ECLI:NL:RBDHA:2026:22124

ECLI:NL:RBDHA:2026:22124

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-07-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer NL25.58578
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel Syrië - voldoende gemotiveerd dat problemen vanwege associatie met familieleden die officier waren onder Assad, niet geloofwaardig zijn - niet onderbouwd dat problemen ontstaan aan de grens alleen al vanwege familienaam - onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van lagere gradatie willekeurig geweld 15c, omdat onvoldoende actuele informatie over humanitaire omstandigheden is betrokken - ook individuele omstandigheden onvoldoende betrokken in 15c beoordeling - beoordeling 3 EVRM onvolledig - beroep gegrond

Uitspraak

[eiser], eiser,

v-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.

Eiser heeft op 1 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 28 november 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 maart 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen H. Rida.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2015 heeft verlaten en dat hij bij terugkeer vreest voor geweld. Eiser heeft ook verklaard dat zijn achterneven, waarvan er één dezelfde voor- en achternaam heeft als eiser, hebben gewerkt als officier in het leger onder het regime van Assad. Deze achterneven zijn gedetineerd na de val van Assad. In 2025 is een andere neef van eiser bij terugkeer naar Syrië opgepakt en gedetineerd, vanwege de familiebanden met de voormalige officieren. Eiser is bang dat hem ook zal worden toegedicht banden met Assad te hebben en daardoor in de problemen te komen bij terugkeer naar Syrië.

Eiser heeft nadat het bestreden besluit is genomen nog een beroep ingediend, wat is geregistreerd onder zaaknummer NL26.13552. Dit beroep heeft eiser ter zitting ingetrokken.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. de problemen van eiser vanwege het zijn van een familielid van officier(en) die diende(n) onder Assad.

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiser problemen zal ondervinden vanwege zijn associatie met familieleden die dienden als officier onder Assad. De familieband met deze achterneven is onvoldoende onderbouwd en eiser heeft weinig informatie verstrekt over de functie(s) die de achterneven hadden in het leger en over de omstandigheden van hun detentie. Eiser heeft niet geprobeerd om daar meer informatie of bewijsstukken over te verkrijgen en verkeert hierbij niet in bewijsnood. Eiser kan ook niet aangeven waarom zijn neef bij terugkeer naar Syrië is gearresteerd en wat er met hem is gebeurd. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt op basis waarvan de door de familie ingeschakelde advocaat heeft aangegeven dat de neef is gedetineerd vanwege zijn familienaam. Ten slotte heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten grenscontroles houden en dat zij daarbij personen aanhouden enkel op basis van hun achternaam. De overgelegde kopie van de militaire pas van eisers achterneef en de verklaring van een Syrische advocaat over de aanhouding van eisers neef, zijn onvoldoende om het asielmotief objectief vast te kunnen stellen.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Uit het beleid van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld is laag in Aleppo. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risicoverhogende individuele omstandigheden aangevoerd.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser ook niet te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Syrië. De humanitaire situatie is volgens verweerder niet gerelateerd aan een lopend wijdverspreid gewapend conflict, waardoor eiser moet voldoen aan de hogere lat van het arrest Sufi en Elmi. Eiser heeft geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat hij daaraan voldoet.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn asielmotief niet geloofwaardig zou zijn. Eiser heeft informatie opgevraagd bij zijn vader, heeft concreet verklaard over de familierelatie en de gebeurtenissen en heeft documenten overgelegd om te onderbouwen dat zijn achterneven officieren waren voor Assad en dat zijn neef is opgepakt op basis van de familienaam en (toegedichte) associatie met Assad. Daarmee heeft eiser voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Verweerder hanteert een onredelijke bewijslast en houdt er onvoldoende rekening mee dat eiser nooit direct contact heeft gehad met zijn achterneven, dat hij al lang weg is uit Syrië en dat informatie over het Syrische leger en arrestaties niet makkelijk is te verkrijgen.

Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De kwalificatie dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld komt niet overeen met de situatie in Aleppo, waar nog regelmatig gevochten wordt. Ook is verweerder onvoldoende ingegaan op de humanitaire omstandigheden in Syrië en heeft verweerder ten onrechte de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende betrokken in de 15c-beoordeling. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser gewezen op verschillende passages uit het rapport van UNHCR over Syrië van mei 2026. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Syrië.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.

Het bHeaeroep niet tijdig beslissen

6. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.

Eiser heeft verweerder met de brief van 11 november 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna is één week verstreken voordat eiser op 28 november 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 5 maart 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.

Mocht verweerder vinden dat het asielmotief niet geloofwaardig is?

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft toegelicht en verduidelijkt op basis waarvan de conclusie is getrokken dat het niet geloofwaardig is dat eiser problemen heeft vanwege zijn associatie met familieleden die dienden als officier onder Assad. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn familieleden officiers waren, dat zij opgepakt zijn en dat er controles plaatsvinden aan de grens waarbij personen al vanwege hun achternaam kunnen worden opgepakt – zoals zijn neef zou zijn overkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de gestelde problemen van eiser niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft niet onderbouwd dat er aan de grenscontroles plaatsvinden waarbij hij al vanwege zijn familienaam zou worden geassocieerd met de voormalig officieren en daardoor in de problemen zou komen. Eiser heeft geen landeninformatie of bronnen overgelegd om te onderbouwen dat dit soort controles plaatsvinden en dat de autoriteiten of anderen die de controles zouden uitvoeren beschikken over (een) informatie(systeem) die hen in staat stelt om personen op naam te koppelen aan familieleden die onder Assad werkten. Eiser heeft dit ook niet middels zijn verklaringen aannemelijk gemaakt, nu hij hier niet gedetailleerd of uitgebreid over heeft kunnen verklaren. Ook over de gestelde problemen die zijn neef heeft ervaren bij terugkeer naar Syrië vanwege de familienaam, heeft eiser niet in detail kunnen verklaren. De brief die eiser heeft overgelegd waarin een Syrische advocaat aangeeft dat eisers neef is opgepakt vanwege zijn naam en de associatie met de voormalig officieren, biedt geen toelichting of achtergrond over de plaats en omstandigheden waar(onder) de arrestatie heeft plaatsgevonden en hoe de advocaat deze informatie heeft verkregen. Het overleggen van de brief maakt het geheel daarom niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, nu de in het besluit verrichte 15c-beoordeling niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de individuele omstandigheden van eiser en de meest actuele informatie over de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken.

Verweerder heeft op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op informatie uit de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de 15c-beoordeling als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling. Verweerder heeft daarbij in het algemeen gewezen op het ambtsbericht over Syrië van januari 2026 en op passages uit de Country Guidance Syria van EUAA en een rapport van UK Home Office van juli 2025. Verweerder heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de individuele omstandigheden van eiser geen risicoverhogende factoren zijn.

Ten aanzien van het betrekken van de humanitaire omstandigheden in de 15c-beoordeling overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Maar, mede gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met verwijzingen naar verouderde informatie en een algemene verwijzing naar het ambtsbericht. Met deze algemene verwijzingen kan de rechtbank bovendien niet nagaan welke humanitaire omstandigheden verweerder heeft betrokken en op basis van welke informatie verweerder tot de conclusie is gekomen dat de omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gelaten door partijen die actief zijn bij een gewapend conflict. De beroepsgrond slaagt.

De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van individuele omstandigheden die maken dat eiser een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft erop gewezen dat zijn familie in Turkije is en dat hij zou terugkeren naar Syrië zonder netwerk, woning, werk of vangnet. Verweerder heeft deze omstandigheden niet kenbaar betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarom niet op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van risico verhogende omstandigheden. De beroepsgrond slaagt.

Artikel 3 van het EVRM

9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.

Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade hoger.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er pas sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EHRM wanneer is voldaan aan de hogere lat van "very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling".Verweerder verwijst daarbij naar het arrest SHH. De humanitaire situatie in Syrië is volgens verweerder namelijk niet gerelateerd aan een lopend wijdverspreid gewapend conflict en daarom betreft het een andere situatie dan in Sufi en Elmi. Volgens verweerder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd waarmee de hoge lat wordt gehaald.

De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’Verweerder heeft in het kader van deze beoordeling niet verwezen naar enige informatie ter onderbouwing dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is veroorzaakt door de strijdende partijen. De rechtbank merkt daarbij op dat in de besluitvorming de 15c-beoordeling en de beoordeling van artikel 3 van het EVRM dusdanig door elkaar lopen dat niet duidelijk is welke aspecten van de humanitaire situatie verweerder heeft betrokken in beide beoordelingen.

Ten tweede is de rechtbank van oordeel dat verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende heeft gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. De rechtbank wijst er ook in dit kader opnieuw op dat verweerder zijn conclusie niet kenbaar heeft gebaseerd op informatie over de (humanitaire) situatie in Syrië. Bovendien heeft verweerder de individuele omstandigheden van eiser niet kenbaar betrokken in dit onderdeel van de beoordeling.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

10. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.

11. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit nemen met inachtneming daarvan.

12. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-.

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand