RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/701976 / HA RK 26-191
Beschikking van 3 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING BEDRIJFSVERZAMELGEBOUW DE COMPAGNIE te Rijswijk,
verzoekster,
advocaat: mr. G.L. van Weverwijk.
1. De procedure
Het verzoekschrift met producties 1 tot en met 21 is op 20 maart 2026 ter griffie ontvangen.
Op 30 april 2026 heeft de rechtbank aan verzoekster meegedeeld dat zij ernaar neigt om het subsidiaire verzoek toe te wijzen en verzoekster in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij prijsstelt op een mondelinge behandeling. Bij e-mail van 5 mei 2026 heeft verzoekster kenbaar gemaakt dat zij op haar verzoek gehoord wil worden.
Op 22 juni 2026 is het verzoek tijdens de mondelinge behandeling besproken. De advocaat van verzoekster heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Die spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier.
Op 29 juni 2026 heeft verzoekster een akte uitlating ingediend.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Verzoekster verzoekt de rechtbank bij beschikking:
primair:
I. machtiging te verlenen om verzoekster, conform het in productie 16 opgenomen ontwerp van de akte van omzetting en statutenwijziging, om te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;
II. toestemming te geven aan verzoekster voor het na de omzetting anders besteden van het vermogen dat verzoekster bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan (ex artikel 2:18 lid 6 BW), in die zin dat het vermogen ten tijde van de omzetting na de omzetting niet als beklemd zal hebben te gelden;
III. te bepalen dat in de statuten van verzoekster kan worden opgenomen dat het beklemd vermogen als ontklemd heeft te gelden; en
IV. deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
althans subsidiair:
I. machtiging te verlenen om verzoekster, conform het in productie 16 opgenomen ontwerp van de akte van omzetting en statutenwijziging, om te zetten in een besloten vennootschap;
II. te bepalen dat in de statuten van verzoekster bij en na omzetting zal worden opgenomen dat verzoekster een statutaire omzettingsreserve heeft gelijk aan het eigen vermogen van verzoekster ten tijde van de omzetting, aangevuld met een statutaire bepaling dat het bedrag van de omzettingsreserve bij liquidatie in overeenstemming met het voormalige stichtingsdoel zal worden besteed; en
III. deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Aan het verzoek heeft verzoekster het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekster is in 2013 opgericht en exploiteert een bedrijfsverzamelgebouw in de wijk [wijk] in Rijswijk. De bestuurders van verzoekster zijn de heer [bestuurder 1] en mevrouw [bestuurder 2]. [bestuurder 2] nam destijds het initiatief voor de oprichting van verzoekster en heeft zich als ondernemer volledig ingezet om het bedrijfsverzamelgebouw tot een succes te maken. Onder haar leiding heeft verzoekster een vermogen van inmiddels ruim € 200.000 opgebouwd. Bij de oprichting is er echter (te) weinig aandacht besteed aan de juridisch vormgeving van de onderneming en de ondernemingsbeloning van [bestuurder 2]. Verzoekster is namelijk geen traditionele stichting, zij heeft immers geen ideëel doel en heeft nooit schenkingen ontvangen, gedaan of liefdadigheidswerk verricht. De rechtsvorm is gekozen op aandringen van een geldschieter die een lening heeft verstrekt waarmee verzoekster kon worden opgestart. De lening is inmiddels afgelost en de geldschieter heeft geen bemoeienis meer met verzoekster. Gelet op de commerciële aard van verzoekster is de rechtsvorm van stichting nooit passend geweest. Daarbij beperkt de doelstelling – die is afgebakend tot de wijk [wijk] – [bestuurder 2] om op een andere locatie een nieuwe onderneming te starten omdat zij het stichtingsvermogen binnen de doelstelling moet aanwenden. Verzoekster wil met de omzetting en de ontklemming van het beklemde vermogen de situatie in lijn brengen met hoe die bij de oprichting was beoogd: een commerciële onderneming waarbij [bestuurder 2] de vrijheid heeft om het vermogen naar eigen goeddunken vrijelijk aan te wenden.
Verzoekster heeft de volgende op grond van het procesreglement vereiste stukken overgelegd:
een actueel uittreksel uit het handelsregister van de om te zetten rechtspersoon;
een kopie van de huidige statuten van de om te zetten rechtspersoon;
de notariële (ontwerp)akte van mr. C.P. van Liempdt met daarin de statuten van de rechtspersoon, zoals deze na omzetting zullen luiden;
de notulen van 10 maart 2026, met daarin het besluit tot omzetting en tot wijziging van de statuten.
3. De beoordeling
De machtiging tot omzetting wordt verleend
Uit de stukken maakt de rechtbank op dat met inachtneming van de toepasselijke wettelijke en statutaire regels tot omzetting en statutenwijziging is besloten en dat het verzoek aan de wettelijke vereisten voldoet. Van enige aanleiding om de machtiging te weigeren is niet gebleken. Het verzoek tot omzetting zal daarom worden toegewezen.
Geen toestemming voor ontklemming van het stichtingsvermogen
Op grond van artikel 2:18 lid 6 moet na omzetting van een stichting uit de statuten blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven.
De rechtbank stelt voorop dat de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak geen concrete gezichtspunten formuleren die een leidraad bieden voor de beoordeling van een verzoek ex artikel 2:18 lid 6 BW. De wetgever heeft bij wijziging van artikel 2:18 BW – waarbij de huidige vormgeving van de rechterlijke tussenkomst voor ontklemming tot stand is gekomen – laten doorklinken dat grote terughoudendheid geboden is bij de toewijzing van verzoeken tot ontklemming. Vermogen dat is opgebouwd tijdens de periode dat de rechtspersoon de gedaante van de stichting had, dient na omzetting in (zoals in dit geval) de besloten vennootschap strikt conform de doelstelling van de stichting besteed te worden. Alleen in uitzonderingsgevallen zal de rechter kunnen toestaan dat het beklemd vermogen mag worden ontklemd. Of dergelijke uitzonderingsvallen zich strikt beperken tot situaties waarin het statutaire doel vóór de omzetting gewijzigd had mogen worden op een wijze dat besteding van het vermogen waarvoor nu toestemming wordt verzocht mogelijk zou zijn laat de rechtbank hier in het midden. In dit geval is geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat ontklemming moet worden toegestaan. Het navolgende dient ter onderbouwing van dat oordeel.
De statutaire doelstelling van verzoekster, die luidt:
de oprichting, instandhouding en exploitatie van een bedrijfsverzamelgebouw in de wijk [wijk] (Rijswijk).
het ontplooien van activiteiten die het onderlinge contact tussen ondernemers in [wijk] en omgeving en ondernemende Leeuwendalers te bevorderen.
het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn
geeft niet evident de indruk dat hier sprake is geweest van een niet gewenste, ongelukkige rechtsvormkeuze ten tijde van de oprichting van de stichting. Daarbij moet bedacht worden dat er – vanzelfsprekend – sprake is geweest van notariële (en dus deskundige) tussenkomst bij de oprichting van de stichting. Dat, zoals verzoekster stelt, van meet af aan geen sprake is geweest van een ideële organisatie, kan de rechtbank niet goed volgen. In ieder geval geeft de statutaire doelomschrijving, in het bijzonder het hiervoor onder b. genoemde element, niet de indruk dat de stichting als een strikt commerciële organisatie bedoeld was. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat deze toch ideëel ogende (deel-)doelstelling in de dagelijkse gang van zaken bij de stichting gestalte heeft gekregen. Dat verzoekster nooit schenkingen heeft ontvangen of gedaan en nooit liefdadigheidswerk – daargelaten wat dat precies inhoudt – heeft verricht leidt niet zonder meer tot de conclusie dat evident sprake is geweest van een verkeerde en dus ongelukkige rechtsvormkeuze die niet aansloot bij de feitelijke activiteiten.
Het pand waarin het bedrijfsverzamelgebouw wordt geëxploiteerd zal worden gesloopt en de doelstelling staat niet toe dat er kan worden geïnvesteerd in een nieuwe pand buiten [wijk]. Nog daargelaten de vraag of een wijziging van de stichtingssstatuten (waartoe het bestuur van verzoekster – binnen zekere grenzen – bevoegd lijkt, art. 11 statuten) dit probleem niet zou kunnen verhelpen, plaatst verzoekster [bestuurder 2] op de voorgrond en stelt dat zij “feitelijk” het bedrijfsverzamelgebouw exploiteert en heeft geëxploiteerd, en dat zij vermogensrechtelijk nadeel zal ondervinden als het vermogen beklemd blijft. Die redenering kan de rechtbank niet volgen. De vraag die in deze verzoekschriftprocedure beantwoord moet worden is of het stichtingsvermogen beklemd moet blijven na omzetting in een kapitaalvennootschap, niet of het vermogen dat op naam van de stichting is gevormd “feitelijk” toebehoort aan [bestuurder 2]. Als dat het standpunt is van [bestuurder 2] zal zij daarover een discussie met de stichting moeten voeren. De rechtbank begrijpt dat de bedoeling is het stichtingsvermogen na de omzetting en de gewenste ontklemming aan te wenden voor de aankoop van een nieuw pand buiten [wijk] door de besloten vennootschap. Alle aandelen van de besloten vennootschap zullen (indirect) in handen zijn van [bestuurder 2]. Aldus is het plan het in beginsel beklemde vermogen van de stichting geheel aan te wenden voor een ander doel dan het stichtingsdoel. De rechtbank acht dat niet aanvaardbaar.
Gelet op het voornoemde concludeert de rechtbank dat zij geen toestemming kan geven om het vermogen dat verzoekster bij haar omzetting heeft en de vruchten daarvan (geheel of gedeeltelijk) anders te besteden dan in overeenstemming met het doel van de stichting. Als verzoekster meent dat haar vermogen niet meer kan worden aangewend in overeenstemming met haar huidige doel, dan valt te overwegen tot ontbinding van de stichting over te gaan.
De rechtbank zal het subsidiaire verzoek toewijzen en zal bepalen dat in de statuten van verzoekster bij en na omzetting dient te worden opgenomen dat verzoekster een statutaire omzettingsreserve heeft gelijk aan het eigen vermogen van verzoekster ten tijde van de omzetting. Deze reserve wordt na omzetting aan de passiefkant van
de balans geboekt als een afzonderlijke bijzondere reserve (wettelijk voorgeschreven statutaire reserve) onder het eigen vermogen.
4. De beslissing
De rechtbank
verleent verzoekster machtiging tot omzetting van zichzelf in een besloten vennootschap, die de naam Bedrijfsverzamelgebouw De Compagnie B.V. zal dragen en gevestigd zal zijn te Zevenhuizen, overeenkomstig het overgelegde ontwerp van de akte van omzetting met kenmerk 25.0111.01/CvL van mr. C.P. van Liempdt, notaris te Amsterdam;
bepaalt dat in de statuten van verzoekster bij en na omzetting zal worden opgenomen dat verzoekster een statutaire omzettingsreserve heeft gelijk aan het eigen vermogen van verzoekster ten tijde van de omzetting, aangevuld met een statutaire bepaling dat het bedrag van de omzettingsreserve bij liquidatie in overeenstemming met het voormalige stichtingsdoel zal worden besteed;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.
2184