Rechtbank DEN HAAG
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing ondertoezichtstelling
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (de raad),
[de vader] ,
[de moeder] ,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/703887 / JE RK 26-687
Datum uitspraak: 7 juli 2026
in de zaak naar aanleiding van het op 22 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.E. de Vries te Alphen aan den Rijn.
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.E. de Geus te ’s-Gravenhage.
De kinderrechter merkt als informant aan:
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Het procesverloop
De rechtbank heeft in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/631444 /
FA RK 22-4111 de ouders verwezen naar Cardea voor deelname aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding. Dit traject is echter niet positief verlopen, waarna de raad het noodzakelijk achtte een onderzoek ten aanzien van de omgang tussen de vader en de kinderen te verrichten en de rechtbank van advies te voorzien. Dit heeft geleid tot het indienen van dit verzoekschrift.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met als bijlage het raadsrapport van 17 april 2026 (kenmerk
SK-1-69XFATE);
Op 7 juli 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel dit verzoek als het aangehouden verzoek tot het wijzigen van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (C/09/631444 /
FA RK 22-4111). Op dit laatste verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de gecombineerde behandeling zijn verschenen:
- [naam 1] namens de raad;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 2] namens Jbwest.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 6 juli 2026 ook in raadkamer gehoord.
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt – met uitvoerbaarverklaring bij voorraad –tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar.
De raad heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de kinderen op dit moment ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kern van de ontwikkelingsbedreiging is gelegen in het feit dat de kinderen klem zitten tussen de ouders en mogelijk een loyaliteitsconflict hebben ontwikkeld waardoor ze geen onbelast contact met hun vader kunnen hebben. De negatieve ervaringen in het verleden blijven het contact met hun vader beheersen, wat zich ook lichamelijk uit. Zo is [minderjarige 1] gedurende de hele dag nerveus en heeft [minderjarige 2] buikpijn en gevoelens van weerstand als ze naar de vader gaan. Daarbij ziet de raad dat de moeder de kinderen onvoldoende ondersteunt in het contact met hun vader. Vermoedelijk komt dit voort uit haar eigen onverwerkte emoties van negatieve ervaringen met de vader en zorgen. Volgens de raad zijn de ouders op dit moment onvoldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De eerder ingezette noodzakelijke hulpverlening in het vrijwillige kader is niet of onvoldoende van de grond gekomen, omdat de moeder dit niet wil. De raad vindt dit zeer zorgelijk. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen de voor hen aanvaardbare termijn weer zelf zullen kunnen dragen.
De raad verzoekt een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden. De raad vindt dit een passende termijn, omdat in deze periode [minderjarige 1] , [minderjarige 2] én de beide ouders hulpverlening kunnen volgen. Daarbij denkt de raad aan onderzoek naar mogelijk trauma bij de kinderen en hulpverlening bij het verwerken van trauma indien dit wordt vastgesteld. Mocht dit niet helemaal voldoende zijn of mocht er geen indicatie zijn voor het doen van EMDR, dan kunnen gesprekken tussen vader en [minderjarige 1] worden georganiseerd door
bijvoorbeeld een psycholoog of orthopedagoog om op die manier te kijken of de
angst bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verminderd kan worden en zij meer vertrouwen kunnen
krijgen in vader.
De vader heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en wat op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde grond, dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, aanwezig is. De kinderen zitten klem tussen de ouders en het loyaliteitsconflict wat zij ervaren ten aanzien van hun ouders maakt een onbelast contact met hun vader op dit moment niet mogelijk. Op termijn kan dat schadelijk zijn voor het geestelijk welzijn van de kinderen. De ontwikkelingsbedreiging is naar oordeel van de rechtbank overigens niet van de meest ernstige en/of acute soort. Niettemin is de rechtbank, in navolging van de raad en beide ouders, van oordeel dat een vorm van hulpverlening voor de kinderen is aangewezen.
De kinderen zijn al langdurig betrokken geweest bij een hulpverleningstraject waarin zij veel hebben gepraat en moeten praten met diverse personen. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat ze dat als belastend heeft ervaren. Beide kinderen geven aan dat ze liever geen nieuwe gesprekken willen hebben met ‘onbekenden’. [minderjarige 1] geeft aan dat ze dat ‘echt niet wil’. De rechter heeft bij [minderjarige 1] kunnen waarnemen dat het kindgesprek haar erg zwaar viel, en leidt daaruit af dat dit ook zal kunnen gelden voor toekomstige gesprekken met hulpverleners over haar gevoelsleven. En elk geval lijkt [minderjarige 1] ‘hulpverleningsmoe’ te zijn.
Een gedwongen hulpverleningstraject zal naar verwachting een flink aantal gesprekken met verschillende hulpverleners inhouden (alleen al de intake-trajecten bij Jeugdbescherming West en de door deze aangewezen hulpverlener), en voor langere tijd. Daarbij zal de regie liggen bij JBWest en zal een hulpverleningsprogramma worden opgesteld en uitgevoerd. De rechtbank voorziet dat, gelet op de bezwaren die de kinderen hebben geuit en de belasting die zij hebben ervaren bij eerdere hulpverlening, een gedwongen hulpverleningskader op dit moment meer kwaad dan goed zal doen. De rechtbank sluit daarbij aan bij de twijfels die de raad en JBwest ter zitting ook hebben geuit op dit punt. De bedreiging van de ontwikkeling is daarbij naar oordeel van de rechtbank ook niet zo ernstig en acuut dat onmiddellijke gedwongen hulp absoluut noodzakelijk is om erger te voorkomen.
Al met al zal de rechtbank ondanks de bedreiging in de ontwikkeling het verzoek om ondertoezichtstelling afwijzen. Daarbij gaat de rechtbank er van uit dat de ouders, in het bijzonder de moeder, zich in gaat zetten om de kinderen op het juiste moment passende hulp te bieden.
Kindbrief
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de hoogte gesteld van de beslissing met de volgende brief:
“Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
Wij hebben gepraat over hoe het gaat bij jullie vader en moeder, en of jullie nog hulp nodig hebben daarbij. Jullie hebben mij gezegd dat jullie al veel hulp hebben gehad en dat jullie al dat praten moeilijk vonden en dat dat telkens weer spannend was. Ook hebben jullie gezegd dat jullie daar voor de toekomst niet het nut van zien. [minderjarige 1] , jij was er heel duidelijk in dat je op dit moment even niet meer wil praten over jezelf met anderen omdat je dat heel spannend vindt. Ik kon dat tijdens het gesprek ook aan jou zien.
Jullie vader wil wel dat jullie nu hulp krijgen, ook als jullie daar geen zin in hebben. Hij is bang dat jullie anders steeds minder bij hem willen zijn. Ook jullie moeder vindt dat jullie hulp nodig hebben, maar alleen op het moment dat jullie dat aankunnen.
Ik denk dat het voor jullie nu te zwaar is om over jezelf te moeten praten met allerlei mensen de komende tijd. Dat jullie daar moe en gestrest van gaan worden, en dat is nu niet goed voor jullie.
Ik heb daarom besloten dat jullie niet gedwongen hulp gaan krijgen, dus dat jullie samen met je ouders bepalen wanneer jullie met anderen gaan praten. Ik hoop dat jullie die hulp aanpakken op een goed moment. En verder wens ik jullie het beste.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter”
Beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling.