[verzoeker], verzoeker,
v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verweerder heeft op 25 juni 2026 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd en verzoeker verplicht om, met ingang van 6 juli 2026, te verblijven in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) te Westerwolde.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarbij ook dit (spoed)verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft de Liberiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Bij de afwijzing van zijn asielaanvraag is aan verzoeker voorlopig uitstel van vertrek verleend op medische gronden. Bij besluit van 29 januari 2026 heeft verweerder aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd en hem bericht dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 64 van de Vw en dat hij niet langer rechtmatig verblijf heeft. Verzoeker heeft daar bezwaar tegen ingesteld. Op 25 juni 2026 is aan verzoeker de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker is het niet eens met de oplegging van de maatregel en heeft daartegen beroep ingesteld. Hij heeft ook een voorlopige voorziening ingediend waarin hij de voorzieningenrechter verzoekt om verweerder te verbieden verzoeker over te plaatsen naar de VBL zolang er nog geen uitspraak is gedaan op zijn beroep tegen de maatregel. Verzoeker vindt dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en de maatregel dus niet op mocht leggen. Ook vindt verzoeker dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd dat er geen minder ingrijpende maatregel beschikbaar was en dat verweerder onvoldoende de medische omstandigheden van verzoeker heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op zijn beroep. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van een spoedeisend belang. Immers wordt op 6 juli 2026 – de dag waarop eiser om een voorlopige voorziening heeft verzocht – uitvoering gegeven aan de opgelegde maatregel en wordt verzoeker overgeplaatst naar de VBL.
Valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit?
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het oordeel in deze zaak een voorlopig karakter heeft en dat dit de rechtbank in de beroepszaak niet bindt. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat deze spoedprocedure zich niet leent voor een diepgaand inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een belangenafweging.
6. Verzoeker vindt het belangrijk om in de reguliere asielopvang te blijven, omdat hij verwacht medische vervolgafspraken te hebben in de regio van de opvang waar hij nu verblijft (te weten: [plaats]) en omdat hij daar de kerk bezoekt. Daarbij meent eiser dat zijn belangen te meer zwaar wegen nu de bestreden maatregel onvoldoende is gemotiveerd.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd, gelet op de betrokken belangen, geen reden om de gevraagde voorziening te treffen. Verzoeker heeft de door hem nu aangevoerde belangen ook al in zijn zienswijze aangevoerd en verweerder is hier in de maatregel uitdrukkelijk op ingegaan. Verweerder heeft er in de maatregel terecht op gewezen dat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat ook elders in het land de door eiser benodigde medische zorg voorhanden is. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom niet van dit uitgangspunt zou kunnen worden uitgegaan. Ook heeft verweerder terecht erop gewezen dat zich ook in de omgeving van de VBL kerken bevinden, zodat verzoeker zijn geloof kan blijven uitoefenen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is op 6 juli 2026 telefonisch medegedeeld aan partijen. De uitspraak is bekendgemaakt op: 6 juli 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.