ECLI:NL:RBDHA:2026:22136

ECLI:NL:RBDHA:2026:22136

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 08-08-2026
Zaaknummer C/09/687287 / FA RK 25-4673
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verzoek wijziging kinder- en partneralimentatie. Niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Alimentatie

Beschikking op het op 23 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H. Vosmeijer te Amstelveen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.K. Hartman te [geboorteplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 9 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt – met wijziging van het overeengekomen ouderschapsplan en de vaststellingsovereenkomst van 15 juli 2022 – met ingang van augustus 2023:

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Tijdens de zitting heeft de man zijn verzoek om te bepalen dat de vrouw het teveel betaalde aan kinderalimentatie terug dient te betalen ingetrokken.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben samengeleefd.

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats] .

- De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

- Door partijen is op 15 juli 2022 een vaststellingsovereenkomst en een ouderschapsplan ondertekend en is – voor zover hier van belang – een door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 154,- per maand en een partneralimentatie van € 278,- per maand. Ook is in het ouderschapsplan opgenomen dat de man maandelijks € 742,- betaalt op de kinderrekening van partijen waarvan ook kosten voor de kinderen worden voldaan.

Beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voorts kan op grond van artikel 1:401 lid 5 BW een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Ontvankelijkheid

Kinderalimentatie

De man beroept zich op het eerste en vijfde lid van artikel 1:401 BW. Dat sprake is van een relevante wijzigingsgrond, is tussen partijen in geschil.

De man stelt dat partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat het netto gezinsinkomen in 2022 € 4.998,- per maand bedroeg. Hieruit volgt een behoefte van de kinderen van € 1.247,- per maand. Vervolgens is overeengekomen dat, hoewel de vrouw toen niet over inkomen beschikte, zij zich garant stelt voor een eigen inkomen van € 1.000,- per maand. Bij het vaststellen van het netto gezinsinkomen is deze € 1.000,- abusievelijk opgeteld bij het netto gezinsinkomen en is een behoefte voor de kinderen van € 1.539,- vastgesteld. Ten onrechte zijn partijen als gevolg hiervan overeengekomen dat de man € 1.435,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen en de vrouw € 104,- per maand. Deze bijdragen voldoen aldus niet aan de wettelijke maatstaven. De man verzoekt wijziging hiervan. Daarnaast is sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat de vrouw een verdiencapaciteit heeft om een inkomen te genereren als dierenarts.

De vrouw stelt dat voor een wijziging op grond van artikel 1:401 eerste lid BW een zwaardere toets geldt ex artikel 1:159 lid 3 BW, aangezien partijen destijds bewust ten voordele van de kinderen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, omdat zij een hogere behoefte zijn overeengekomen. De bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven in die zin dat partijen het netto gezinsinkomen met € 1.000,- hebben vermeerderd, was een keuze van partijen en geen fout van de mediator. Op grond hiervan kan deze overeenkomst enkel worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan de overeenkomst kan worden gehouden. Hier is geen sprake van. De man heeft nagelaten zijn huidige inkomen in het geding te brengen en de draagkracht van de vrouw is niet noemenswaardig gewijzigd.

Bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat partijen in het ouderschapsplan het volgende hebben opgenomen:

“Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 4.998,- per maand, hebben de kinderen een behoefte aan kinderalimentatie van € 1.247,- per maand. Ouders zijn overeengekomen dat er een afwijkende berekening wordt gemaakt. Moeder heeft ten tijde van ondertekening van dit ouderschapsplan geen vast inkomen maar wil zich garant stellen om maandelijks € 1.000,- bruto eigen inkomsten te verwerven. Er is dan sprake van een netto gezinsinkomen van € 5.996,- en een behoefte aan kinderalimentatie van € 1.539,-.”

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn bij het opmaken van de afspraken zoals neergelegd in het ouderschapsplan bijgestaan door een mediator. Uit de bewoordingen van het ouderschapsplan leidt de rechtbank af dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven ten voordele van de kinderen. Het ligt dan op de weg van de man om te onderbouwen waarom deze afspraak indertijd is aangegaan met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De man heeft echter enkel aangevoerd dat deze afspraak achteraf bezien niet op deze manier tot stand had moeten komen en dat het bedrag van € 1.000,- niet bij de behoefte had moet worden opgeteld. De tekst van paragraaf 18 van het ouderschapsplan laat op dat punt echter niets aan duidelijkheid te wensen over en geeft nu juist aan dat dit een bewuste keuze van partijen is geweest. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd dat dit een fout betrof. Zijn beroep slaagt op dit punt daarom niet.

Wijziging van omstandigheden

Artikel 1:401, lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij

rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door

wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Indien

echter komt vast te staan dat partijen bij het maken van afspraken over de kinderalimentatie bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven is, naar analogie van artikel 1:159 lid 3 BW, wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie slechts mogelijk, indien aannemelijk is dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

Dat sprake is van een wijziging van omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De man stelt dat de vrouw inmiddels een hogere verdiencapaciteit heeft, omdat zij een academische opleiding heeft gevolgd tot dierenarts en in deze sector of een andere sector een hoog inkomen kan verdienen. Die stelling baat de man niet omdat dit op het moment waarop de afspraken tussen partijen tot stand kwamen, niet anders was. Ten tijde van het opmaken van het ouderschapsplan hebben partijen afgesproken dat de vrouw een verdiencapaciteit van € 1.000,- had. Zij zijn toen overeengekomen dat de vrouw een onderneming kon starten. De vrouw heeft aangetoond dat zij nog steeds ongeveer € 1.000,- per maand bruto verdient. Er is dus geen sprake van een wijziging van omstandigheden, zodat het beroep van de man op grond hiervan eveneens niet zal slagen.

Partneralimentatie

De man beroept zich ten aanzien van de partneralimentatie op het eerste lid van artikel 1:401 BW. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is tussen partijen in geschil.

De man onderbouwt zijn verzoek als volgt. Ten aanzien van de partneralimentatie zijn partijen in de vaststellingsovereenkomst uitgegaan van een netto gezinsinkomen van€ 4.941,- en een behoefte van de kinderen van € 1.247,- per maand. Door de behoefte van de kinderen in mindering te brengen op het netto gezinsinkomen, is de huwelijkse behoefte als 60% van dit bedrag vastgesteld op € 2.200,- netto per maand. Uitgaande van de draagkracht van de man is de partnerbijdrage van de man vastgesteld op € 278,- per maand, met ingang van 1 augustus 2022 voor maximaal vijf jaar, tot 1 augustus 2027. De man was niet gehouden een partnerbijdrage aan de vrouw te voldoen, maar om haar in de gelegenheid te stellen een eigen inkomen op te bouwen heeft hij zich onverplicht bereid verklaard een bijdrage aan de vrouw te voldoen. Inmiddels vermoedt de man dat het inkomen van de vrouw aanzienlijk is gestegen. Er is aldus sprake van een wijziging van omstandigheden. Conform de vaststellingsovereenkomst moet de vrouw de man hierover informeren, maar dit heeft zij nagelaten. De man stelt dat de vrouw niet meer behoeftig is en verzoekt daarom nihilstelling van de partnerbijdrage.

De vrouw voert primair aan dat de man niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat geen sprake is van een huwelijk. De man was dus op basis daarvan geen partneralimentatie verschuldigd. De verplichting tot betaling van partneralimentatie is vastgelegd in een overeenkomst tussen partijen. De man kan daar geen wijziging van verzoeken op grond van artikel 1:401 BW. Verder betwist zij dat niet langer sprake zou zijn van een behoefte aan partneralimentatie. Het uitgangspunt van de overeenkomst tot partneralimentatie was gelegen in het feit dat de man de vrouw wilde ondersteunen in het verkrijgen van een eigen inkomen en het opbouwen van een eigen onderneming. Het was nooit de bedoeling dat zij weer zou gaan werken als dierenarts. Bovendien zijn partijen in artikel 2.3.2. overeengekomen dat indien de vrouw meer inkomsten krijgt, dit niet van invloed is op de hoogte van de alimentatie. Er is daarom geen enkele grond om de overeengekomen alimentatie af te verminderen.

De rechtbank overweegt als volgt. Het verweer van de vrouw dat geen sprake is van een huwelijk en dat er daarom geen is grond voor een wijziging, slaagt. Partijen zijn nooit gehuwd geweest. De wijzigingsgronden van artikel 1:401 BW waar de man zich op beroept zijn in dat geval niet van toepassing. Dit is slechts anders indien partijen in hun afspraken hebben vastgelegd dat wijziging van de afspraken op grond van 1:401 BW mogelijk is, maar daarvan is geen sprake.

De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoeken.

Beslissing

De rechtbank:

*

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.P. de Klerk

Griffier

  • mr. L.E. Meisters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand