RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706103 / JE RK 26-932
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[de stiefmoeder] ,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
wonende te [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west regio Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verdere verloop van de procedure
Op 1 juni 2026 heeft de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] ingediend.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Op 22 juni 2026 heeft [minderjarige] hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting van 23 juni 2026 heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Op 23 juni 2026 heeft de Raad in de ochtend voorafgaand aan de zitting een aanvullend verzoekschrift ingediend, waarin wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.
Op de zitting van 23 juni 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift en het aanvullende verzoekschrift plaatsgevonden. Het verzoek is in zijn geheel aangehouden tot de zitting van 7 juli 2026.
Op 25 juni 2026 heeft de kinderrechter een brief aan [minderjarige] gestuurd, waarin onder meer is uitgelegd dat er een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing is gedaan en is [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om hierover zijn mening te geven. [minderjarige] heeft niet gereageerd op de brief van de kinderrechter.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026;
het aanvullende verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2026;
het proces-verbaal van aanhouding van 29 juni 2026.
Op 7 juli 2026 is zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De stiefmoeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefmoeder wel juist is opgeroepen.
2. De feiten
De vader en de moeder ( [de moeder] ) zijn gehuwd geweest.
De moeder is op [dag] 2016 overleden.
De vader en de stiefmoeder zijn gehuwd.
Bij beschikking van 28 mei 2026 zijn de vader en de stiefmoeder gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast.
[minderjarige] verblijft in een logeerhuis van [instelling] .
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een jeugdhulpvoorziening van [instelling] te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek tot ondertoezichtstelling als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij heeft op zesjarige leeftijd zijn moeder verloren en hij heeft dit verlies mogelijk nog onvoldoende te hebben kunnen verwerken. De relatie tussen [minderjarige] en de vader lijkt ernstig verstoord te zijn geraakt. De vader is ernstig ziek. Deze situatie zorgt voor veel onrust en onduidelijkheid in het leven van [minderjarige] . Hoewel [minderjarige] aan de verwachtingen van de vader wil voldoen, ervaart hij daarbij onvoldoende ruimte om fouten te maken. De spanningen in de relatie tussen [minderjarige] en de vader uiten zich bij [minderjarige] in gedragsproblematiek. De zorgen over het gedrag van [minderjarige] nemen steeds meer toe. [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag en hij heeft woede- uitbarstingen. Hierdoor ontstaan er negatieve interacties en conflicten tussen [minderjarige] , de vader en de rest van het gezin. In de thuissituatie liepen de conflicten dusdanig op dat de inzet van de politie noodzakelijk was. Ook op school hebben er meerdere incidenten plaatsgevonden. [minderjarige] 's onderwijs is gestagneerd, waardoor hij in zijn cognitieve en sociale ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast zijn er signalen van middelengebruik bij [minderjarige] en het verkopen van verboden middelen, zoals vapes rondom de school. Ondanks de inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader, zijn de zorgen onvoldoende verminderd. Het is noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt die regie kan voeren over de hulpverlening.
De Raad heeft het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. In mei 2026 heeft er een incident plaatsgevonden in de thuissituatie en sindsdien verblijft [minderjarige] bij [instelling] . De vader en de stiefmoeder kunnen momenteel de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] niet dragen. De vader en de stiefmoeder kunnen het gedrag van [minderjarige] niet op een passende wijze sturen Het verblijf binnen [instelling] heeft voldoende rust gebracht om in de onderlinge relaties stappen te maken, maar de spanning is direct voelbaar wanneer bepaalde onderwerpen worden besproken. Het is van belang dat de ingezette hulpverlening wordt voortgezet en verstevigd om de basisveiligheid van alle gezinsleden te kunnen waarborgen. Zowel [minderjarige] als de stiefmoeder lijken open te staan voor hulpverlening gericht op het doorbreken van de onderliggende patronen en het voorkomen van dergelijke toekomstige situaties, zodat er kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. De hulpverlening moet gericht zijn op het systeem, rouwverwerking voor [minderjarige] en hulp bij het omgaan met de ernstige ziekte van de vader. Gelet op de broze gezondheid van de vader is het belangrijk dat er snel aandacht is voor het contactherstel tussen hem en [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] van belang dat hij duidelijkheid en rust geboden krijgt.
4. De standpunten
De vader staat achter de verzoeken. De vader maakt zich zorgen over [minderjarige] . Hij is niet eerlijk tegen de vader en [instelling] over waar hij heen gaat en hij is te laat teruggekomen bij [instelling] . Daarnaast heeft [minderjarige] gestolen bij een supermarkt, terwijl hij weet dat hij hierom bij de vader kan vragen. De vader begrijpt niet waarom hij dit heeft gedaan. De vader is gestrest over de toekomst van [minderjarige] en maakt zich zorgen over hoe - in samenwerking met [instelling] en de gecertificeerde instelling - ervoor gezorgd kan worden dat [minderjarige] bovenstaand gedrag niet meer vertoont. De vader zou graag willen dat de gecertificeerde instelling direct ondersteuning biedt.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] lijkt het verlies van zijn moeder onvoldoende te hebben kunnen verwerken. Daarnaast is zijn relatie met de vader, die ernstig ziek is, ernstig verstoord. Dit lijkt te hebben geleid tot gedragsproblematiek bij [minderjarige] , waardoor er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding van een incident gaat [minderjarige] ook niet meer naar school. [minderjarige] is volgens de vader niet eerlijk naar hem en de groepsleiding toe en [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag. Recent heeft [minderjarige] om een onduidelijke reden gestolen bij een supermarkt. Ook zijn er signalen van middelengebruik en verkoop van verboden middelen. Het is belangrijk dat ervoor wordt gezorgd dat [minderjarige] niet afglijdt en zich weer positief gaat ontwikkelen. Positief is wel dat [minderjarige] zich in blijft zetten voor zijn voetbalcarrière. Ondanks de inzet van de vader, de stiefmoeder en de hulpverlening in het vrijwillig kader, is er onvoldoende sprake van verandering.
Het is noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt, die regie kan voeren op de noodzakelijke systemische hulpverlening en individuele hulpverlening voor [minderjarige] . Gelet op de ziekte van de vader acht de kinderrechter het van belang dat er onmiddellijk of in ieder geval zo snel mogelijk een vaste jeugdbeschermer betrokken raakt, zodat deze jeugdbeschermer met de vader en [minderjarige] kennis kan maken en in gesprek met hen kan gaan. Daarnaast is het van belang dat er zo snel mogelijk gekeken wordt hoe [minderjarige] en de vader begeleid kunnen worden met het herstel van hun onderlinge relatie en het omgaan met het ziekteproces van de vader. Het is ook belangrijk dat er iemand is bij wie [minderjarige] zijn gevoelens kwijt kan in deze lastige periode.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De vader en de stiefmoeder zijn momenteel niet in staat om [minderjarige] de begeleiding en opvoeding te bieden die hij nodig heeft. Zij kunnen momenteel onvoldoende bij [minderjarige] aansluiten en zijn niet in staat om hem op een passende wijze aan te sturen. Belangrijk is dat er voorkomen wordt dat het systeem nog meer overbelast raakt in deze moeilijke periode. Het is noodzakelijk dat er systemische hulpverlening wordt ingezet, zodat er op een zorgvuldige wijze kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 7 juli 2026 tot 7 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een jeugdhulpvoorziening van [instelling] met ingang van 7 juli 2026 tot 7 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.