ECLI:NL:RBDHA:2026:22083

ECLI:NL:RBDHA:2026:22083

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-06-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer 12000070 \ CV EXPL 25-4202
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Gouda

Samenvatting

Geen sprake van ploegendienst. Geen sprake van eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Werknemers voldoende gecompenseerd. Vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

JL (C/D)

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Gouda

Zaaknummer: 12000070 \ CV EXPL 25-4202

Vonnis van 11 juni 2026

in de zaak van

1. [werknemer 1] ,

te [woonplaats 1] ,2. [werknemer 2],

te [woonplaats 2] ,3. [werknemer 3],

te [woonplaats 3] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: werknemers,

hierna afzonderlijk te noemen: [werknemer 1] , [werknemer 2] en [werknemer 3] ,

gemachtigde: mr. J. Roose,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CLEANLEASE B.V.,

te Koudekerk aan den Rijn,

gedaagde partij,

hierna te noemen: werkgever,

gemachtigde: mr. A.H.B. Balm.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 november 2025, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de aanvullende productie van werkgever,

- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[werknemer 1] is in de periode van 25 mei 2010 tot 1 april 2025 in dienst geweest van werkgever in de functie van [functienaam 1] . Het salaris van [werknemer 1] bedroeg € 4.693,80 (exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) per vier weken op basis van een 32-urige werkweek.

[werknemer 2] is sinds 1 juni 2001 in dienst van werkgever in de functie van [functienaam 2] . Het salaris van [werknemer 2] bedraagt € 4.837,43 (exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) per vier weken op basis van een 38-urige werkweek.

[werknemer 3] is in de periode van 1 mei 2001 tot 1 januari 2026 in dienst geweest van werkgever in de functie van [functienaam 3] . Het salaris van [werknemer 3] bedroeg € 3.988,23 (exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) per vier weken op basis van een 20-urige werkweek.

Werknemers waren (en [werknemer 3] is) werkzaam op de vestiging van werkgever in [plaats] . Op deze vestiging zijn 55 mensen werkzaam, waarvan twee medewerkers en twee uitzendkrachten in de technische dienst en vier productiemanagers.

In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst van [werknemer 1] is onder meer het volgende bepaald:

“3.1. De tussen partijen overeengekomen arbeidstijd bedraagt 40 uren per week.

(…)

Werkgever is gerechtigd om, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, wijzigingen in de arbeidstijden aan te brengen, voor zover bedrijfsomstandigheden daartoe noodzaken.

Indien en voor zover voor een goede uitoefening van de functie door werknemer noodzakelijk is dat werknemer overwerk verricht, zal deze daartoe gehouden zijn zonder daarbij aanspraak te kunnen maken op enigerlei extra vergoeding.”

In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst van [werknemer 2] is het volgende bepaald:

“6.1. Werknemer wordt geacht gedurende 40 uren per week werkzaam te zijn.

Voor het verrichten van overwerk of werkzaamheden vallend buiten de normaal gangbare werktijden, zal geen overwerkregeling van toepassing zijn.”

In artikel 1 van de arbeidsovereenkomst van [werknemer 3] is onder meer het volgende bepaald:

“(…)

Van werknemer wordt verwacht dat hij flexibel is, inzetbaar op meerdere functies binnen de wasserij en dat de voorkomende werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de gestelde normen.

(…)

De werkzaamheden zullen worden verricht in een fulltime dienstverband van 36 uren per week, verdeeld over vijf werkdagen.

De arbeidstijden zullen in overleg tussen werkgever en werknemer worden vastgesteld.

(…)”

Op de arbeidsovereenkomsten van werknemers is de CAO Textielverzorging van toepassing. In de CAO 2024-2025 is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1 Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

(…)

4. WERKNEMER

(…)

Alle bepalingen in deze CAO zijn van toepassing op:

a. de werknemer waarvan de functie is omschreven in bijlage 1, Functie-indeling, bij deze

CAO;

b. de werknemer waarvan het brutoloon minder bedraagt dan het brutoloon loongroep V plus 10% zoals opgenomen in artikel 24 van deze CAO.

Voor de werknemer, niet zijnde een werknemer als bedoeld onder a. of b., zijn de bepalingen in

artikel 10, 26, artikel 27, lid 7 t/m lid 9, artikel 28 t/m 31 en artikel 35 niet van toepassing. Op deze

werknemers zijn alle overige CAO-bepalingen wel van toepassing.

