RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707347 / JE RK 26-1076
Datum uitspraak ondertoezichtstelling: 30 juli 2026
Datum uitspraak machtiging uithuisplaatsing: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. H. Polat uit Rijswijk.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 juni 2026;
het bericht van de advocaat van de moeder van 9 juli 2026
het stuk van de advocaat van de moeder van 27 juli 2026;
de pleitaantekeningen die de advocaat van de moeder tijdens de zitting heeft overgelegd en die ter zitting zijn gelezen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk Turks;
- [naam], namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegmoeder.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden is de
moeder belast met het ouderlijk gezag.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 15 augustus 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen tot 15 februari 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 februari 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 15 augustus 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
[minderjarige] wordt nog steeds in haar ontwikkeling bedreigd. Ten tijde van de start van de maatregelen was sprake van een onveilige opvoedsituatie bij de moeder waarin huiselijk geweld, psychische problematiek van moeder, alcoholproblematiek, suïcidale uitingen en een ernstig verstoorde ouder-kindrelatie op de voorgrond stonden. Sinds haar plaatsing in het huidige pleeggezin laat [minderjarige] een positieve ontwikkeling zien. Zij zegt zich veilig te voelen binnen het pleeggezin en er te willen blijven. Zij ervaart nu structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. [minderjarige] heeft een goede band opgebouwd met haar pleegmoeder. Op school functioneert [minderjarige] ook goed. In juli 2026 is een nieuwe coach van Coach Vooruit gestart voor [minderjarige]. Daarnaast staat [minderjarige] op de wachtlijst voor behandeling bij Youz. [minderjarige] en de moeder kunnen hier samen in behandeling. De gecertificeerde instelling acht deze behandeling noodzakelijk om [minderjarige] te ondersteunen bij het verwerken van haar traumatische ervaringen en het verminderen van haar angst, spanning en boosheid. Tevens zal worden onderzocht wat nodig is om het contact tussen moeder en [minderjarige] verder te herstellen. [minderjarige] geeft aan behoefte te hebben aan erkenning van haar ervaringen uit het verleden. Zij ervaart dat moeder nog onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor gebeurtenissen die hebben geleid tot de uithuisplaatsing. Hierdoor voelt [minderjarige] zich emotioneel onvoldoende veilig in het contact met moeder. Ook ervaart [minderjarige] onvoldoende emotionele toestemming van de moeder voor het contact met haar vader. De vader en de [minderjarige] hebben goed contact, ondanks dat hij in [land] woont. Dit maakt een plaatsing bij hem niet haalbaar, maar ook niet wenselijk. [minderjarige] wil haar opleiding in Nederland voortzetten en haar toekomst hier verder opbouwen. Wel is de vader in [land] een gezagsprocedure gestart om gezag over [minderjarige] te krijgen, dit met het oog op het houden van contact met [minderjarige].
De moeder ontvangt begeleiding gericht op haar persoonlijke ontwikkeling en psychische problematiek. Er is echter geen contact tussen de behandelaar van de moeder en de jeugdbeschermer. De moeder ontvangt ook steun van haar coach van Coach Vooruit. De gecertificeerde instelling ziet dat moeder kleine maar positieve stappen zet. Zo lukt het moeder beter om grenzen te respecteren en zich meer te richten op haar eigen ontwikkeling. Tegelijkertijd blijft moeder de wens en overtuiging houden dat [minderjarige] op termijn weer thuis zal komen wonen. De begeleide contacten tussen moeder en [minderjarige] zijn na een moeizame start zorgvuldig opgebouwd tot momenteel één keer in de zes weken. [minderjarige] wil deze momenten eigenlijk zelf niet. Hoewel de begeleide omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder redelijk goed gingen, is de laatste keer het fors geëscaleerd. De moeder heeft hierna de hele dag voor het huis van de pleegmoeder gestaan en heeft haar nare berichten gestuurd via sociale media. Begeleiding blijft dus noodzakelijk om het contact op een voor [minderjarige] veilige wijze te laten verlopen.
De gecertificeerde instelling is van mening dat de opvoedingscapaciteiten van de moeder op dit moment onvoldoende aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige]. Binnen het pleeggezin is deze balans wel aanwezig. Hoewel de definitieve opvoedvisie nog niet formeel is vastgesteld, verblijft [minderjarige] momenteel in een perspectiefbiedend pleeggezin. Voor [minderjarige] vormt dit opvoedperspectief een belangrijke beschermende factor, mede omdat zij heeft aangegeven bang te zijn voor een terugplaatsing naar de moeder. In het komende jaar zal worden gewerkt aan het starten en monitoren van de behandeling bij Youz, het verder vormgeven van het contactherstel tussen moeder en [minderjarige], het vergroten van de emotionele beschikbaarheid en opvoedvaardigheden van de moeder, het verder onderzoeken en vormgeven van de opvoedvisie voor [minderjarige], het behouden van stabiliteit en veiligheid binnen het perspectiefbiedende pleeggezin en het monitoren van de gezagsprocedure van de vader.
Gelet op de nog aanwezige ontwikkelingsbedreiging, de noodzaak van verdere behandeling en begeleiding en het feit dat plaatsing van [minderjarige] bij één van de ouders op dit moment niet mogelijk is, dienen de maatregelen te worden verlengd voor de duur van een jaar.
4. De standpunten
Namens de moeder wordt allereerst bezwaar gemaakt tegen het aanmerken van de pleegmoeder als belanghebbende. Een pleegouder zou pas als belanghebbende aangemerkt
worden indien de minderjarige een jaar of langer in het pleeggezin woont. [minderjarige] verblijft pas sinds september 2025 in het pleeggezin. Daarom kan de pleegmoeder niet als belanghebbende worden aangemerkt. Tijdens de vorige zitting is de kinderrechter hieraan voorbij gegaan, maar deze uitspraak is bij beslissing van 3 juli 2026 door het Gerechtshof Den Haag vernietigd. De moeder maakt hiernaast bezwaar tegen de aanwezigheid van de pleegmoeder als informant, nu de moeder het zeer moeilijk vindt haar emoties onder controle te houden wanneer de pleegmoeder aanwezig is.
De moeder stemt verder in met een verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder voert echter verweer tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en verzoekt dit verzoek af te wijzen. Subsidiair kan de moeder vinden in een verlenging van maximaal zes maanden, met aanhouding van het overige deel van het verzoek, mits in die periode daadwerkelijk wordt toegewerkt naar terugplaatsing. De advocaat van de moeder heeft namens de moeder naar voren gebracht dat de moeder de ernst van de zorgen die tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] hebben geleid erkent. De gecertificeerde instelling blijft echter verwijzen naar deze gebeurtenissen en andere verouderde informatie, zonder voldoende inzichtelijk te maken welke actuele omstandigheden maken dat [minderjarige] nu nog niet, al dan niet gefaseerd en met intensieve begeleiding, naar haar moeder zou kunnen terugkeren. De moeder is in behandeling gebleven, accepteert hulpverlening en is gemotiveerd om aan zichzelf en aan de relatie met [minderjarige] te werken. Ook de gecertifieerde instelling erkent dat de moeder tijdens de begeleide contacten rustiger blijft, meer belangstelling toont voor [minderjarige] en emotioneel beter beschikbaar is. De gecertificeerde instelling maakt echter nergens concreet wanneer de ontwikkeling van de moeder wél voldoende is. De moeder weet daardoor niet waar zij naartoe werkt. De moeder werkt aan haar emotieregulatie, haar psychische klachten en haar opvoedvaardigheden. Opvallend is dat in het verzoek iedere actuele terugkoppeling van haar behandelaar ontbreekt. Ook de actuele thuissituatie van de moeder is onvoldoende onderzocht en het beeld dat de moeder geen stabiel inkomen heeft is onjuist. De rechtbank heeft in de beschikking van 15 augustus 2025 nadrukkelijk richting gegeven aan het vervolg van deze maatregel. Er moest voortvarend worden gewerkt aan contactherstel. Ook moest systeemtherapie worden ingezet, de inzet van KOPP-training worden onderzocht en moest worden bekeken wat nodig was voor een eventuele thuisplaatsing. Bijna een jaar later is niets van dit alles gerealiseerd. Het contact is beperkt gebleven tot één begeleid contactmoment per zes weken. Een concreet terugplaatsingsplan ontbreekt nog altijd. De moeder realiseert zich dat de mening van [minderjarige] zwaar weegt en wil haar niet dwingen. Er is echter niet onderzocht of het gedrag van [minderjarige] voortkomt uit haar loyaliteitsconflict. Daarnaast lopen in [land] procedures tussen de ouders en probeert de vader het gezag van de moeder te beëindigen, alimentatie van de moeder te krijgen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te laten bepalen. Ook zou de vader in [land] veroordeeld zijn voor de mishandeling van de moeder. Dit strookt niet met het beeld dat van hem wordt geschetst. De moeder erkent dat in het verleden dingen zijn misgegaan en wil dit ook tegenover [minderjarige] erkennen, met haar bespreken en haar excuses maken. Zij staat open voor een begeleid herstelgesprek. De kern van deze zaak is echter dat de gecertificeerde instelling al geruime tijd handelt alsof terugplaatsing geen reële mogelijkheid meer is, terwijl een formeel perspectiefbesluit nog niet is opgesteld. Dit is niet in lijn met de wet of de Richtlijn Uithuisplaatsing. De moeder vraagt de rechtbank niet om een onmiddellijke thuisplaatsing, maar wel dat de gecertificeerde instelling zich actief inzet om een thuisplaatsing mogelijk te maken.
De moeder heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat [minderjarige] nu in [land] op vakantie bij de vader is. De moeder maakt zich, gezien de gezagsprocedure van de vader in [land], hier grote zorgen over. De moeder is onder druk gezet om voor deze vakantie te tekenen. Als [minderjarige] terug is, zal de moeder elke dag voor het huis van de pleegmoeder gaan staan om haar te zien.
5. De beoordeling
Pleegmoeder belanghebbende?
De kinderrechter merkt de pleegmoeder op dit moment aan als informant. De kinderrechter overweegt dat nog niet wordt voldaan aan het uitgangspunt van artikel 798 lid
1 Rv, waarin geldt dat een pleegouder na een jaar de verzorging en opvoeding voor een minderjarige te dragen pas als belanghebbende kan worden aangemerkt. De kinderrechter gaat echter voorbij aan het bezwaar van de moeder met betrekking tot de rol van pleegmoeder als informant. De pleegmoeder zorgt al sinds september 2025 voor [minderjarige] en voorziet momenteel in haar (opvoed)behoeften. Zij speelt nu een belangrijke rol in het leven van [minderjarige]. De kinderrechter heeft de moeder de gelegenheid geboden om afzonderlijk van de pleegmoeder met de kinderrechter te spreken, nu de moeder zegt het niet emotioneel aan te kunnen, maar de moeder heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt.
De verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Alle betrokken partijen zijn het erover eens dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de gecertificeerde instelling nog een jaar langer bij [minderjarige] betrokken is. [minderjarige] wordt nog steeds belast door haar verleden en door het loyaliteitsconflict waarin zij zich bevindt. De kinderrechter begrijpt uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat passende hulpverlening voor [minderjarige] ter verwerking van hetgeen zij heeft meegemaakt en om haar en de moeder te helpen het contact tussen hen te herstellen nog steeds niet van de grond is gekomen. Zij staan nog steeds op de wachtlijst bij Youz. Dit kinderrechter vindt dit zorgelijk. Het is van groot belang dat dit, en/of alternatieve vormen van hulpverlening, zo snel mogelijk wordt ingezet, om te voorkomen dat [minderjarige] in de toekomst stagneert in haar ontwikkeling. Hiernaast zien [minderjarige] en de moeder elkaar op dit moment slechts één keer per zes weken onder begeleiding. Begeleiding blijft nog noodzakelijk op dit moment. Er is nog geen opvoedperspectief vastgesteld. Er dient te worden onderzocht of en hoe deze momenten zouden kunnen worden uitgebreid, en wanneer dit niet kan, hoe de relatie tussen [minderjarige] en de moeder kan worden verbeterd. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer blijft noodzakelijk om hier de regie in te voeren.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe dat een thuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment niet in haar belang is. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij het pleeggezin, is gehecht aan de pleegmoeder en voelt zich hier veilig. De kinderrechter begrijpt van de gecertificeerde instelling dat [minderjarige] hier ook graag wil blijven. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de moeder veel verdriet heeft van de situatie en dat zij [minderjarige] erg mist, constateert de kinderrechter ook dat het contact tussen hen onvoldoende is hersteld en dat de omgangsmomenten nog te moeizaam verlo. Escalaties zijn schadelijk voor de relatie en komen nog voor, terwijl therapie bij Youz nog geen startdatum heeft. De kinderrechter acht een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment daarom in het belang van [minderjarige].
Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de uithuisplaatsing slechts voor de duur van zes maanden toe te wijzen, met aanhouding van het overige deel van het verzoek. De komende periode kan de jeugdbeschermer gebruiken om meer duidelijkheid te krijgen over het toekomstperspectief van [minderjarige]. De kinderrechter acht het hierbij van belang dat ook de behandelaar van de moeder wordt benaderd, zodat van deze behandelaar inhoudelijke informatie kan worden verkregen over de voortgang van de behandeling van de moeder. Als hier geen beter zicht op komt, is een goede afweging rond omgang en uitbreiding daarvan niet goed mogelijk. Parallel hieraan dient ingezet te blijven worden op hulpverlening voor [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter wil na deze zes maanden graag weten of Youz is gestart of dat alternatieve hulpverlening is ingezet. De gecertificeerde instelling dient voor de moeder verder duidelijkheid te creëren over wat er van haar wordt verwacht. Tegelijkertijd dient de veiligheid en het tempo van [minderjarige] leidend te zijn, de moeder dient dit te respecteren.
De kinderrechter verzoekt daarbij de gecertificeerde instelling om uiterlijk twéé weken voor de nieuwe zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te sturen, met daarin informatie over het verloop en resultaat van de hulpverlening. De schriftelijke update dient tevens informatie over het onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] te bevatten. Ook verzoekt de kinderrechter, wanneer mogelijk, verslaglegging van de begeleide omgangsmomenten en van de coaches van zowel de moeder als [minderjarige] van Coach Vooruit bij te voegen, alsmede -indien beschikbaar- informatie betreffende de individuele behandeling van moeder.
De kinderrechter wil [minderjarige] graag uitnodigen voor een gesprek met haar, voorafgaand aan de nieuwe zitting. [minderjarige] heeft nu geen gesprek met de kinderrechter gehad, mogelijk in verband met haar vakantie naar [land], en [minderjarige] is hiertoe ook niet verplicht, maar de kinderrechter zou graag van haar horen wat haar mening is.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 augustus 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 februari 2027;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting bij mr. J.C. van den Dries, gelegen voor 15 februari 2027, tegen welke zitting de Gecertificeerde instelling, de vader, de moeder, de pleegmoeder en [minderjarige] voor een kindgesprek dienen te worden opgeroepen;
verzoekt de gecertificeerde instelling op om uiterlijk twéé weken voor de zitting een schriftelijke update bij de rechtbank in te dienen zoals hiervoor onder 5.7. overwogen, onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing met betrekking tot de ondertoezichtstelling is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026. De beslissing met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing is gegeven op 31 juli 2026. De beslissingen zijn gegeven door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.