ECLI:NL:RBDHA:2026:22120

ECLI:NL:RBDHA:2026:22120

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer 09-064131-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning (geen levensgevaar, art. 47, 157 Sr) en het teweegbrengen van een ontploffing bij een bedrijfspand (geen levensgevaar, art. 157 Sr). Oplegging van een jeugddetentie (deels voorwaardelijk) met bijzondere voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar).

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-064131-26 en 10-322900-25 (ttz. gev.)

Tul: 09-112391-25

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

thans feitelijk verblijvende: [adres 2] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 23 juli 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. P. Verweijen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. H. Yilmaz te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2. De tenlasteleggingen

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

Dagvaarding I: 09-064131-26

Het medeplegen van een poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing op 18 november 2025 in Hillegom.

Dagvaarding II: 10-322900-25

Het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing op 19 oktober 2025 in Rotterdam.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onderdeel dat ziet op het te duchten levensgevaar in dagvaarding II. De verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden bewezen, met uitzondering van de onderdelen die zien op het te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. De verdachte dient van deze onderdelen te worden vrijgesproken.

Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

Dagvaarding I: 09-064131-26

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing op 18 november 2025 aan de [adres 3] in Hillegom .

Alternatief scenario

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend betrokken te zijn geweest bij het ten laste gelegde feit. Hij heeft daarbij een alternatief scenario geschetst. Volgens de verdachte heeft hij zijn telefoon in de periode voorafgaand aan het feit tegen betaling uitgeleend aan “ [naam 1] ”, een persoon die hij kent uit de buurt in Amsterdam. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn telefoon op 19 november 2025 terugkreeg en vervolgens direct na het openen van zijn telefoon verschillende video’s van een ontploffing zag. Hierop zou hij contact hebben opgenomen met de politie.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen volgt dat met de telefoon van de verdachte op 18 november 2025 vanaf 01:32 uur meerdere video’s zijn gemaakt. Op deze video’s is te zien dat een persoon aan de [adres 3] in Hillegom probeert een explosief met behulp van een aansteker tot ontploffing te brengen. Daarnaast blijkt uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte dat zijn telefoon op 18 november 2025 om 01:27 uur uitstraalde op de plaats delict en rond 02:25 uur op het adres van de verdachte. Dit wordt bevestigd door de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van de verdachte. Uit het onderzoek aan de telefoon volgt verder dat op 18 november 2025 om 01:23 uur met de telefoon van de verdachte is gezocht in Apple Maps op de [adres 3] in Hillegom . Hierbij stond het adres [adres 1] te Amsterdam . De verdachte stond ingeschreven op het adres [adres 1] . Ook blijkt uit dit onderzoek dat de telefoon van de verdachte contact had met de gebruiker van het Snapchataccount " [account] ", die de gebruiker van de telefoon van de verdachte op 18 november 2025 aanstuurde en een taxi heeft geregeld. Uit het onderzoek naar deze taxirit is gebleken dat er op 18 november 2025 om 00:57 uur een rit is geboekt van de [adres 4] in Amsterdam naar de [adres 5] in Hillegom . De woning van de verdachte ligt om de hoek van de [adres 4] in Amsterdam en de [adres 5] ligt om de hoek bij de [adres 3] te Hillegom .

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 18 november 2025 om 01:56 uur een videogesprek heeft gevoerd met zijn begeleider [naam 2] .

De rechtbank acht het, gelet op deze bevindingen, aannemelijk dat de telefoon van de verdachte op het moment van de voorbereiding en uitvoering van het feit door de verdachte zelf werd gebruikt. Daartoe is het volgende redengevend.

De telefoon van de verdachte straalde voorafgaand aan de ontploffing aan in de buurt van het adres van de verdachte, er is op die telefoon gezocht naar de route vanaf het adres van de verdachte naar het adres in Hillegom, de taxirit is geboekt vanaf een adres dat om de hoek ligt van de woning van de verdachte naar het adres in Hillegom en de telefoon straalt later die nacht weer aan rondom het adres van de verdachte. Met de telefoon van de verdachte zijn beelden gemaakt van de poging om een explosief bij de deur van de [adres 3] in Hillegom tot ontploffing te brengen.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij om 01:56 uur die nacht zelf een videogesprek met zijn begeleider [naam 2] heeft gevoerd. Gevraagd naar het late tijdstip heeft hij gedetailleerd toegelicht waarom hij wist dat hij op dat tijdstip zonder problemen zijn begeleider nog kon bellen. De verdachte was op dat moment dus de gebruiker van de telefoon. De videobeelden van de ontploffing waren op dat moment al gemaakt. Zijn latere verklaring dat hij pas op 19 november zijn telefoon terugkreeg en toen hij die opende, de beelden zag en 112 belde, staat hier haaks op. Ter zitting heeft de verdachte hiervoor desgevraagd geen uitleg kunnen geven. De verdachte heeft evenmin een verklaring kunnen geven voor de uitgaande gesprekken die kort vóór en kort na het gesprek van 01:56 uur met diezelfde [naam 2] zijn gevoerd.

Gelet op het voorgaande is het door de verdachte geschetste scenario dat hij zijn telefoon op 18 november 2025 had uitgeleend en pas op 19 november 2025 weer heeft teruggekregen, niet aannemelijk en wordt dit alternatieve scenario van de verdachte daarom terzijde geschoven.

Conclusie

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

De rechtbank kan op grond van de inhoud van het dossier echter niet vaststellen dat door de poging tot ontploffing tevens levensgevaar voor een ander te duchten is geweest. Daarom zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Dagvaarding II: 10-322900-25

Niet ter discussie staat dat de verdachte op 19 oktober 2025 bij de [adres 6] in Rotterdam , waar massage- en schoonheidssalon ' [bedrijf] ' is gevestigd, een ontploffing teweeg heeft gebracht. Als gevolg daarvan zijn de twee glazen deuren bij de ingang volledig vernield. Dat er door deze ontploffing gemeen gevaar voor goederen is ontstaan staat vast. Dat is door de verdediging ook niet betwist.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich, gelet op het gevoerde verweer, voor de vraag gesteld of door de ontploffing ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest, zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij is van belang of dit gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat sprake is geweest van te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het pand waartegen de ontploffing was gericht onderdeel uitmaakt van een groter woonblok. Boven het pand bevinden zich vijf verdiepingen met woningen. Daarnaast is dit pand gelegen nabij een grote rotonde die in verbinding staat met een drukke winkelstraat, waar zowel overdag als in de avond veel mensen aanwezig kunnen zijn. Op de camerabeelden is te zien dat direct na de ontploffing de vlammen tot aan de eerste verdieping van de bovenliggende woning reikten en dat er veel kracht vrijkwam door de explosie. Op de camerabeelden is ook te zien dat, nadat de verdachte het explosief heeft aangestoken en is weggerend en enkele seconden vóór het explosief tot ontploffing kwam, een witte auto op zeer korte afstand voor het pand voorbijreed. Naar het oordeel van de rechtbank was het dan ook voorzienbaar dat een dergelijke ontploffing niet alleen schade aan goederen kon veroorzaken, maar ook kon leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij personen die zich in de nabijheid bevonden. Dit gevaar bestond onder andere uit letsel door brandwonden, gehoorschade of rondvliegende scherven of ander materiaal, zoals blijkt uit de vakbijlage van het NFI.

De rechtbank kan echter, op grond van de inhoud van het dossier, niet vaststellen dat er door de ontploffing ook levensgevaar te duchten is geweest. De verdachte zal ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de ontploffing gemeen gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. De rechtbank acht het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I: 09-064131-26

hij op 18 november 2025 te Hillegom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten de woning aan de [adres 3] en naburige woningen en goederen die zich in die woningen bevonden en- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen aanwezige personen en voorbijgangers, te duchten was, doordat hij zich met een (geïmproviseerd) explosief naar de woning aan de [adres 3] heeft begeven en vervolgens een aansteker heeft ontstoken en heeft getracht het (geïmproviseerd) explosief aan te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Dagvaarding II: 10-322900-25

hij op 19 oktober 2025 te Rotterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief in de dichte nabijheid van het pand aan de [adres 6] te plaatsen en aan te steken waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en in voornoemd pand aanwezige goederen en in de omringende woningen/panden aanwezige goederen, te duchten was en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de aanwezige personen in de omringende woningen/panden en aanwezige personen nabij de [adres 6] , te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt opgeheven. In verband daarmee heeft de officier van justitie twee alternatieve strafeisen geformuleerd.

Indien de rechtbank het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis toewijst, heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van 194 dagen wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat daarvan een gedeelte van 104 dagen jeugddetentie voorwaardelijk wordt opgelegd.

Indien de rechtbank het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afwijst, heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat daarvan een gedeelte van 90 dagen jeugddetentie voorwaardelijk wordt opgelegd.

In beide strafeisen heeft de officier van justitie gevorderd aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van twee jaren te verbinden en de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om als bijzondere voorwaarden een meldplicht en elektronische controle op te leggen. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het advies van de Raad te volgen en aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke straf als stok achter de deur. De raadsvrouw heeft zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden en de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op 19 oktober 2025 schuldig gemaakt aan het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing bij een massage- en schoonheidssalon, waarbij schade aan het pand is ontstaan. Nog geen maand later, op 18 november 2025, heeft de verdachte geprobeerd opnieuw een ontploffing teweeg te brengen, ditmaal bij een woning. Dat deze ontploffing niet heeft plaatsgevonden, is niet aan het handelen van de verdachte te danken, maar aan het feit dat het gebruikte explosief niet is afgegaan. Het teweegbrengen van explosies is een ernstig feit. Dergelijke incidenten komen de afgelopen jaren regelmatig voor en worden vaak gepleegd met het doel om angst aan te jagen of personen onder druk te zetten. Dit leidt niet alleen tot schade en gevaar voor direct betrokkenen, maar veroorzaakt ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij bij deze ernstige feiten betrokken is geweest en daarbij geen oog heeft gehad voor de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Raad van 17 juli 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter terechtzitting is gegeven. Daaruit volgt, kort samengevat, dat sprake is van langdurige en complexe zorgen over de ontwikkeling van de verdachte. De verdachte kent een belast verleden en is meerdere keren in aanraking gekomen met politie en justitie. Zowel het algemene recidiverisico als het dynamische risicoprofiel worden door de Raad hoog ingeschat. De Raad ziet onder meer zorgen over de thuissituatie, het ontbreken van een stabiele dagbesteding en een duidelijk toekomstperspectief, het stagneren van de hulpverlening, de psychische gesteldheid van de verdachte en zijn moeite om zich aan afspraken, voorwaarden en toezicht te houden. Tegelijkertijd ziet de Raad dat de verdachte aangeeft zijn leven te willen veranderen en dat hij behoefte heeft aan structuur, duidelijkheid en perspectief voor de toekomst. De Raad vindt het daarom van belang dat op korte termijn duidelijkheid ontstaat over het toekomstperspectief van de verdachte. Daarvoor is het noodzakelijk dat de dagbesteding bij E25 wordt voortgezet en dat zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar een passende woonvoorziening, waar de benodigde behandeling en begeleiding kunnen worden geboden. Gelet op de ernst van de feiten, het justitiële verleden van de verdachte, het hoge recidiverisico en de zorgen over zijn ontwikkeling, adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen bijzondere voorwaarden te worden verbonden.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Deze oriëntatiepunten gaan bij feiten als de onderhavige in beginsel uit van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de eerste strafeis van de officier van justitie geen verdere bespreking behoeft. Ter terechtzitting van 23 juli 2026 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Deze beslissing is neergelegd in een afzonderlijke opgemaakte beschikking, waarbij de schorsing - met wijziging van enkele daaraan verbonden voorwaarden - is gehandhaafd.

De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt ertoe dat de rechtbank een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden vindt. De rechtbank zal aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (90 dagen). Van deze straf zal een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank bepaalt dat aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad geadviseerde en door de officier van justitie aanvullend gevorderde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Met dit voorwaardelijke strafdeel wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Dadelijke uitvoerbaarheid De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, het rapport van de Raad en de toelichting van de deskundige ter terechtzitting, waaruit volgt dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de verdachte en een hoog risico op herhaling, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de schadevergoedingsmaatregel (10-322900-25)

[benadeelde] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door [naam 3] van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 18.638,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 16.638,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.494,49, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van gemiste inkomsten heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat hij vanwege het tijdstip van indiening en de aard en omvang van de stukken onvoldoende tijd had zich daarin te verdiepen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, mede gelet op het late moment van indiening van de vordering en de grote hoeveelheid financiële stukken die zijn bijgevoegd. Subsidiair heeft de raadsvrouw de vordering inhoudelijk betwist.

Ten aanzien van de post ‘gemiste inkomsten’ heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze onvoldoende is onderbouwd en dat het causaal verband tussen de gevorderde schade en het ten laste gelegde feit ontbreekt. De post ‘glazen deuren’ is weliswaar onderbouwd met een factuur, maar het is volgens de raadsvrouw onduidelijk of dit bedrag reeds door de verzekering is vergoed. Deze schadepost dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat ook deze post onvoldoende is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dient te worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de post ‘gemiste inkomsten’ niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw hebben er op gewezen dat een correcte beoordeling van deze post grondige bestudering vergt van de bijgevoegde financiële stukken en dat daarvoor, nu de vordering eerst de middag vóór de zitting is ingediend, niet genoeg tijd is geweest. De rechtbank zal hen daarin volgen; voor voorbereiding van een gemotiveerd standpunt over deze schadepost is onvoldoende gelegenheid geweest. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘glazen deuren’, is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bij dagvaarding II bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vertegenwoordiger van de benadeelde partij heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat deze schade niet door een verzekeraar is vergoed. De rechtbank zal deze schadepost dan ook toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 1.494,49, te weten de gevorderde schade exclusief de BTW.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is vergoeding mogelijk van ander nadeel dan vermogensschade. Op grond van lid 1 aanhef en onder b van voornoemd artikel is daarvoor onder andere plaats bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze.

Op grond van de onderbouwing van de schade en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. De ontploffing was gericht op het bedrijf van de benadeelde partij. Uit de aard en de omstandigheden van het feit volgt dat de benadeelde partij hierdoor in haar persoonlijke levenssfeer is geraakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de overgelegde verklaring van de huisarts blijkt dat de benadeelde partij zich na het bewezen verklaarde feit tot de huisarts en de praktijkondersteuner heeft gewend vanwege aanhoudende hoofdpijn, slaapproblemen en psychische klachten. Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft gehad, de onderbouwing van de vordering en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, acht de rechtbank vergoeding van immateriële schade tot het gevorderde bedrag billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 2.000,- daarom volledig toewijzen.

Totaal toegewezen

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 3.494,49, bestaande uit € 1.494,49 ter vergoeding van materiële schade en € 2.000,- ter vergoeding van immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding II bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 3.494,49, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 oktober 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging (09-112391-25)

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-112391-25 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 4 juli 2025 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 30 uren ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging gelasten van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 juli 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, omdat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

Dagvaarding I (09-064131-26):

medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Dagvaarding II (10-322900-25):

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 150 (HONDERDVIJFTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 90 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 60 (ZESTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt bij William Schrikker Jeugdbescherming Jeugdreclassering te Rotterdam op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

2. gedurende de proeftijd zal meewerken aan plaatsing binnen de woongroep van [instelling] of een soortgelijke voorziening, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

3. gedurende de proeftijd zal meewerken aan behandeling en/of begeleiding door E25 of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

4. tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig is op de navolgende locatie: [adres 2] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met een maximale duur van zes maanden, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde. Gedurende de uren van de avondklok mag de veroordeelde de woning enkel onder begeleiding van een ouder en/of een door de jeugdreclassering aan te wijzen volwassene verlaten. De jeugdreclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk achten;

5. gedurende de proeftijd een passende dagbesteding heeft en behoudt in de vorm van onderwijs, werk of een andere door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding;

geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming Jeugdreclassering te Rotterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen;

beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 3.494,49 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag van € 3.494,49, bestaande uit € 1.494,49 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 oktober 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 3.494,49, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de vordering tenuitvoerlegging (09-112391-25)

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer 09-112391-25;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis inzake dagvaarding I (09-064131-26) en dagvaarding II (10-322900-25) van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.M. Meijers, kinderrechter,

en mr. C.M. Koole, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.J. van Heel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand