ECLI:NL:RBDHA:2026:22126

ECLI:NL:RBDHA:2026:22126

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer NL26.6231 en NL26.6232
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel Pakistan - Ahmadi - anders dan verweerder stelt, heeft eiser met het overleggen van het certificaat van de Ahmadiyya Moslim Djamaat aannemelijk gemaakt dat hij behoort tot de Ahmadi gemeenschap - Informatiebericht 2023/88 - geloofwaardigheidsbeoordeling vol getoetst, n.a.v. arrest Eblium - beroep gegrond.

Uitspraak

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

v-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.

Eiser heeft op 19 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen S. Singh. Aan de zitting hebben ook twee personen deelgenomen die door de rechtbank zijn gehoord op verzoek van eiser: [naam 1] en [naam 2] .

Tijdens de behandeling ter zitting is gebleken dat verweerder door eiser overgelegde stukken wenste te onderzoeken. Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst, heeft verweerder op 1 mei 2026 een aanvullend besluit genomen. Het beroep ziet van rechtswege ook op dit besluit.

Eiser heeft op 12 mei 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft hier bij verweerschrift van 15 juni 2026 op gereageerd. Op het verzoek van de rechtbank of partijen nog een nadere behandeling van de zaak op zitting wensen, heeft verweerder niet gereageerd. Eiser heeft aangegeven - mits aan bepaalde voorwaarden werd voldaan - geen behoefte te hebben aan een nadere behandeling van de zaak op zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ter grondslag gelegd dat hij behoort tot de Ahmadi geloofsgemeen-schap en bij terugkeer naar Pakistan slachtoffer vreest te worden van geweld gericht tegen Ahmadi.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Eiser behoort tot de Ahmadi geloofsgemeenschap.

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiser behoort tot de Ahmadi geloofsgemeen-schap. Op het paspoort van eiser staat als religie Islam – en niet Ahmadi – vermeld. Verweerder vindt dat eiser ook met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij Ahmadi is. Eiser heeft weinig kennis over het geloof, terwijl hij verklaart al tientallen jaren dagelijks te praktiseren. Ook heeft eiser oppervlakkig verklaard waarom het uiten en belijden van het geloof belangrijk voor hem is en hoe hij dit wenst te doen in Nederland en bij terugkeer naar Pakistan. Verweerder heeft ook tegengeworpen dat niet is in te zien dat eiser persoonlijk geen problemen heeft meegemaakt in de 43 jaar dat hij Ahmadi was en nu heeft besloten om Pakistan te verlaten. Gelet hierop is het door eiser overgelegde certificaat van de Ahmadiyya Moslim Djamaat onvoldoende bewijs van het behoren tot de Ahmadi gemeenschap.

Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Pakistan niet te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Vervolgens heeft verweerder Pakistan en, op basis van een removal order, Gambia aangewezen als landen van terugkeer.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser voert – kort samengevat – aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet geloofwaardig is dat hij onderdeel is van de Ahmadi geloofs-gemeenschap. Eiser heeft in beroep een certificaat overgelegd van de Ahmadiyya Moslim Djamaat, waarin is bevestigd dat eiser onderdeel is van de Ahmadi geloofsgemeenschap. Verweerder heeft het certificaat als echt beoordeeld, waardoor eiser volgens het beleid van verweerder heeft aangetoond dat hij Ahmadi is. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat in het paspoort ‘Islam’ staat vermeldt onder het kopje geloof. Ahmadi zien zichzelf immers als moslim en worden bij afgifte van documenten gevraagd aan te geven of zij moslim zijn of niet. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser zou beschikken over basale kennis van het geloof, nu verweerder niet heeft vastgelegd welke kennis verwacht kan worden van een Ahmadi en onvoldoende rekening heeft gehouden met de moeilijke situatie voor Ahmadi in Pakistan waarbij het verspreiden en opdoen van kennis over het geloof verboden is. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij geen problemen heeft ondervonden voorafgaand aan zijn vertrek. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht welke geloofshandelingen eiser wil verrichten en of dat leidt tot vervolging.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.

6. De rechtbank merkt ten eerste op dat in het arrest Ebilum van 4 juni 2026 het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen heeft dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die voorheen in asielzaken verrichtte, niet verenigbaar is met het Europese recht. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu in zijn geheel vol en zal de rechtbank niet langer beoordelen of verweerder zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.

Behoort eiser tot de Ahmadi geloofsgemeenschap?

7. De rechtbank stelt vast dat eiser een certificaat heeft overgelegd van de Ahmadiyya Moslim Djamaat (hierna: de Djamaat) om te onderbouwen dat hij Ahmadi is. In het certificaat bevestigt de Djamaat dat eiser onderdeel is van de Ahmadi geloofsgemeen-schap. Verweerder heeft het certificaat laten verifiëren door TOELT, wat het certificaat echt heeft bevonden.

Tot zo ver komt deze gang van zaken overeen met de werkwijze zoals beschreven in het beleid van verweerder. Informatiebericht 2023/88 beschrijft de afspraken tussen verweerder en de Djamaat en zet uiteen hoe om te gaan met door de Djamaat afgegeven certificaten in de beoordeling van asielaanvragen van (gesteld) Ahmadi. Het informatiebericht zet onder meer uiteen dat de Djamaat – via de lokale Ahmadiyya gemeenschap in Pakistan – onderzoekt of iemand met de Pakistaanse nationaliteit daadwerkelijk tot de geloofsgemeenschap behoort. Als het onderzoek heeft bevestigd dat iemand lid is van de Ahmadi gemeenschap in Pakistan, geeft de Djamaat daartoe ter bevestiging een certificaat af. Het informatiebericht vermeldt verder:

“Bekend is namelijk dat de Ahmadiyya Moslim Djamaat uitgebreid onderzoek doet. Bekend is ook dat als een persoon pas in Nederland is bekeerd, geen certificaat zal worden afgegeven voordat er een verblijfsvergunning is afgegeven.

De IND zal hoe dan ook zelf op basis van het asielrelaas nog moet beoordelen of de verklaringen van de vreemdeling geloofwaardig worden geacht. De certificaten zien enkel op personen met de Pakistaanse nationaliteit die in Pakistan tot de Ahmadiyya gemeenschap behoren. En in de certificaten is enkel vermeld dat iemand lid is van de Ahmadi geloofsgemeenschap. Er staat geen informatie vermeld over of iemand al vanaf geboorte behoort tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap, of zich in Pakistan heeft bekeerd. Ook als het lidmaatschap van de Ahmadiyya gemeenschap wordt bevestigd, kan de IND nog twijfelen aan de aannemelijkheid van het relaas van de vreemdeling en/of de oprechtheid van diens bekering (indien daar sprake van is). Daarom is het van belang om in het nader gehoor door te vragen over de beleving van het geloof, de eventueel ondervonden problemen en de vrees voor vervolging bij terugkeer.”

De rechtbank merkt ten overvloede op dat het Informatiebericht 2023/88 een update is van het Informatiebericht 2020/118. Dit voorgaande informatiebericht biedt verder inzicht in de achtergrond bij de afspraken tussen verweerder en de Djamaat. Het voorgaande informatiebericht vermeldde:

“Indien na onderzoek door de Ahmadiyya Moslim Djamaat wordt vastgesteld dat de betreffende vreemdeling wel lid is van de Ahmadiyya gemeenschap, zal dit lidmaatschap in beginsel door de IND gevolgd worden. Bekend is namelijk dat zij zorgvuldig onderzoek doen en er geen baat bij hebben niet-ahmadi’s tot hun gelederen toe te laten. Dit laat echter onverlet dat de IND op basis van het asielrelaas nog moet beoordelen of, in geval van een bekering naar het ahmadi- geloof, de verklaringen van de vreemdeling geloofwaardig worden geacht.

[…]

Er kan hierom door de IND alsnog getwijfeld worden aan de aannemelijkheid van het relaas van de vreemdeling en de oprechtheid van diens bekering (indien daar sprake van is), ook als het lidmaatschap van de Ahmadiyya gemeenschap geloofwaardig wordt geacht.”

Uit het Informatiebericht 2023/88 blijkt niet dat verweerder niet meer van het bovenstaande uit gaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig zou zijn dat eiser tot de Ahmadi geloofsgemeenschap behoort. Gelet op de hierboven uitgelichte uitgangspunten in het Informatiebericht 2023/88 en de achtergrond bij de afspraken met de Djamaat, kan de rechtbank verweerder niet volgen in de stelling dat eiser met het overleggen van het certificaat nog niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij Ahmadi is. De rechtbank overweegt dat uit het beleid van verweerder namelijk volgt dat met het overleggen van het certificaat (na verificatie door TOELT) aannemelijk is dat een vreemdeling tot de Ahmadi geloofsgemeenschap behoort. Anders dan verweerder betoogt, dient verweerder in een dergelijke situatie er vanuit te gaan dat de vreemdeling behoort tot de Ahmadi geloofsgemeenschap. Verweerder kan natuurlijk daarna nog een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van de overige asielmotieven en de rest van het asielrelaas; bijvoorbeeld ten aanzien van wat de vreemdeling stelt te hebben meegemaakt en ten aanzien van hoe hij het geloof heeft beleden en wenst te belijden bij terugkeer.

Nu eiser het certificaat van de Djamaat heeft overgelegd, daarin wordt bevestigd dat hij tot de Ahmadi geloofsgemeenschap behoort en TOELT het certificaat heeft geverifieerd, is de rechtbank van oordeel dat (het geloofwaardig is dat) eiser tot de Ahmadi gemeenschap behoort. Hetgeen verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken over het kennisniveau van eiser en over wat hij al dan niet heeft meegemaakt in Pakistan – wat er ook van die motivering zij – hoort thuis in de beantwoording van de vraag hoe eiser zijn geloof wenst te uiten en belijden bij terugkeer naar Pakistan en wat hem dan te wachten zou staan. Dat onderdeel van de motivering doet echter niet af aan de geloofwaardigheid van het behoren tot de Ahmadi geloofsgemeenschap, wat immers is aangetoond met het certificaat.

8. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser opnieuw zal moeten beoordelen en er daarbij vanuit moet gaan dat eiser Ahmadi is. De rechtbank ziet, met inachtneming van het arrest Ebilum, geen aanleiding om zelf een oordeel te vellen over de vraag of eiser te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Pakistan. Verweerder heeft immers deze vraag nog niet onderzocht en beoordeeld, waardoor de rechtbank niet over voldoende informatie en een volledig onderzoek beschikt om een uitputtende en actuele beoordeling te kunnen maken van de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade.

Gelet op het voorgaande is het beroep al gegrond en zal de rechtbank de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank komt daarom niet toe aan het bespreken van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank de bestreden besluiten vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

10. Omdat het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.802,-.

11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand