ECLI:NL:RBDHA:2026:22042

ECLI:NL:RBDHA:2026:22042

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer C/09/686427 / FA RK 25-4229
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Echtscheiding, toewijzing verzoek eenhoofdig gezag aan moeder en afwijzing verzoek omgang met vader in verband aard van de strafrechterlijke veroordeling en detentie vader.

Uitspraak

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 6 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T.A. Bouman in Bussum.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

thans gedetineerd,

advocaat: mr. R.W.S. Nijman in [geboorteplaats 2] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 9 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien verzoekt de man zelfstandig:

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 eerste lid BW Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan

De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven in artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de wet is voorgeschreven dat een ouderschapsplan een processuele eis is bij een verzoek tot echtscheiding. Daarom heeft de rechtbank de bevoegdheid om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).

De vrouw voert aan dat zij er geen vertrouwen in heeft dat partijen samen afspraken kunnen maken over [minderjarige] en deze vast kunnen leggen in een ouderschapsplan. De verhouding tussen partijen is ernstig en duurzaam verstoord door de strafrechtelijke veroordeling van de man. Volgens de man bemoeilijkt zijn detentie inderdaad de communicatie tussen partijen, maar heeft er wel overleg plaatsgevonden. Dit heeft alleen niet geleid tot het maken van afspraken over [minderjarige] .

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en de behandeling op de zitting voldoende naar voren gekomen partijen, gelet op de verstoorde onderlinge verstandhouding, momenteel niet in staat zijn om tot een gezamenlijk ouderschapsplan te komen. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv, en de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, omdat hij eigenlijk niet wil scheiden.

De rechtbank overweegt dat indien één van beide echtgenoten het huwelijk niet wenst voort te zetten, dit voldoende is om de duurzame ontwrichting aan te nemen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.

Gezag

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot eenhoofdig gezag. De rechtbank past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) Nederlands recht toe.

Wettelijk kader

Het wettelijk uitgangspunt is dat partijen na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:251a eerste lid BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw stelt dat er sprake is van een zodanig ernstig en belast verleden dat gezamenlijk gezag niet meer in het belang is van [minderjarige] . De man is strafrechtelijk veroordeeld wegens het in bezit hebben, verwerven, vervaardigen en verspreiden van kinderporno, alsmede voor ontucht met drie minderjarigen. Hij zit daarom in detentie een gevangenisstraf uit van zeven jaar. Naast de maatschappelijke impact heeft deze veroordeling ook grote gevolgen voor de veiligheid en het welzijn van zowel de vrouw als [minderjarige] . De vrouw heeft geen enkel vertrouwen meer in de man waardoor zij niet met hem in overleg kan treden over [minderjarige] . Daarnaast toont de man geen inzicht in de gevolgen van zijn handelen. De vrouw verwacht niet dat hier op korte termijn verandering in zal komen en verzoekt daarom het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

De man voert verweer. Hoewel er op dit moment geen enkele vorm van communicatie is tussen partijen, is de man van mening – onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2020:6823) – dat enkel het ontbreken van communicatie wegens de detentie van de man, niet direct een omstandigheid is waaruit blijkt dat kan worden afgeweken van het wettelijk uitgangspunt dat partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kind. De man heeft daarnaast nooit gezagsbeslissingen in de weg gestaan en wil ook na zijn detentie invulling blijven geven aan het ouderschap. De man is bang dat hij door toewijzing van het verzoek tot eenhoofdig gezag verder verwijderd zal raken van [minderjarige] .

De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over een minderjarige gezamenlijk door partijen wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat partijen in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in overleg kunnen nemen. Gebleken is dat partijen daartoe in dit geval niet in staat zijn.

