[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser heeft op 16 december 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Yasin als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006 en heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Anizah stam. Eiser komt uit [plaats] , een voorstad van Damascus, in Riff Damascus, in Syrië. Eiser verbleef vanaf 2013 tot zijn vertrek naar Nederland in Libanon. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is gevlucht met zijn zus, omdat zij een miskraam heeft gehad en een huwelijk met haar neef heeft geweigerd. Eiser vreest voor eerwraak, omdat bij terugkeer naar Syrië uitkomt dat hij zijn zus om die redenen heeft geholpen met haar vertrek en hij als schuldige zal worden aangewezen.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Het tweede asielmotief heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees heeft vanwege de problemen van zijn zus.
Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Syrië op basis van het geloofwaardig gevonden asielmotief geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft ook een terugkeerbesluit vastgesteld met een vertrektermijn van vier weken.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het is niet begrijpelijk dat zijn zus niet gelijktijdig met hem wordt gehoord, aangezien het al dan niet geloofwaardig bevinden van haar relaas invloed heeft op eisers procedure. Als het asielrelaas van zijn zus geloofwaardig wordt geacht, is de vrees voor eerwraak voor eiser direct reëel en zijn de problemen zwaarwegend. Door de geloofwaardigheid van dit asielmotief in het midden te laten en direct te toetsen op zwaarwegendheid, doet verweerder ten onrechte geen volledig onderzoek naar de feiten en omstandigheden.
Verweerder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld, eiser verwijst daarbij naar uitspraken van verschillende rechtbanken. Hoewel de slechte humanitaire situatie in Syrië grotendeels is veroorzaakt door het inmiddels verdreven regime van Assad, waren er ook andere actoren actief in het conflict. Die zijn voor een groot deel nog steeds actief. Zo komt de overgangsregering voort uit een aantal gewapende groeperingen die betrokken waren bij het conflict. De humanitaire situatie is dus een direct gevolg van de jarenlange burgeroorlog en daarom blijft de humanitaire situatie een rol spelen bij de beoordeling van de veiligheidssituatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst in het kader van de humanitaire situatie naar verschillende rapporten.
Eiser kan daarnaast bij terugkeer naar Syrië niet rekenen op een sociaal netwerk. Zijn familie verblijft in Libanon en zijn zus woont in Nederland. Eiser kan niet terugkeren naar Syrië en daarom kan verweerder hem geen terugkeerbesluit opleggen. Ook kan verweerder geen uitvoering geven aan het terugkeerbesluit omdat de daarvoor vereiste diplomatieke banden ontbreken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Volle toetsing
6. De rechtbank stelt voorop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ebilum heeft geoordeeld dat asielrechters een volledig en ex nunc onderzoek moeten verrichten naar alle feitelijke en juridische elementen in een zaak. Daarom toetst de rechtbank alle onderdelen van het besluit volledig en zonder terughoudendheid, waarbij zij afziet van termen als ‘niet ten onrechte’.
Geen gegronde vrees voor vervolging vanwege problemen van eisers zus
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geloofwaardigheid van de problemen van eisers zus in het midden heeft mogen laten en niet de uitkomst van de asielprocedure van eisers zus heeft hoeven afwachten. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat zelfs als de problemen van de zus geloofwaardig worden bevonden, eiser zijn persoonlijke vrees vanwege die problemen niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Eiser verklaart dat hij bij terugkeer problemen zal krijgen, omdat hij zijn zus heeft geholpen te vluchten vanwege een miskraam die zij heeft gehad en omdat zij heeft geweigerd te trouwen met haar neef. Eiser verklaart daarbij dat hij zijn familie ervan heeft overtuigd dat het beter is als zijn zus mee vertrekt om de reden dat zij meerderjarig is en dat hij daarom de schuld zal krijgen, omdat hij zijn zus het huwelijk heeft helpen ontvluchten. Verweerder heeft echter op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om deze reden bij terugkeer een reëel risico loopt slachtoffer te worden van eerwraak.
Ten eerste heeft eiser verklaard dat zijn familie geen contact met hem of zijn zus heeft opgenomen vanwege de afwijzing van het huwelijksaanzoek van zijn neef door zijn zus. Ook eisers neef zelf heeft geen contact met eiser opgenomen. Eiser heeft verder verklaard dat zijn familie ook niet naar hem op zoek is. Daarbij heeft eisers vader, die er bekend mee is dat zijn dochter heeft geweigerd om met haar neef te trouwen, het vertrek van eiser en eisers zus toegestaan. Ook is eiser nooit bedreigd vanwege de huwelijksweigering van zijn zus. Verweerder concludeert dus terecht dat er tot op heden nooit problemen zijn geweest. Niet valt in zien dat dat bij terugkeer anders zal zijn.
Verweerder heeft verder ook terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er vanwege de miskraam van zijn zus problemen zullen ontstaan bij zijn terugkeer. Niet blijkt hoe bij terugkeer bekend zou moeten worden dat eisers zus een miskraam heeft gehad met een man waarmee zij niet getrouwd is, laat staan dat eiser van die miskraam op de hoogte was. Verweerder wijst er namelijk terecht op dat eiser zelf heeft verklaard dat hij niemand heeft verteld dat hij op de hoogte is van de miskraam van zijn zus, zelf zijn zus niet, en dat verder niemand anders weet van de miskraam. Daarbij mag van eiser worden verwacht dat hij dit ook in de toekomst voor zijn eigen veiligheid geheim houdt.
Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. Volgens eiser ontstaat het probleem als zijn zus terugkeert, omdat zij dan alsnog moet trouwen en de familie er achter komt dat zij een miskraam heeft gehad. Maar in het geval dat haar asielaanvraag wordt afgewezen en zij daadwerkelijk moet terugkeren naar Syrië, dan behoeft zij volgens verweerder kennelijk geen bescherming, oftewel dan zijn de miskraam en de vlucht voor het gedwongen huwelijk (als zij dat aanvoert) niet geloofwaardig of/en niet voldoende zwaarwegend bevonden, en heeft de zus van eiser dit oordeel in rechte kunnen laten toetsen. Als het besluit de toets in rechte doorstaat, dan geven de problemen van de zus van eiser in dat geval geen aanleiding haar asiel te verlenen, en dus ook niet aan eiser.
In het andere scenario, waarbij de asielaanvraag van eisers zus wel wordt toegewezen, komt de familie er niet achter dat zij een miskraam heeft gehad. De zus van eiser blijft dan immers in Nederland. Ook in dat geval zijn eisers problemen die uit de problemen van zijn zus zouden voortvloeien, niet aannemelijk omdat verweerder er van uit mag gaan dat niemand in Syrië weet heeft van de miskraam en verwacht mag worden dat eiser niemand hierover vertelt.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld
8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
Bij de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
9. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat over het algemeen het aantal burgerslachtoffers in Damascus, het gebied van terugkeer van eiser, gelet op het aantal inwoners sinds de machtsovername laag is gebleven. Het IOM schatte het bevolkingsaantal in december 2025 in Ruraal Damascus op 5.325.501 personen en het aantal burgerdoden in 2025 op minstens 79. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat zelfs als alle burgerslachtoffers het gevolg zouden zijn van willekeurig geweld in plaats van gericht geweld, dat het aantal dan alsnog te beperkt is om te concluderen dat er sprake is van een meer dan een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft daarnaast in zijn verweerschrift terecht geconcludeerd dat de aantallen veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers volgens het EUAA Country Guidance rapport van december 2025 sinds maart 2025 afnemen. Verweerder heeft ook mogen betrekken dat niet is gebleken dat er in de periode na de verslagperiode van dit rapport sprake is geweest van grootschalige of een toename van veiligheidsincidenten, gevechten of geweldsuitbarstingen in Ruraal Damascus, waarbij veel burgers slachtoffer werden van willekeurig geweld. Verweerder heeft er ook terecht op gewezen dat Ruraal Damascus opvang biedt aan een kleine miljoen binnenlands ontheemden en dat 160.490 ontheemde mensen zijn teruggekeerd naar Ruraal Damascus. Daarbij heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten in Syrië beperkt is gelet op het inwonersaantal en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de humanitaire situatie in Syrië niet, dan wel slechts in zeer beperkte mate, te wijten is aan huidig handelen door actoren die partij zijn bij een lopend gewapend conflict. De humanitaire situatie die volgens eiser het gevolg is van de jaren durende burgeroorlog en de misdaden die het regime van Assad heeft begaan, kunnen geen rol spelen in de 15c-beoordeling. Verweerder wijst er immers terecht op dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Eiser stelt ook dat er een groot deel van de andere actoren die actief waren in het conflict ten tijde van het regime van Assad, nog steeds actief zijn in het huidige conflict in Syrië. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de verwijzingen naar verschillende rapporten, waaronder het Algemeen Ambtsbericht van Syrië van mei 2025, echter onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom de humanitaire omstandigheden momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van deze partijen in plaats van dat deze het gevolg zijn van de oorlog die jarenlang heeft gewoed onder het regime van Assad.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus.
10. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Voor zover eiser meent te stellen dat hij door de problemen met zijn zus eerder slachtoffer zal worden van willekeurig geweld, volgt de rechtbank dit niet, omdat deze omstandigheid verband houdt met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. Bovendien is hiervoor al, onder rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.5, overwogen dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees heeft vanwege de problemen van zijn zus.
Het terugkeerbesluit
11. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit (ambtshalve) moet beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.
De humanitaire omstandigheden in Syrië kunnen een rol spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt.
In de eerste situatie is de humanitaire crisis voornamelijk het gevolg van de directe en indirecte handelingen van partijen (overheid of niet-overheidsactoren) bij het conflict. Voor deze eerste situatie geldt een lichtere toets. Er moet namelijk worden gekeken naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’. De vraag is dus of eiser in staat is om in zijn meest basale levensbehoeften te voorzien.
In de tweede situatie, waarin de humanitaire omstandigheden niet direct of indirect veroorzaakt worden door het direct of indirect handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor die partij is bij een conflict, maar bijvoorbeeld door armoede of natuurrampen, geldt een zwaardere toets. In dat geval moet eiser aannemelijk maken dat er bij terugkeer sprake is van ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. De humanitaire omstandigheden kunnen in deze tweede situatie dus alleen een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren in zeer uitzonderlijke gevallen, waarbij de gronden tegen verwijdering ‘dwingend’ zijn.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar voornamelijk het gevolg zijn van de nasleep van jarenlang conflict in Syrië, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede waardoor er volgens verweerder sprake is van de tweede situatie en eiser aan de ‘zwaardere toets’ moet voldoen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets. In tegenstelling tot wat verweerder veronderstelt, hoeven de humanitaire omstandigheden waarvoor een ‘lichtere toets’ geldt namelijk niet “doelbewust” te worden veroorzaakt door het handelen van de overheid of niet-overheidsactor. Het moet alleen gaan om “direct and indirect actions of the parties to the conflict” en ‘indirect’ impliceert naar het oordeel van de rechtbank ook dat humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken die niet doelbewust zijn veroorzaakt. Daarbij hoeft het direct of indirect handelen of nalaten waardoor de humanitaire omstandigheden worden veroorzaakt ook niet “actueel” te zijn. Het is van belang dat bij de situatie van de ‘lichtere toets’ niet alleen de slechte humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict een rol spelen, zoals in de 15c-beoordeling het geval is, maar ook de slechte humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië sinds het uitbreken van de oorlog in 2011.
Gelet op het vorenstaande is er in het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit, sprake van een motiveringsgebrek met betrekking tot artikel 3 van het EVRM. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit dan ook in zoverre. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te worden gelaten en overweegt daartoe als volgt.
Ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets – heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Damascus een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dwingende grond of een situatie waarin hij niet in zijn basale levensbehoeften kan voorzien. In het nader gehoor is gevraagd wat er zou gebeuren als eiser moet terugkeren naar Syrië. Eiser heeft in (de correcties en aanvullingen bij) het nader gehoor alleen de algehele veiligheidssituatie en de kwestie met zijn zus aangevoerd en gesteld dat er verder geen andere zaken spelen. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald. Terwijl het in de eerste plaats aan eiser is om het risico op refoulement aannemelijk te maken. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat eiser een gezonde volwassen man is, niet is gebleken van medische problematiek of andere bijzondere kwetsbaarheden en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer niet in staat zal zijn om opnieuw een bestaan op te bouwen. Daarbij heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet dakloos zal zijn, omdat eiser familie heeft wonen in Syrië, hij onderdeel is van een grote stam, eiser lange tijd in Syrië heeft gewoond en hij de taal spreekt. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat de humanitaire situatie in Syrië stapvoets verbetert. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in beroep dan ook voldoende beoordeeld in welke situatie eiser bij terugkeer terecht zal komen en terecht geconcludeerd deze situatie niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijke motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de schriftelijke aanvullende motivering van het verweerschrift en de mondelinge aanvullende motivering ter zitting alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank, gelet op rechtsoverweging 12.2 van deze uitspraak, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag en het terugkeerbesluit in stand blijven.
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand. Omdat eiser op toevoeging is bijgestaan, dient verweerder dit bedrag aan de gemachtigde van eiser te betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.