RECHTBANK DEN HAAG
JL (C)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer / rekestnummer: 12103238 \ EJ VERZ 26-70605
Beschikking van 23 juni 2026
in de zaak van
[partij A] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,
tegen
[partij B] , t.h.o.d.n. [handelsnaam] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. H.E. Sluis.
1. De verdere beoordeling
in het tegenverzoek van [partij B]
In de tussenbeschikking van 28 april 2026 is [partij A] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij de sleutel en de bedrijfskleding bij [partij B] heeft ingeleverd. De gemachtigde van [partij B] heeft op 4 juni 2026 laten weten dat [partij B] haar tegenverzoek intrekt. Dat betekent dat de kantonrechter niet meer hoeft te beslissen op dit verzoek. De kantonrechter zal de proceskosten in het tegenverzoek van [partij B] tussen partijen compenseren, zoals zij hebben verzocht.
in het verzoek van [partij A]
In het verzoek van [partij A] moet de kantonrechter alleen nog beslissen op de proceskosten. De proceskosten komen voor rekening van [partij B] , omdat zij in het verzoek van [partij A] ongelijk krijgt. De proceskosten van [partij A] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
2. De beslissing
De kantonrechter
in het verzoek van [partij A]
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling en de veroordelingen in de tussenbeschikking van 28 april 2026 voldoet en de (tussen)beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de proceskostenveroordeling en veroordelingen in de tussenbeschikking van 28 april 2026 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af,
in het tegenverzoek van [partij B]
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.D. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.