesproken over het vermeende seksueel misbruik. Zolang deze momenten goed blijven verlopen, acht de voorzieningenrechter het in het belang van [de minderjarige] dat dit door de ouders wordt voortgezet.
De ouders hebben over en weer verzocht om de andere ouder te veroordelen in de (werkelijke) kosten van deze procedure. Omdat het hier om een procedure van familierechtelijke aard gaat, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter zal bepalen dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
wijst de vorderingen af;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Klerk en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
ss