(…)

11. PERSONEELSVERTEGENWOORDIGING

a. a) de Ondernemingsraad (OR) in de zin van de Wet op de ondernemingsraden

b) een vertegenwoordiging van werknemers in ondernemingen met minder dan 50 werknemers,

bestaande uit ten minste 3 personen die rechtstreeks zijn gekozen door en uit het midden van de werknemers die voor de werkgever in zijn onderneming arbeid verrichten. Artikel 31 lid 1 van de Wet op de Ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing.

(…)

Artikel 10 Arbeidsduur en werkrooster

(…)

2. De arbeidsduur voor boven CAO-personeel, niet zijnde werknemers als bedoeld in artikel 1 lid 4 onder a of b, kan uitsluitend in overleg met één van de bij deze CAO betrokken werknemersverenigingen in samenwerking met OR of PVT, of bij afwezigheid van OR of PVT, met één van de bij deze CAO betrokken zijnde werknemersverenigingen, worden vastgesteld.

(…)

Artikel 11 Werktijden

1. De normale werktijd ligt:

a. voor werknemers in de linnenverhuur- en wasserijbedrijven:

tussen 6.00 uur en 19.00 uur van maandag tot en met vrijdag.

(…)

2. De minimale rusttijd na een dienst is 11 uur. Bij calamiteiten kan hiervan worden afgeweken voor chauffeurs en medewerkers van de technische dienst.

(…)

Artikel 13 Bedrijfsspecifieke werkroosters

1. Indien en voor zover de afzetmarkt van de betrokken onderneming leidt tot een sterk

wisselend leverings- of productiepatroon zal op verzoek van de werkgever in overleg met de vakorganisaties voor die onderneming, of voor de meest betrokken afdeling of functiegroep een werktijden- en toeslagensysteem worden vastgesteld dat kan afwijken van het bepaalde in artikel 10 en artikel 27.

a. Een voorgenomen besluit tot vaststelling van een van artikel 10 afwijkend werktijdensysteem

behoeft de instemming van de OR en PVT.

b. Een voorgenomen besluit tot vaststelling van een van artikel 27 afwijkend toeslagensysteem

behoeft de instemming van de OR. Indien er voor de onderneming geen OR of PVT is

ingesteld, behoeft een voorgenomen besluit tot vaststelling van een van artikel 10 en/of

artikel 27 afwijkend werktijden- en/of toeslagensysteem de instemming van de werknemersverenigingen.

2. Bij het vaststellen van een afwijkend werktijden- en toeslagensysteem is het volgende van toepassing.

a. Indien een tot instemming met een afwijkend werkrooster bevoegde partij die instemming

weigert, of niet binnen redelijke termijn tot een uitspraak komt ten aanzien van het

voorgenomen afwijkende rooster, kan de werkgever de RALTEX verzoeken haar instemming

te verlenen aan de invoering van het afwijkende rooster; de instemming van de RALTEX

treedt dan in de plaats van de vereiste instemming van ondernemingsraad,

personeelsvertegenwoordiging of werknemersverenigingen.

b. Werkgever is verplicht om van de invoering van een afwijkend werkrooster schriftelijk melding te doen aan de RALTEX; de melding moet een omschrijving geven van het ingevoerde afwijkende werk rooster en moet mededeling doen van de verkregen instemming van ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of werknemersverenigingen.

c. De RALTEX kan aan de bij de invoering van een afwijkend werkrooster in een onderneming betrokken partijen opdragen zich opnieuw te beraden over het afwijkende rooster, indien en voorzover het afwijkende rooster naar het oordeel van de RALTEX in hoge mate afwijkt van zin en strekking van het bepaalde in dit artikel.

Toelichting: Partijen hebben met het opnemen van deze bepaling de intentie de werkgelegenheid in de bedrijfstak te bevorderen door het opvangen van piekbelasting en het ondervangen van slappere periodes mogelijk te maken zoveel mogelijk met

inschakeling van "vast" personeel.

Artikel 14 Ploegendienst

1. De werkgever kan voor de gehele onderneming of voor één of meer afdelingen een

ploegendienstrooster vaststellen. Er is sprake van een ploegendienst als volgens een vast

rooster in afwisselende diensten wordt gewerkt en waarvan één uur of meer van de dienst is gelegen buiten de normale werktijd. Een voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een ploegendienstrooster behoeft de instemming van de OR of PVT.

2. Indien voor een onderneming of voor een afdeling een ploegendienst is ingesteld is de werknemer verplicht in ploegen te werken, indien zulks bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Werknemers die werkzaam zijn in normale dagdienst kunnen niet tot het werken in ploegendienst worden verplicht, indien zij kunnen aantonen dat hun gezondheid of persoonlijke omstandigheden zich hiertegen verzetten, of indien zij 50 jaar of ouder zijn.