De aard en de ernst van de feiten waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld, hebben voor grote angst en wantrouwen bij de vrouw gezorgd. De man toont niet of nauwelijks inzicht in de verstrekkende gevolgen die zijn handelen voor de vrouw en [minderjarige] heeft gehad en nog steeds heeft. Bij de vrouw is door het handelen van de man weerstand ontstaan om met de man te communiceren. De rechtbank acht de weerstand bij de vrouw begrijpelijk en is van oordeel dat in deze situatie niet van haar verwacht kan worden om samen met de man gezagsbeslissingen te nemen over [minderjarige] . De man is door zijn detentie bovendien al lange tijd grotendeels afwezig in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] heeft er recht op dat de beslissingen die over haar genomen moeten, ondanks de situatie waarin zij opgroeit, voortvarend genomen kunnen worden. Daarom moet de vrouw de ruimte krijgen om de beslissingen over [minderjarige] alleen te nemen. Zo gaat het feitelijk ook al sinds de geboorte van [minderjarige] . Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de vrouw alleen met het gezag wordt belast en zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

Nu de rechtbank het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag te belasten zal toewijzen, wordt in het vervolg gesproken over een omgangsregeling en niet over een zorgregeling.

Hoofdverblijfplaats

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De rechtbank past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) Nederlands recht toe.

Inhoudelijke beoordeling

Het verzoek tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal de rechtbank afwijzen, omdat de vrouw bij dit verzoek geen belang meer heeft nu zij wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

Ontzegging omgang

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot ontzegging van de omgang. De rechtbank past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) Nederlands recht toe.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De rechter stelt op verzoek van de ouders of een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt om de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. De vrouw stelt dat door de aard van de feiten waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld, [minderjarige] (indirect) slachtoffer is geworden van de situatie en daardoor een emotionele en psychische last draagt. De man blijft zijn aandeel bagatelliseren en de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] lijken voor hem van ondergeschikt belang. De vrouw benadrukt dat [minderjarige] behoefte heeft aan stabiliteit, veiligheid en rust. Zij is dan ook van mening dat omgang tussen de man en [minderjarige] ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van [minderjarige] en dat de omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Mocht de rechtbank haar verzoek afwijzen, dan verzoekt de vrouw subsidiair te bepalen dat de omgang alleen onder strikte professionele begeleiding zal plaatsvinden voor maximaal twee uur per drie maanden. Meer subsidiair verzoekt de vrouw een raadsonderzoek te gelasten om te bezien of omgang in het belang van [minderjarige] is.

De man voert verweer en stelt zich op het standpunt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom aan een van de ontzeggingsgronden is voldaan. Daarnaast is de vrouw ook na de veroordeling van de man nog naar de penitentiaire inrichting (PI) gekomen, soms zelfs met [minderjarige] . Uit het reclasseringsadvies van 27 maart 2025 volgt bovendien dat de man onder behandeling is geweest van een psycholoog en nu wordt behandeld door de Waag. De man is dan ook van mening dat hij stappen heeft gezet en meer verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Voor de duur van zijn detentie verzoekt de man een omgangsregeling waarbij hij één uur per twee weken omgang heeft op woensdag om 11:00 uur in de familiekamer van de PI. Zodra de man vrijkomt wil hij met behulp van Cardea en Exodus toewerken naar een onbegeleide omgangsregeling. De man is daarom van mening dat een raadsonderzoek nu niet nodig is.

De rechtbank is van oordeel dat omgang met de man in strijd is met het zwaarwegende belang van [minderjarige] . Daarbij neemt de rechtbank het volgende in overweging. Gelet op de aard en de ernst van de feiten waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld en gedetineerd, bestaan er mogelijk ernstige veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] als zij contact heeft met de man. Uit het door de man overgelegde rapport van de reclassering blijkt niet dat [minderjarige] in de toekomst, als de man uit detentie komt, geen gevaar loopt. Er is op dit moment daardoor geen zicht op de mogelijkheid voor een ook op de langere termijn veilige en bestendige omgang tussen [minderjarige] en de man. Daarbij komt dat de belastbaarheid van de vrouw laag is en de man weinig inzicht toont in de gevolgen van zijn gedragingen en handelingen. Het is om al deze redenen dat (begeleide) omgang niet in het belang van [minderjarige] is. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank daarom het verzoek van de vrouw toewijzen, en het recht van de man op omgang ontzeggen.

De rechtbank verbindt geen termijnen aan de ontzegging. Een ontzegging van het recht op omgang tussen ouder en kind heeft namelijk volgens vaste jurisprudentie een in tijd beperkt karakter. In ieder geval kan na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigingen ook eerder, een nieuw verzoek tot vaststelling van de omgang worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).

Informatie- en consultatieregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vastlegging van een informatie- en consultatieregeling. De rechtbank past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) Nederlands recht toe

Inhoudelijke beoordeling

De man verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te leggen waarbij de vrouw iedere veertien dagen de man op de hoogte moet houden over ontwikkelingen van [minderjarige] waaronder in ieder geval haar gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, hobby’s en overige activiteiten. De vrouw heeft geen uitdrukkelijke bezwaren geuit tegen de verzochte informatieregeling.

De rechtbank is van oordeel dat de door de man verzochte frequentie te hoog is gelet op zijn huidige rol in het leven van [minderjarige] en gezien de draagkracht van de vrouw. Tegelijkertijd heeft de man er recht op, op de hoogte te blijven over wat er speelt in het leven van [minderjarige] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw de man één keer per half jaar moet informeren over gewichtige aangelegenheden. De rechtbank zal het verzoek tot consultatie in het belang van [minderjarige] afwijzen, gelet op de verstoorde verstandhouding van partijen en de beperkte belastbaarheid van de vrouw.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 Nederlandse recht toepassen op de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde ( [minderjarige] ) de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Behoefte van [minderjarige]

De hoogte van de behoefte van [minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom de behoefte van [minderjarige] vaststellen. Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten zoals neergelegd in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’.

De vrouw stelt dat de levensstandaard van partijen tijdens het huwelijk hoger was dan waarvan wordt uitgegaan bij de normatieve tabelbedragen in het Rapport Alimentatienormen. Volgens de vrouw was er sprake van hoge uitgaven aan kleding, vakanties, onderwijs en culturele activiteiten. Daarnaast had de man tijdens het huwelijk een geschat bruto jaarinkomen van € 216.000,-. De vrouw is dan ook van mening dat het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen niet moet worden gemaximeerd.

De man voert verweer en stelt zich op het standpunt dat partijen nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, omdat de man al gedetineerd zat toen [minderjarige] werd geboren. De behoefte van [minderjarige] moet daarom op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen apart worden berekend. Daarnaast betwist de man dat er sprake was van de door de vrouw omschreven hoge levensstandaard en betwist hij het geschatte inkomen.

De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat, ondanks de detentie van de man, de gezamenlijke financiële huishouding van partijen is voortgezet. De man geeft daarbij aan dat hij de lasten van de woning van € 6.000,- per maand heeft doorbetaald. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van de man dat er geen sprake was van een samenleving in gezinsverband ten tijde van en na de geboorte van [minderjarige] . Omdat de vrouw in juni 2025 het verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend, zal de rechtbank voor de berekening van de behoefte rekenen met de tarieven van 2025-I en uitgaan van het Rapport Alimentatienormen 2025.

Vaststaat dat partijen voor de geboorte van [minderjarige] hebben geleefd van een netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) dat hoger is dan het tabelbedrag. Uit de overgelegde jaaropgave van 2023 van de man blijkt immers dat hij een bruto-inkomen had van

€ 129.149,-. Daarnaast heeft de man toegelicht dat de lasten van de woning € 6.000,- bedroegen en dat hij deze lasten heeft doorbetaald. De rechtbank is echter van oordeel dat de vrouw (en de man) onvoldoende hebben onderbouwd wat de exacte inkomsten en uitgaven waren ten tijde van het huwelijk. De rechtbank zal daarom voor het NBGI aansluiting zoeken bij het gemaximeerde tabelbedrag in 2025, te weten € 7.500,- per maand. De behoefte van [minderjarige] bedraagt dan € 990,- per maand in 2025.

