RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6807
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en het standpunt van de minister
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 27 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk: uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM’. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet voldoet aan de voorwaarden om van het vereiste om een mvv te bezitten te worden vrijgesteld. Volgens de minister is geen sprake van omstandigheden die maken dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hoewel de minister heeft aangenomen dat eiser enig privéleven in Nederland heeft opgebouwd, valt de belangenafweging in het nadeel van eiser uit.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM?
3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser heeft hij in Nederland beschermwaardig privéleven opgebouwd, nu hij sinds 2009 onafgebroken in Nederland verblijft. Volgens eiser heeft de minister de belangenafweging onvoldoende gemotiveerd, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de duur van zijn verblijf en de ingrijpende gevolgen van het besluit. De enkele omstandigheid dat hij zijn privéleven niet met documenten heeft onderbouwd, kan volgens hem niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van beschermwaardig privéleven, omdat de minister wel erkent dat privéleven is opgebouwd.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt voorop dat eiser bij brief van 29 september 2025 door de minister in de gelegenheid is gesteld het gestelde privéleven dat hij in Nederland uitoefent nader toe te lichten. Ook in bezwaar heeft eiser de mogelijkheid gehad om zijn privéleven toe te lichten. Hij heeft echter alleen volstaan met de stelling dat de gevolgen van het primaire besluit ingrijpend voor hem zijn, omdat hij al sinds 2009 in Nederland verblijft. De minister heeft in het primaire besluit weliswaar erkend dat er in de achterliggende 15 jaar enig privéleven zal zijn opgebouwd in Nederland, maar daarin is ook opgenomen dat dit niet is onderbouwd met bewijsstukken. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt en heeft daarbij betrokken dat eiser sinds 2009 in Nederland verblijft, maar ook dat eiser het gestelde privéleven niet nader heeft toegelicht of met stukken heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat eiser al geruime tijd in Nederland verblijft, betekent niet zonder meer dat aan zijn privéleven doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. De minister heeft in het primaire besluit de belangen van eiser en de belangen van de staat tegen elkaar afgewogen en gemotiveerd waarom het belang van de staat in dit geval zwaarder weegt. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke omstandigheden de minister daarbij ten onrechte niet heeft betrokken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister geen volledige belangenafweging heeft gemaakt of dat geen sprake is van een ‘fair balance’, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De stelling dat een concrete en op eiser toegespitste beoordeling ontbreekt, leidt niet tot een ander oordeel. Het is immers aan eiser om zijn privéleven toe te lichten en te onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan, kan de stelling dat de beoordeling onvoldoende op hem is toegespitst niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
4. Eiser betoogt dat de minister hem in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord, hetgeen in strijd is met artikel 7:2 van de Awb. Volgens eiser kon niet op voorhand worden vastgesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, gelet op de duur van het verblijf, de aard van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en de ingrijpende gevolgen van het besluit.
Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 3.1 overwogen, heeft eiser nagelaten om zowel bij zijn aanvraag als in bezwaar concrete omstandigheden te noemen waaruit blijkt welke persoonlijke belangen bij voortzetting van zijn verblijf moeten worden betrokken, anders dan de duur van zijn verblijf en de gestelde ingrijpende gevolgen van het besluit. In dat licht bezien heeft de minister geen reden hoeven zien om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.