(…)

Artikel 15 Verplichte zaterdagarbeid voor of na feestdagen

1. In overleg met de OR of PVT zal een rooster worden vastgesteld voor het werken op zaterdagen tussen 06.00 uur en 14.00 uur voor of na feestdagen als bedoeld in artikel 1 lid 10 van de CAO.

2. Dit rooster dient minimaal twee maanden voor de betreffende feestdag bekend te zijn gemaakt in het bedrijf. Zowel fulltime als parttime werknemers zijn verplicht om volgens het rooster te werken op de betreffende zaterdag(en).

3. Voor zover van toepassing wordt aan de werknemer overeenkomstig artikel 28 en artikel 29 een toeslag toegekend.

(…)

Artikel 31 Ploegendiensttoeslag

1. Werknemers die volgens rooster in afwisseling in twee ploegen werken, ontvangen een toeslag van 15% op het uurloon te berekenen over alle uit te betalen uren.

(…)

4. Er vindt geen cumulatie plaats van de ploegendiensttoeslag en de toeslag bijzondere uren.”

De Raad voor Arbeidsverhoudingen Linnenverhuur- en Wasserijbedrijven en Textielreinigingsbedrijven (RALTEX) geeft leiding aan de uitvoering en toepassing van de CAO.

Werkgever heeft een ondernemingsraad (OR) opgericht. De OR heeft per vestiging een onderdeelcommissie (OC) ingesteld. De OC voor de vestiging in [plaats] heeft drie zetels, waarvan [werknemer 1] er een invulde tot zijn uitdiensttreding en [werknemer 2] er thans een vervult.

Werkgever heeft op 24 februari 2017 bij de OR een instemmingsverzoek ingediend tot wijziging van de werktijden van de productiemedewerkers op de locatie in [plaats] . In het verzoek heeft werkgever onder meer het volgende vermeld:

Gewenste situatie

Door toename van productievolume is het noodzakelijk de productietijd uit te breiden tot 22:00 uur met incidentele uitloop naar 24:00 uur rondom de feestdagen en vakantieperiodes. Er zal gewerkt worden volgens onderstaand schema.

Daggroep 07:30 – 16:30 (…)

Blok 1 Aantal uur Blok 2 Aantal uur Blok 3 Aantal uur

07:30-09:30 2 uur 09:45-11:45 2 uur 12:15-14:15 2 uur

Blok 4 Aantal uur Totaal per dag

14:30-16:30 2 uur 8 uur

Ochtendgroep productietijd tot 22:00 uur (…)

Blok 1 Aantal uur Blok 2 Aantal uur Blok 3 Aantal uur

06:00-08:30 2.5 uur 08:45-11:15 2.5 uur 11:45-14:15 2.5 uur

Totaal per dag

uur

Avondgroep productietijd tot 22:00 uur (…)

Blok 1 Aantal uur Blok 2 Aantal uur Blok 3 Aantal uur

14:15-16:30 2.25 uur 16:45-19:15 2.5 uur 19:45-22:00 2.25 uur

Totaal per dag

7 uur

Medewerkers die vast in de ochtend of avondgroep werken ontvangen een bijzondere uren toeslag conform artikel 28 van de cao.

Om continuïteit en kwaliteit te kunnen waarborgen zal met name op de expeditie parken met 4 vaste medewerkers in een 2-ploegen dienst gewerkt worden van 06:00 tot 14:45 uur en van 13:45 tot 22:00 uur. Medewerkers die in deze ploegendienst werken ontvangen een ploegendiensttoeslag conform artikel 31 van de cao.

De productiemanagers hebben in onderling overleg een individueel rooster afgesproken waarbij er van maandag tot en met vrijdag 06:00 uur tot 19:00 (of 22:00) uur een verantwoordelijk productiemanager aanwezig is. Bij hen is geen sprake van ploegendienst.”

De OR heeft de gevraagde instemming op 12 april 2017 verleend. In het besluit heeft de OR onder meer het volgende vermeld: “De OR gaat hiermee akkoord na overleg met de medewerkers, dat voor de huidige vaste medewerkers eventuele wijzigingen in het rooster op vrijwillige basis zal zijn. De roosters dienen minimaal één week van te voren bekend gemaakt zijn. Ook de uitloop naar werken tot 24.00 uur is altijd op vrijwillige basis.”

Nadien heeft werkgever met de medewerkers van de technische dienst soortgelijke werkafspraken gemaakt.

Werknemers hebben op 21 februari 2022 bij RALTEX een klacht ingediend en haar verzocht om een bindende uitspraak doen over de naleving van de artikelen 11, 13, 14 en 16 CAO door werkgever. Op verzoek van RALTEX is een onafhankelijke commissie ingesteld. De onafhankelijke commissie heeft in haar advies van 1 februari 2023 geconcludeerd dat werkgever in strijd handelt met artikel 13 CAO door geen bedrijfsspecifiek werkrooster te hebben ingevoerd. Werkgever wordt opgedragen dit alsnog te doen.

Werkgever heeft op 1 februari 2023 bij de OC een instemmingsverzoek ingediend tot het vaststellen van een bedrijfsspecifiek werkrooster. De OC heeft de gevraagde instemming op 26 juni 2023 geweigerd.

Werkgever heeft op 9 november 2023 aan werknemers medegedeeld dat de OR instemming heeft verleend voor het bedrijfsspecifieke werkrooster. Voorts heeft werkgever medegedeeld dat dit rooster per 1 januari 2024 zal worden ingevoerd.

3. Het geschil

Werknemers vorderen - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat het door werkgever in 2017 ingevoerde werktijdenschema kwalificeert als een ploegendienst in de zin van artikel 14 CAO;

II. te verklaren voor recht dat het verplichten van werknemers om werkzaamheden te verrichten in een ploegendienst, dan wel buiten de overeengekomen werktijden- en dagen, een onrechtmatige eenzijdige wijziging van hun arbeidsovereenkomsten oplevert;

III. werkgever te veroordelen tot betaling van een financiële compensatie ter hoogte van:

€ 23.306,87 bruto aan [werknemer 1] ,

€ 27.088,34 bruto aan [werknemer 2] ,

€ 5.321,35 bruto aan [werknemer 3] ,

en deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente;

IV. werkgever te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van:

€ 1.008,07 aan [werknemer 1] ,

€ 1.045,88 aan [werknemer 2] ,

€ 641,07 aan [werknemer 3] ,

en deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente;

V. werkgever te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Werkgever voert verweer. Werkgever concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werknemers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van werknemers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van werknemers in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verklaring voor recht: ploegendienst

Werknemers vorderen een verklaring voor recht dat het in 2017 ingevoerde werktijdensysteem kwalificeert als een ploegendienst in de zin van artikel 14 CAO. Werknemers erkennen weliswaar dat zij geen aanspraak kunnen maken op de ploegendiensttoeslag zoals bedoeld in artikel 31 lid 1 CAO omdat die bepaling niet op hen van toepassing is via artikel 1 lid 4 CAO, maar zij willen erkenning voor het feit dat zij al die jaren in een ploegendienst hebben gewerkt. De kantonrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van werknemers bij de gevorderde verklaring voor recht ontbreekt. Zelfs al zou sprake zijn van een ploegendienst, wat werkgever overigens gemotiveerd heeft weersproken, dan kunnen werknemers nog steeds geen aanspraak maken op de ploegendiensttoeslag. De gevorderde verklaring voor recht raakt de rechtspositie van werknemers dan ook niet. Dat zou wellicht anders zijn geweest als werknemers een beroep hadden gedaan op het bepaalde in artikel 14 lid 2 CAO, dat zij niet kunnen worden verplicht tot het werken in een ploegendienst indien zij kunnen aantonen dat hun gezondheid of persoonlijke omstandigheden zich hiertegen verzetten, of indien zij 50 jaar of ouder zijn. Dat het werknemers daar om te doen is, is gesteld noch gebleken. Werknemers willen in deze procedure uitsluitend financieel worden gecompenseerd. Nu vaststaat dat werknemers geen aanspraak kunnen maken op de ploegendiensttoeslag, laat de kantonrechter in het midden of sprake is van een ploegendienst. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Verklaring voor recht: onrechtmatige eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden

Werknemers vorderen voorts een verklaring voor recht dat sprake is van een onrechtmatige eenzijdige wijziging van hun arbeidsvoorwaarden, primair door het invoeren van een ploegendienst en subsidiair door het wijzigen van de geldende arbeidstijden- en dagen. De kantonrechter begrijpt dat werknemers zich op het standpunt stellen dat het rooster zoals dat vóór 2017 gold een arbeidsvoorwaarde betreft die werkgever niet eenzijdig mocht wijzigen. De kantonrechter is ook hier van oordeel dat werknemers geen belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. Ten aanzien van [werknemer 1] en [werknemer 3] geldt dat zij niet meer bij werkgever in dienst zijn, zodat hun belang reeds daarom ontbreekt. De kantonrechter ziet, bij het ontbreken van een duidelijke toelichting, niet in welk belang zij desondanks bij de gevorderde verklaring voor recht hebben. Voor [werknemer 2] zou toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht meebrengen dat hij weer kan gaan werken volgens het rooster zoals dat vóór 2017 gold. Immers, als werknemers in hun standpunt worden gevolgd dat het rooster zoals dat vóór 2017 gold een arbeidsvoorwaarde betreft die werkgever niet eenzijdig mocht wijzigen, dan blijft die arbeidsvoorwaarde bestaan. Uit de stukken en de toelichting ter zitting blijkt echter dat [werknemer 2] dat helemaal niet wil. Hij heeft in 2024 zelfs op eigen initiatief meer late diensten gedraaid dan waartoe hij was verplicht op basis van het (op dat moment gehanteerde) werkrooster. Dat rijmt niet met de gevorderde verklaring voor recht. Deze zal daarom ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Financiële compensatie

De kantonrechter komt toe aan het punt waar het werknemers écht om gaat; de financiële compensatie. Werknemers stellen zich op het standpunt dat zij recht hebben op compensatie omdat zij sinds de invoering van het werktijdensysteem in 2017 onrechtmatig zijn verplicht om te werken buiten de vastgestelde werktijden- en dagen. Zij sluiten voor de hoogte van de gevorderde compensatie aan bij de hoogte van de ploegendiensttoeslag zoals bedoeld in artikel 31 lid 1 CAO. Voor zover werknemers bedoelen te stellen dat werkgever onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan zij schade hebben geleden, is de kantonrechter van oordeel dat zij niet hebben onderbouwd waaruit die schade bestaat. Vaststaat dat werkgever werknemers behoorlijk heeft gecompenseerd door hen de overwerktoeslag en de toeslag bijzondere uren zoals bedoeld in de artikelen 27 en 28 CAO onverplicht - want deze artikelen zijn op grond van artikel 1 lid 4 CAO niet op werknemers van toepassing - uit te keren. Daarnaast hebben werknemers in 2021 een eenmalige looncorrectie ontvangen. Wat resteert is de toeslag van 15% waar werknemers nog aanspraak op menen te maken. De kantonrechter ziet niet in hoe dit schade voor werknemers kan opleveren. Zelfs al zou sprake zijn geweest van een verplichting om in een ploegendienst te werken, dan nog hadden werknemers geen recht gehad op de ploegendiensttoeslag. Bovendien volgt uit artikel 31 lid 4 CAO dat er geen cumulatie plaatsvindt van de ploegendiensttoeslag en de toeslag bijzondere uren zoals bedoeld in artikel 28 CAO. Van schade is derhalve geen sprake.

In de stellingen van werknemers ligt echter veeleer besloten dat zij van mening zijn dat het op grond van artikel 6:248 lid 2 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat artikel 1 lid 4 CAO - waarin hun recht op de ploegendiensttoeslag is uitgesloten - op hen van toepassing is. De kantonrechter is met werkgever van oordeel dat er een reden is waarom de CAO-partijen ervoor hebben gekozen om werknemers met een bepaald salaris uit te sluiten van het recht op de ploegendiensttoeslag. Daar komt bij dat, zoals hiervoor al is overwogen, werknemers van werkgever onverplicht de overwerktoeslag (artikel 27 CAO) en de toeslag bijzondere uren (artikel 28 CAO) uitgekeerd hebben gekregen. Indien werknemers daarbovenop ook nog 15% ploegendiensttoeslag zouden krijgen, zouden zij volgens werkgever in een gunstigere positie verkeren dan andere werknemers die via artikel 1 lid 4 CAO van het recht op de toeslagen zijn uitgesloten. Werkgever meent dat daarvoor geen rechtvaardiging bestaat. Weknemers hebben daar niks tegen ingebracht en evenmin toegelicht waarom zij wel recht zouden hebben op een cumulatie van de ploegendiensttoeslag en de toeslag bijzondere uren. Een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt daarom evenmin.

De conclusie is dat de vordering van werknemers zal worden afgewezen.

Nevenvorderingen

Omdat de vordering tot betaling van de financiële compensatie in het geheel zal worden afgewezen, treffen de nevenvorderingen van werknemers hetzelfde lot.

Proceskosten

Werknemers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van werkgever worden begroot op:

- salaris gemachtigde

1.732,00

(2 punten × € 866,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.876,00

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van werknemers af,

veroordeelt werknemers in de proceskosten van € 1.876,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werknemers niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Dam en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand