Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 30 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Jongkoen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.D. Haytink te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
Op 9 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt:
- een zorg- en contactregeling vast te stellen c.q. te wijzigen, als volgt:
- de eerste vier weken na de beschikking: verblijft [de minderjarige] iedere woensdagmiddag na school tot 18.30 uur (na het avondeten) bij de moeder alsmede iedere zaterdag van 10.30 uur tot 18.30 uur (na het avondeten), de moeder draagt zorg voor het halen en brengen;
- week 5, 6 en 7 na de beschikking: verblijft [de minderjarige] iedere dinsdagmiddag na school tot 18.30 uur (na het avondeten) bij de moeder alsmede iedere vrijdagmiddag na school tot zaterdag 18.30 uur (na het avondeten), de moeder draagt zorg voor het halen en brengen;
- aanvullend verblijft [de minderjarige] in de meivakantie op dinsdag 28 april 2026 en dinsdag 5 mei 2026 van 10.30 uur tot de volgende woensdag 18.30 uur (na het avondeten) bij de moeder, de moeder draagt zorg voor het halen en brengen;
- vanaf week 7 na de beschikking tot aan de zomervakantie: verblijft [de minderjarige] iedere dinsdagmiddag na school tot 18.30 uur (na het avondeten), mocht het een vrije dag zijn dan vanaf 10.30 uur, bij de moeder, alsmede een weekend per twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school (met uitzondering van de vakantie van de moeder van 19 juni 2026 tot 29 juni 2026);
- voor wat betreft de zomervakantie van zes weken in de periode van vrijdag 17 juli tot en met zondag 30 augustus 2026: waarbij als uitgangspunt geldt dat de vakantie aanvangt op vrijdag en de moeder zorgdraagt voor het halen en brengen:
- week 1: bij de vader van vrijdag 17 juli 2026 na school tot en met 24 juli 2026 10.30 uur;
- week 2: bij de moeder van vrijdag 24 juli 10.30 uur tot en met maandag 27 juli 2026 19.30 uur;
- week 3: bij de moeder van vrijdag 31 juli 2026 18.30 uur tot en met maandag 4 augustus 2026 10.30 uur, bij de vader van dinsdag 4 augustus 2026 10.30 uur tot en met maandag 10 augustus 2026 10.30 uur;
- week 4: bij de moeder van maandag 10 augustus 2026 10.30 uur tot maandag 17 augustus 2026 10.30 uur;
- week 5: bij de vader van maandag 17 augustus 2026 10.30 uur tot maandag 24 augustus 2026 10.30 uur;
- week 6: bij de moeder van maandag 24 augustus 2026 10.30 uur tot maandag 31 augustus 2026 naar school;
- met ingang van het nieuwe schooljaar 2026/2027: wordt de zorg verdeeld bij helfte waarbij [de minderjarige] de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder. Dit betekent dat met ingang van maandag 31 augustus 2026 naar school (dit is een even week) de vader de zorg draagt in de even weken en de moeder in de oneven weken, waarbij de maandag in de oneven week valt dus beginnend op 7 augustus 2026 na school, waarbij de overdracht via school plaatsvindt;
- een vakantie- en feestdagenregeling te bepalen conform het voorstel in productie 7, althans een vakantie- en feestdagenregeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie juist acht;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarbij verzoekt hij zelfstandig:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Zorgregeling
De moeder ziet [de minderjarige] op dit moment elke zondag van 10.30 uur tot 18.30 uur. De moeder wil graag uitbreiding van deze regeling. Het gaat goed met haar en ze herkent zich niet in het beeld dat de vader van haar schetst. De vader heeft de moeder jarenlang het gevoel gegeven dat zij een slechte moeder is, maar de moeder vindt zelf dat ze goed in staat is om de helft van de zorg op zich te nemen. Alle contactmomenten met [de minderjarige] verlopen goed en hij heeft het naar zijn zin als hij met haar is. De moeder begrijpt dat [de minderjarige] niet van de een op de andere dag de helft van de tijd bij haar kan zijn en verzoekt daarom een opbouwregeling. De moeder verzoekt ook de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen.
De vader vindt dat de huidige regeling met alleen omgang op de zondag gehandhaafd moet worden. Volgens de vader kampt de moeder met psychische problemen. De vader maakt zich zorgen om hoe [de minderjarige] zich voelt als hij bij de moeder is en over hoe hij is na omgangsmomenten. De vader merkt dat [de minderjarige] dan niet zichzelf is. Daarnaast hebben partijen de huidige regeling samen afgesproken omdat deze aansluit bij wat voor [de minderjarige] en de moeder fijn is. Tot slot vraagt de vader zich af in hoeverre de moeder echt een uitbreiding van de zorgregeling wil. Hij vermoedt dat het verzoek is ingegeven vanuit de wens om groter te wonen. Met de zorgtaken voor [de minderjarige] komt zij mogelijk in aanmerking voor een grotere woning. Voor wat betreft de vakanties geldt dat de vader van mening is dat [de minderjarige] dan een dag extra naar de moeder zou kunnen en wellicht uiteindelijk een keer met overnachting. Zelf zou de vader dit jaar graag op vakantie gaan in de zomer met [de minderjarige] , daarom wil de vader graag dat er één weekend in de zomer geen omgang is.
De rechtbank constateert dat de verhouding tussen de vader en de moeder niet gelijkwaardig is. Uit dat wat partijen in de stukken en op de zitting naar voren hebben gebracht volgt dat de vader de moeder niet voor vol aan ziet, ook niet in haar moederrol, en dat hij haar heeft gedomineerd en nog steeds domineert. Die ongelijkwaardigheid is doorgetrokken in de ouderrol die de moeder in het leven van [de minderjarige] heeft gekregen. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen enkele reden bestaat om de rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] ondergeschikt te laten zijn aan de rol die de vader in het leven van [de minderjarige] heeft. De vader heeft zijn zorgen over de capaciteiten van de moeder om haar moederrol te kunnen vervullen op geen enkele manier onderbouwd. Dat [de minderjarige] soms geen zin heeft om naar zijn moeder te gaan of ander gedrag vertoont nadat hij bij haar is geweest is daarvoor onvoldoende. Ook het voorval tijdens een van de contactmomenten dat de vader op de zitting heeft besproken geeft de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat de moeder niet in staat is om haar volwaardige moederrol te vervullen. De rechtbank deelt die zorgen van de vader dan ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de moeder in staat moet worden geacht een volwaardige moederrol te vervullen.
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat zijn moeder een volwaardige plek in zijn leven krijgt. Om dat daadwerkelijk kans van slagen te geven, zal er ook bij de vader iets moeten veranderen in zijn houding richting de moeder en zijn opvattingen over de opvoedcapaciteiten van de moeder. De vader zegt wel dat hij [de minderjarige] stimuleert om naar zijn moeder te gaan, maar dat is onvoldoende zolang hij de moeder niet daadwerkelijk erkent als volwaardige ouder voor [de minderjarige] .
De rechtbank zal voor nu de zorgregeling uitbreiden met de woensdag erbij, aansluitend bij de eerste stap van de door de moeder voorgestelde opbouw. Op deze manier kan de moeder ook een schooldag meemaken. Er zal geen wisseling van de zondag naar de zaterdag komen. Er is geen reden om aan te nemen dat de zaterdag een betere dag zou zijn. Vanuit deze uitbreiding kan worden toegewerkt naar verdere uitbreiding.
De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van de vader om de omgang te verminderen op het moment dat [de minderjarige] dat aangeeft. [de minderjarige] is nog jong en moet wennen aan de situatie. Dat heeft tijd nodig en die tijd moet vader [de minderjarige] geven. Bovendien zal [de minderjarige] , zoals ieder kind, soms iets moeten doen waar hij mogelijk niet veel zin in heeft. Die gevoelens zijn ondergeschikt aan het belang van [de minderjarige] om ook een moeder in zijn leven te hebben die aan haar moederrol daadwerkelijk invulling kan geven.
Om [de minderjarige] te helpen omgaan met de nieuwe zorgregeling en een verdere uitbreiding van de zorgregeling in de toekomst, maar ook om te leren omgaan met de nieuwe situatie waarin de moeder een grotere rol in zijn leven gaat spelen, heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) ter zitting partijen geadviseerd om naar Bureau Basiszorg te gaan. De moeder heeft aangegeven dat zij dit al gedaan heeft. De rechtbank adviseert de vader – in het belang van [de minderjarige] – ook deze stap te zetten.
Ten aanzien van de vakantie die de vader met [de minderjarige] wil doorbrengen, als gevolg waarvan een omgangsmoment met de moeder moet worden overgeslagen, overweegt de rechtbank dat partijen dat onderling samen moeten regelen. De vader heeft aangegeven bereid te zijn die dagen te compenseren. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen hier in onderling overleg samen uitkomen.
Met de ouders is gesproken over het volgen van een traject om te werken aan hun onderlinge communicatie. De Raad heeft geadviseerd, om te kijken naar de rol van beide ouders, dus ook de rol van de vader. De rechtbank neemt dit advies over. In dat traject kunnen de ouders hun zorgen richting elkaar uitspreken, maar vooral ook leren omgaan met het accepteren van de andere ouder. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding. In dit traject kan de verdere uitbreiding van de zorgregeling aan bod komen en verder vorm gegeven worden.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vraag te beantwoorden:
- welke zorgregeling is het meest in het belang van [de minderjarige] ?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank zal alle verzoeken aanhouden in afwachting van het traject van ouderschapsbemiddeling en het verloop van de omgang.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , bij de moeder zal zijn:
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 februari 2027 pro forma.