Draagkracht

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank volgt ook daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.310).

Draagkracht van de vrouw

Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een Wajong-uitkering van € 20.150,- in 2025 en inkomsten via de Manege van € 9.607,- in 2025, zoals volgt uit de overgelegde jaaropgaves.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Aan de hand van deze uitgangspunten is het huidige NBI van de vrouw € 2.421,- per maand. De draagkracht van de vrouw is € 270,- per maand.

Draagkracht van de man

Partijen zijn het er niet over eens van welke inkomensgegevens moet worden uitgegaan bij de man.

De vrouw stelt dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van € 129.149,- bruto per jaar. Dit is vergelijkbaar met het inkomen dat de man in 2023 heeft gerealiseerd. Volgens de vrouw is er sprake van aanzienlijk vermogen in de onderneming van de man en blijkt uit de overgelegde stukken dat de man zichzelf een dividenduitkering kan toekennen.

De man voert verweer en stelt zich op het standpunt dat hij door zijn detentie geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen. Hij verwijst daarbij naar volgens hem vergelijkbare zaken waar geen verdiencapaciteit en draagkracht werd aangenomen wegens langdurige detentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBZWB:2023:1322 en ECL:NL:RBDHA:2025:9716). Indien de rechtbank wel van oordeel is dat de man enige draagkracht heeft, dan is hij van mening dat hij zichzelf geen dividend kan uitkeren en verwijst daarbij naar het rapport van de accountant, overgelegd als productie 17.

De rechtbank overweegt als volgt. De man is directeur-grootaandeelhouder (DGA) en bezit 100% van de aandelen van [bedrijfsnaam 1] B.V. Tot juni 2024 keerde hij zichzelf een DGA-salaris uit van € 10.000,- per maand. In verband met de detentie van de man is het bestuur van zijn holding overgenomen door [bedrijfsnaam 2] B.V. waarvan de vader van de man DGA is en eveneens 100% van de aandelen bezit. De aandelen in de twee werkmaatschappijen van [bedrijfsnaam 1] B.V. zijn middels een earn-out-regeling ook overgedragen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij de man dan ook geen sprake van een ‘normale’ detentiesituatie waarbij je als gedetineerde niet kan werken en daardoor geen inkomen uit loondienst kan generen. Hoewel de man momenteel geen DGA-salaris ontvangt, is de rechtbank van oordeel dat hij wel via zijn vermogen inkomen kan generen. Zo volgt uit de uitkeringstoets van [bedrijfsnaam 1] B.V. dat het maximale dividend € 184.000,- bedraagt en dat na correctie van de vorderingen het maximale bedrag € 39.131,- per jaar is. Verder is er sprake van een earn-out-regeling en kan de man (leegstaande) zakelijke panden verkopen, nu uit de stukken blijkt dat deze niet meer worden verhuurd. De rechtbank neemt daarnaast in overweging dat er sprake is van persoonlijk vermogen van de man door de verkoop van zijn woning in november 2025, met een onweersproken overwaarde van € 350.000,-. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt wat er met deze overwaarde is gebeurd: hij stelt dat de overwaarde is gebruikt als aflossing maar heeft die stelling niet onderbouwd met bijvoorbeeld bankafschriften.

Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de man tot aan het einde van zijn detentie via inkomen uit vermogen kan voorzien in zijn draagkracht. Vanaf het moment dat de man weer vrijkomt zal hij niet direct zijn oude salaris kunnen ontvangen. De rechtbank verwacht echter wel dat de man een DGA-salaris kan generen van € 100.000,- per jaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met dit fictieve bedrag.

Tussen partijen is verder in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van het woonbudget. De vrouw stelt dat de man door zijn detentie geen woonlasten heeft. De man is het daar niet mee eens en stelt dat niet moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met een forfaitair woonbudget. De rechtbank overweegt dat de man op dit moment geen woonlasten heeft. Daarnaast is hij niet op zoek naar een woning en is het nog onduidelijk of de man na zijn detentie wel een woning zal huren of kopen. De rechtbank zal daarom het standpunt van de vrouw volgen en geen rekening houden met het forfaitair woonbudget van 30% van het NBI van de man.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Uitgaande van bovenstaande uitgangspunten, berekent de rechtbank het huidige NBI van de man op € 4.856,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 2.482,- per maand.

Zorgkorting

Omdat de rechtbank de omgang tussen de man en [minderjarige] heeft ontzegd, zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting. De man dient daarom zijn volledige aandeel in de kosten te voldoen.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (270 + 2.482 =) € 2.752,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de vrouw: 270 / 2.752 x 990 = 97

het eigen aandeel van de man: 2.482 / 2.752 x 990 = 893

samen 990

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 97,- per maand voor rekening van de vrouw en een gedeelte van € 893,- per maand voor de man.

Ingangsdatum

De vrouw heeft als ingangsdatum de datum van het aanvullend verzoekschrift verzocht, te weten 8 oktober 2025. Door de man is geen verweer gevoerd tegen deze ingangsdatum. De rechtbank zal daarom de kinderalimentatie vaststellen vanaf 8 oktober 2025.

Conclusie en wettelijke indexering

De rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van 8 oktober 2025 een kinderalimentatie moet voldoen van € 893,- per maand.

Omdat de kinderalimentatie ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2026 zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4.6%. Vanaf 1 januari 2026 dient de man daarom een bedrag van € 934,- per maand aan kinderalimentatie te voldoen.

Aanhechten beschikking De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Huwelijksgerelateerde behoefte

De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud en dat voor het berekenen van de huwelijksgerelateerde behoefte de Hofnorm moet worden gehanteerd. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft en stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw haar behoefte niet heeft onderbouwd. Subsidiair is hij van mening dat hij door zijn detentie geen draagkracht heeft om partneralimentatie te voldoen.

De rechtbank zal de behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het NBGI ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

In het kader van de kinderalimentatie heeft de rechtbank het NBGI van partijen vastgesteld op € 7.500,- per maand in 2025. Hierop dienen de kosten van [minderjarige] van € 990,- per maand in mindering te worden gebracht. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt vervolgens overeenkomstig de Hofnorm vastgesteld op € 3.906,- per maand in 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 4.086,- per maand.

Aanvullende behoefte

Tussen partijen is in geschil of de vrouw een aanvullende behoefte heeft. De rechtbank zal daarom beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien door het NBI van de vrouw in mindering te brengen op de hiervoor berekende netto behoefte van € 4.086,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van (4.086 – 2.421 =) € 1.665,- netto per maand bedraagt. Dat is € 3.773,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van een inkomen zoals hiervoor in het kader van de kinderalimentatie is overwogen. Net als bij de kinderalimentatie zal de rechtbank, gelet op zijn detentie, geen rekening houden met woonlasten aan de zijde van de man. Uitgaande van deze gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € € 4.856,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 3.546,- per maand. Hiervoor is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.128,- per maand.

Op dit bedrag wordt het hierboven berekende aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] van € 893,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarmee een draagkracht van € 1.235,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op een bedrag van € 1.975,- per maand.

Inkomensvergelijking

Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt.

Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 1.438,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte overhoudt. Aangezien dit bedrag lager ligt dan het bedrag dat volgt uit de draagkrachtberekening van de man, zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen.

Ingangsdatum en conclusie

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vaststellen op € 1.438,- per maand. Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, met elkaar gehuwd op [datum] 2022 in [plaats] , Italië;

*

bepaalt dat voortaan alleen aan de vrouw, [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 in [geboorteplaats 2] , het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ;

*ontzegt de man het recht op omgang met [minderjarige] ;

*

bepaalt als informatieregeling dat de vrouw één keer per halfjaar aan de man per e-mail informatie deelt over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] ;

*

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] met ingang van 8 oktober 2025 op € 893,- per maand, en met ingang van 1 januari 2026 op € 934,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*bepaalt de door de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, te betalen partneralimentatie op € 1.438,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.I. Knops

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand